Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Max Planck-arrest van het Europese Hof van Justitie op hem als werkgever rust. In cassatie wordt geklaagd over dit oordeel van het hof, m.i. tevergeefs.
2.Feiten
3.Procesverloop
wettelijkevakantiedagen. Na het wettelijk kader te hebben weergegeven (rov. 5.12), stelt het hof daarbij het volgende voorop (rov. 5.13-5.14; voetnoot overgenomen):
zorg- en informatieverplichting’ die ingevolge het
Max Planck-arrest van het Europese Hof van Justitie [14] op hem als werkgever rust. Dit betekent volgens het hof dat de aanspraak van [verweerder] op de door hem over 2012 [15] tot en met 2019 opgebouwde wettelijke vakantiedagen niet is komen te vervallen (rov. 5.15-5.16). Dat [verzoeker] niet aan zijn stelplicht inzake zijn zorg- en informatieverplichting heeft voldaan, brengt naar het oordeel van het hof voorts mee dat art. 7:642 BW Pro wat de niet-genoten wettelijke vakantiedagen betreft buiten toepassing moet worden gelaten, nu deze bepaling niet conform art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro kan worden uitgelegd. Van verjaring van de aanspraak van [verweerder] op niet-genoten wettelijke vakantiedagen is derhalve geen sprake (rov. 5.19-5.20). [16]
bovenwettelijkevakantiedagen overweegt het hof, samengevat, dat [verweerder] op 19 mei 2019 een stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW Pro heeft verricht waarmee de sinds 1 januari 2014 lopende verjaringstermijn is afgebroken. Dit betekent, zo vervolgt het hof, dat de vordering van [verweerder] ten aanzien van de tot en met 31 december 2013 opgebouwde maar niet-genoten bovenwettelijke vakantiedagen op de voet van art. 7:642 BW Pro is verjaard. Zijn aanspraak op sinds 1 januari 2014 opgebouwde maar niet-genoten bovenwettelijke vakantiedagen kan [verweerder] daarentegen geldend maken, aldus het hof (rov. 5.21). Het betoog van [verzoeker] dat het beroep van [verweerder] op stuiting van de verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en/of in strijd is met de bedoeling van de wetgever, wordt door het hof verworpen (rov. 5.24).
4.Juridisch kader
grondrecht’op vakantie, zoals neergelegd in art. 31 lid 2 Handvest Pro, ‘
erkent en preciseert’: waar de laatstgenoemde bepaling het recht op vakantie waarborgt, geeft de eerstgenoemde bepaling uitvoering aan dat beginsel door de duur van de jaarlijkse vakantie vast te stellen, aldus het HvJEU. [22]
beschermingsregels’die het HvJEU met betrekking tot de minimumperiode van art. 7 lid 1 heeft Pro ontwikkeld dat zijn. [25]
enerzijds uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken, en anderzijds over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken’. [26] Het recht op vakantie moet worden beschouwd als ‘
een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in [de Arbeidstijdenrichtlijn]’, zo heeft het HvJEU bij herhaling overwogen in zijn rechtspraak over art. 7. [27] Uit die rechtspraak volgt verder dat art. 7 niet Pro restrictief mag worden uitgelegd ten koste van de rechten die de werknemer aan de Arbeidstijdenrichtlijn ontleent. [28]
‘ontstaan zelf’ van het recht mag door de lidstaten echter niet van ‘
enigerlei voorwaarde’ afhankelijk worden gesteld. [29] Het HvJEU heeft in dit verband overwogen dat art. 7 lid Pro 1 Arbeidstijdenrichtlijn: [30]
‘verliezen’ [31] aan het einde van een referentie- of overdrachtsperiode [32] als hij daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om zijn recht op vakantie uit te oefenen. Anders zou dat recht worden uitgehold, zo voegt het HvJEU daar later aan toe. [33]
KHS-arrest een uitzondering op deze regel aanvaard voor het geval dat de werknemer meerdere opeenvolgende referentieperiodes arbeidsongeschikt is en bijgevolg in die periodes geen vakantie kan opnemen. [34] In die
‘specifieke omstandigheden’heeft de werknemer geen recht op het onbeperkt cumuleren van de vakantierechten die hij tijdens zijn periode van arbeidsongeschiktheid heeft verworven (maar niet heeft kunnen uitoefenen), omdat vakantie na verloop van tijd zijn positief effect als tijd om uit te rusten verliest en aldus niet meer wordt voldaan aan het dubbele doel van het recht op vakantie (vgl. onder 4.5). [35] Art. 7 lid Pro 1 Arbeidstijdenrichtlijn staat er in dat geval niet aan in de weg dat de niet-genoten vakantiedagen vervallen aan het einde van een overdrachtsperiode die
‘de duur van de referentieperiode waarvoor zij is toegekend wezenlijk overschrijdt’ [36] . [37] Deze uitzondering berust op ‘
de finaliteit zelf’ van het recht op vakantie en strekt tevens (tot bescherming van de werknemer en [38] ) tot bescherming van de werkgever tegen ‘
het gevaar van een te grote cumulatie van perioden van afwezigheid van de werknemer en tegen de moeilijkheden die hieruit kunnen voortvloeien voor de arbeidsorganisatie’. [39]
‘omstandigheden die specifiek zijn in de zin van het KHS-arrest, zodat zij, net als in het geval van een werknemer die langdurig afwezig is wegens ziekte’, een uitzondering op de onder 4.6 genoemde regel rechtvaardigen. [40] Overwogen werd dat
‘anders dan in een situatie van cumulatie van rechten op vakantie van een werknemer die deze vakantie wegens ziekte niet heeft kunnen opnemen, een werkgever die zijn werknemer niet in de gelegenheid stelt zijn recht op vakantie uit te oefenen, daarvan de gevolgen moet dragen’.Voorts werd bescherming van de belangen van de werkgever in de betreffende zaken door het HvJEU niet strikt noodzakelijk geacht, zodat hierin geen rechtvaardiging kon worden gevonden om af te wijken van het recht op vakantie. [41]
wezenlijk beginsel van sociaal recht van de Unie’. [46]
Baueren
Max-Planckheeft het HvJEU evenwel overwogen dat art. 51 lid 1 Handvest Pro niet uitsluit dat particulieren in voorkomend geval rechtstreeks gehouden kunnen zijn tot naleving van een Handvestbepaling. Met betrekking tot art. 31 lid 2 Handvest Pro heeft het HvJEU in die arresten meer specifiek overwogen dat die bepaling ‘
op zich volstaat om aan werknemers een recht te verlenen dat deze als zodanig kunnen doen gelden in een geding tussen hen en hun [particuliere; A-G] werkgever op het gebied dat onder het Unierecht – en bijgevolg ook binnen de werkingssfeer van het Handvest – valt’. Het HvJEU overweegt voorts dat het recht van de werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon naar zijn aard voor de werkgever de overeenkomstige verplichting inhoudt deze minimumvakantie te verlenen of bij beëindiging van het dienstverband een vergoeding voor de niet-opgenomen minimumvakantiedagen toe te kennen. [52] Uit deze overwegingen is wel afgeleid dat het HvJEU aan art. 31 lid 2 Handvest Pro directe horizontale werking [53] heeft toegekend, dat wil zeggen dat – voor gevallen die binnen het toepassingsbereik van het Handvest vallen [54] – een werknemer zich in een geschil met zijn particuliere werkgever rechtstreeks op die bepaling kan beroepen om zijn daaraan ontleende recht geldend te maken. [55] Wanneer het gaat om een geschil tussen een werknemer en een particuliere werkgever, vloeit volgens het HvJEU uit art. 31 lid 2 Handvest Pro voort dat de nationale rechter is gehouden om een nationale regeling die niet in overeenstemming met art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro kan worden uitgelegd buiten toepassing te laten. [56]
Kreuzigeren
Max-Planck. [60] Het hof is in de onderhavige zaak van het laatstgenoemde arrest uitgegaan. Omwille van de leesbaarheid zal ik dat in het hiernavolgende ook doen, met daarbij de opmerking dat de overwegingen in de Nederlandse taalversies van de arresten niet woordelijk overeenkomen (zie ook hierna, onder 4.17).
Max-Planckverzocht een werknemer in het kader van de beëindiging van zijn dienstverband om uitbetaling van niet-genoten minimumvakantiedagen. [61] Op grond van het toepasselijke Duitse recht had echter te gelden dat wanneer een werknemer in de betrokken referentieperiode geen vakantie had aangevraagd, de niet-genoten minimumvakantiedagen (en daarmee het recht op een financiële vergoeding voor die vakantiedagen bij beëindiging van het dienstverband) in beginsel vervielen aan het einde van die periode. [62] Tegen deze achtergrond stelt de Duitse rechter prejudiciële vragen aan het HvJEU, onder meer over de verenigbaarheid van deze regeling met het Unierecht. In dat verband wordt aan het HvJEU voorgelegd – samengevat – of art. 7 lid Pro 1 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de werknemer die in de betrokken referentieperiode niet heeft verzocht om zijn recht op vakantie te mogen uitoefenen, de hem krachtens deze Unierechtelijke bepalingen toekomende minimumvakantiedagen verliest aan het einde van die periode, net als het daarmee verbonden recht op een financiële vergoeding voor jaarlijkse vakantie die bij beëindiging van het dienstverband niet is opgenomen. [63] Voorts wordt als tweede prejudiciële vraag gesteld
‘of dit evenzeer geldt wanneer het gaat om een dienstverband tussen particulieren’.
Max-Planck, rov. 45), mijn onderstrepingen:
om er concreet en in alle transparantie voor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen, en hem er zo nodig formeel toe aan te zetten dat te doen.
Daarbij dient hij de werknemer erover te informeren – op precieze wijze en tijdig, zodat die vakantie de betrokkene nog de rust en ontspanning kan bieden waaraan zij wordt geacht bij te dragen –
dat hij de vakantie die aan het einde van de referentieperiode of van een toegestane overdrachtsperiode niet is opgenomen, verliest.”
Kreuziger-arrest in andere bewoordingen is gegeven, althans volgens de Nederlandse taalversie [67] van dat arrest, met – als ik het goed zie – een inhoudelijk verschil tussen beide arresten tot gevolg. In
Kreuzigerhoudt de overweging in, voor zover hier van belang, dat de werkgever met name is gehouden om ‘
concreet en in alle transparantie ervoor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk in staat is zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen, en wel door hem – indien nodig formeel – ertoe aan te zetten vakantie te nemen en hem daarbij kennis te geven van het feit dat de vakantie verloren zal gaan (…)’ (rov. 52). [68] Volgens deze formulering moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemer in staat is zijn minimumvakantie op te nemen door de werknemer ertoe aan te zetten vakantie op te nemen,
indien nodig formeel. [69] Dat impliceert een verplichting om de werknemer aan te sporen vakantie op te nemen, waar de formulering in
Max-Plancksuggereert dat de werknemer
zo nodig(formeel) daartoe moet worden aangezet. In de latere arresten
Fraporten
LBwordt gesproken van ‘verplichtingen om de werknemer te informeren
enaan te moedigen zijn minimumvakantie op te nemen’. [70] Dat lijkt mij aan te sluiten bij de formulering in het
Kreuziger-arrest.
Max-Planck-arrest heeft het HvJEU het als volgt verwoord (rov. 46-48): [71]
Max-Planck, rov. 49-56). Dit brengt het HvJEU tot het volgende antwoord op de eerste prejudiciële vraag: [72]
Max-Planck, rov. 62-81; vgl. onder 4.12):
concreet en in alle transparantie’ voor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk in staat is zijn minimumvakantiedagen op te nemen. Hij dient de werknemer (zo nodig (formeel)) ertoe aan te zetten vakantie te nemen en hem op ‘
precieze wijze en tijdig’ te informeren dat niet-opgenomen vakantiedagen verloren gaan na ommekomst van een referentie- dan wel overdrachtsperiode. [73] Neemt de werknemer zijn minimumvakantiedagen niet binnen de toepasselijke periode op, terwijl zijn werkgever hem aldus daartoe in staat heeft gesteld, dan mogen de niet-opgenomen dagen vervallen. De werkgever hoeft de werknemer niet te verplichten om vakantie op te nemen.
Kreuzigeren
Max-Planckleidden tot
vervalvan het recht op vakantie. Daarmee lag na beide arresten nog open of de beslissing van het HvJEU dat het recht op vakantie niet kan vervallen indien de werkgever niet aan zijn zorg- en informatieverplichting heeft voldaan, ook geldt wanneer
verjaringvan dat recht aan de orde is. [80] In het op 22 september 2022 gewezen arrest
LB, waarin het ging om toepassing van algemene verjaringsregels op het recht op vakantie, heeft het HvJEU zich over deze kwestie uitgesproken. [81]
Bürgerliches Gesetzbuch(BGB), die een verjaringstermijn van drie jaar kent. [82] Het
Bundesarbeidsgerichtoordeelt in hoogste instantie dat de werkgever zijn zorg- en informatieverplichting heeft geschonden [83] en dat de vakantiedagen uit de jaren 2013-2016 derhalve niet op grond van het
Bundesurlaubsgesetzzijn vervallen. In verband met de toepassing van de verjaringsregels stelt de Duitse rechter de prejudiciële vraag of – in de herformulering van het HvJEU – art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro zich verzetten tegen ‘
een nationale regeling op grond waarvan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat een werknemer over een referentieperiode heeft verworven, verjaart aan het einde van een periode van drie jaar die begint te lopen aan het einde van het jaar waarin dit recht is ontstaan, wanneer de werkgever de werknemer niet daadwerkelijk in staat heeft gesteld om dit recht uit te oefenen’. [84]
nietkan doorstaan wanneer de werkgever de werknemer niet daadwerkelijk in staat heeft gesteld om dat recht uit te oefenen, omdat toepassing van de verjaringstermijn in dat geval verder gaat dan nodig is om het door die termijn nagestreefde doel van rechtszekerheid te bereiken. [86] Het HvJEU overweegt daartoe als volgt (rov. 41-57):
de werknemer gedurende langere tijd geen vakantie opneemt of daarvan wordt weerhouden door de werkgever’. [90] Volgens de parlementaire geschiedenis is het de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer om vakantie op te nemen en verplicht de wet hem daar niet toe. [91]
Art. 7:640a BW
het tijdig en met regelmaat opnemen van de minimumvakantie’ te stimuleren, in het belang van de veiligheid en gezondheid van werknemers. [93]
‘tenzij’-clausule in art. 7:640a BW volgt dat de vervaltermijn niet geldt indien de werknemer gedurende het gehele opbouwjaar plus de daarop volgende zes maanden van de vervaltermijn (‘
tot aan dat tijdstip’) [94] redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Deze uitzondering is opgenomen in verband met de door het HvJEU geformuleerde regel dat het minimumrecht op vakantie (de wettelijke vakantiedagen) alleen mag vervallen indien de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om dat recht uit te oefenen (zie onder 4.6). [95] Toepassing van de uitzondering van art. 7:640a BW is blijkens de parlementaire geschiedenis aan de orde als de werknemer om medische redenen of in verband met andere bijzondere omstandigheden niet in staat is geweest zijn wettelijke vakantiedagen op te nemen. Daarbij wordt als voorbeeld van de
‘andere bijzondere omstandigheden’genoemd de situatie dat het door toedoen van de werkgever niet mogelijk is geweest om (voldoende) wettelijke vakantiedagen op te nemen. [96] Of de uitzondering zich voordoet, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij de bewijslast (‘
aannemelijk maken’) volgens de parlementaire geschiedenis op de werknemer rust. [97]
Kreuziger,
Max-Planck) of verjaren (
LB, waarin het ging om toepassing van een algemene verjaringsregel), als de werkgever die verplichting heeft geschonden (‘
de werknemer niet daadwerkelijk in staat heeft gesteld om zijn recht op vakantie uit te oefenen’).
contra legemuitlegging. Daarvoor biedt de verplichting tot Unierechtconforme interpretatie volgens vaste rechtspraak van het HvJEU echter geen grondslag. [103] In de literatuur wordt op basis van de arresten
Baueren
Max-Planckgeconcludeerd dat de omstandigheid dat art. 7:642 BW Pro zich niet Unierechtconform laat uitleggen, betekent dat de rechter – voor zover het gaat om verjaring van wettelijke vakantieaanspraken – art. 7:642 BW Pro buiten toepassing zal moeten laten indien de werkgever zijn zorg- en informatieverplichting heeft geschonden (of niet kan aantonen dat hij daaraan heeft voldaan) (vgl. onder 4.9 en 4.12). [104]
5.Bespreking van het cassatiemiddelen
Max-Planck-arrest (vgl. rov. 5.18). Onderdeel 4 behelst een voortbouwklacht.
Max-Planck-uitspraak bedoelde zorg- en informatieverplichting rust, (2) dat die verplichting niet van minder vergaande aard is omdat [verweerder] (als advocaat) bekend is met de regeling van verval van vakantiedagen en (3) dat pas nadat [verzoeker] voldoende heeft gesteld en bewezen aan die verplichting te hebben voldaan, zou kunnen worden geoordeeld dat [verweerder] kennelijk welbewust en met volledige kennis van de daaraan verbonden gevolgen zijn jaarlijkse vakantie niet heeft opgenomen. Deze overwegingen – die in cassatie als zodanig niet worden bestreden – komen er op neer dat de zorg- en informatieverplichting naar het oordeel van het hof onverkort geldt in de door [verzoeker] gestelde omstandigheden. Daarbij heeft het hof met het onder (1) genoemde oordeel kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de door het HvJEU geformuleerde zorg- en informatieverplichting méér vergt van de werkgever dan hetgeen [verzoeker] stelt te hebben gedaan.
alleenheeft beoordeeld of [verzoeker] aan zijn stelplicht heeft voldaan, met voorbijgaan aan de vraag of die verplichting in de feiten en omstandigheden van het concrete geval wel onverkort geldt. Met andere woorden, de subonderdelen verwijten het hof dat het heeft geoordeeld dat het niet voldoen aan de stelplicht reeds grond is voor het oordeel dat verval- en verjaringsregeling buiten toepassing moeten worden gelaten. Daarmee raken de subonderdelen niet aan het hiervoor genoemde oordeel van het hof, dat juist inhoudt – anders dan de subonderdelen kennelijk voorstaan – dat de in rov. 5.16 genoemde omstandigheden
nietmeebrengen dat de zorg- en informatieverplichting niet onverkort zou gelden in dit geval. Dat oordeel wordt als zodanig ook overigens niet bestreden.
[verzoeker] (in het licht van de betwisting daarvan door [verweerder] ) onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat hij jegens [verweerder] aan zijn zorg- en informatieverplichting heeft voldaan’ (rov. 5.15, eerste volzin). Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd. Gewezen wordt op de volgende stellingen van [verzoeker] :
‘waarop het hof doelt in rov. 5.15’, die volgens het subonderdeel inhouden (1) dat [verweerder] er door [verzoeker] vaker op gewezen is dat zijn vakantiedagen zouden vervallen als hij geen vakantie zou opnemen, (2) dat [verweerder] het verval van zijn vakantiedagen geen probleem vond omdat hij er toch niets mee deed, (3) dat hij [verweerder] heeft aangespoord met enige regelmaat vakantie op te nemen, (4) dat [verweerder] dit simpelweg niet wilde, per se niet op vakantie wilde, en (5) dat het voorkwam dat [verzoeker] [verweerder] gedwongen een week vrij gaf maar dat [verweerder] vaak na twee of drie dagen terug op kantoor was omdat hij zich thuis verveelde.
‘de eisen die besloten liggen in de oordelen van het hof’die het subonderdeel weergeeft onder (i)-(iii). Nu het subonderdeel op zichzelf niet ter discussie lijkt te stellen dát op [verzoeker] als werkgever de zorg- en informatieverplichting rust en gelet op het feit dat ’s hofs oordeel in rov. 5.15 (ook) inhoudt dat uit de verklaringen waarop [verzoeker] zich heeft beroepen niet is af te leiden ‘
hoe vaak, op welk moment en op welke wijze’ [verzoeker] [verweerder] heeft gewezen op het verval van zijn wettelijke vakantiedagen, ga ik ervan uit dat het subonderdeel doelt op de eisen ‘
concreet en actiefervoor zorgen dat [verweerder] daadwerkelijk de mogelijkheid had zijn vakantiedagen op te nemen’, ‘ [verweerder]
zo nodig formeeldaartoe aanzetten’ en ‘ [verweerder]
tijdiginformeren over het verval van zijn vakantiedagen’.
Max-Planck-arrest is overwogen dat op de werkgever de verplichting rust om (rov. 45; mijn onderstrepingen):
concreet en in alle transparantievoor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen, en hem er
zo nodig formeeltoe aan te zetten dat te doen. Daarbij dient hij de werknemer erover te informeren –
op precieze wijze en tijdig, (…) – dat hij de vakantie die aan het einde van de referentieperiode of van een toegestane overdrachtsperiode niet is opgenomen, verliest.”
‘eisen’,die het hof onmiskenbaar heeft ontleend aan die overwegingen (door het hof ook geciteerd in rov. 5.13 van de bestreden tussenbeschikking). Daarbij komt dat het hof in rov. 5.16 heeft geoordeeld, in cassatie als zodanig onbestreden, dat de zorg- en informatieverplichting in het onderhavige geval onverkort geldt (zie onder 5.8 en 5.9).
pas nadat [verzoeker] heeft gesteld en bewezen’) dat [verzoeker] niet aan zijn stelplicht zou hebben voldaan en dat uit die stellingen niet zou kunnen volgen dat hij aan zijn verplichtingen als werkgever heeft voldaan, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is in het licht van de onder 5.11 achter (a) en (b) weergegeven stellingen zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Die stellingen laten zich immers niet anders verstaan, dan dat [verweerder] ondanks alle aansporingen kennelijk welbewust en met volledige kennis van de daaraan verbonden gevolgen zijn jaarlijkse vakantie niet heeft opgenomen, zo wordt gesteld.
hoe vaak, op welk moment en op welke wijze [verzoeker] [verweerder] op het verval van zijn vakantiedagen heeft gewezen’ (rov. 5.15), terwijl naar het in cassatie onbestreden oordeel van het hof de zorg- en informatieverplichting niet minder verstrekkend is omdat [verweerder] (als advocaat) bekend is met de regeling van verval van vakantiedagen.
‘(impliciete) oordeel’van het hof in rov. 5.19 dat het in deze zaak gaat om het geval dat ‘
de werknemer gedurende de vijfjaarstermijn niet in staat is geweest vakantie op te nemen’. Het subonderdeel stelt dat dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat [verweerder] feitelijk en daadwerkelijk niet in staat zou zijn geweest om vakantie op te nemen op de wijze zoals hij wilde. Het subonderdeel voegt toe dat de onder 5.11 achter (a) en (b) vermelde stellingen van [verzoeker] bovendien (in beginsel) aan deze vaststelling in de weg staan.
‘niet in de zin van rov. 45 van het Max-Planck-arrest ervoor heeft gezorgd dat [verweerder] daadwerkelijk de in deze rov. 45 genoemde mogelijkheid zou hebben’, dat oordeel onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de onder 5.11 achter (a) en (b) vermelde stellingen van [verzoeker] .
algemenezin heeft willen uiteenzetten waarom art. 7:642 BW Pro niet conform art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro kan worden uitgelegd en derhalve in voorkomend geval door de rechter buiten toepassing moet worden gelaten. Dit volgt niet alleen hieruit dat het hof in rov. 5.19 (slechts) algemene bewoordingen gebruikt, maar ook uit het feit dat het hof (pas) in rov. 5.20 oordeelt dat en waarom art. 7:642 BW Pro in déze zaak (‘
hier (wat de wettelijke vakantiedagen betreft)’) buiten toepassing moet worden gelaten. De overweging waarop de subonderdelen kennelijk beide het oog hebben, namelijk dat ‘
(…) [art. 7:642 BW Pro], anders dan art. 7:640a BW, (…) geen ruimte [laat] voor het (uitzonderings)geval waarin de vordering tot toekenning van vakantiedagen niet verjaart doordat de werknemer gedurende de vijfjaarstermijn niet in staat is geweest vakantie op te nemen’, houdt dus – anders dan de subonderdelen veronderstellen – niet een op de onderhavige zaak toegespitst oordeel in, zoals ook kan worden opgemaakt uit de woorden ‘
anders dan art. 7:640a BW’). De reden waarom het hof art. 7:642 BW Pro – tegen de achtergrond van de reeds in rov. 5.19 in algemene zin geconstateerde onmogelijkheid tot Unierechtconforme interpretatie – in deze zaak buiten toepassing laat, is, als gezegd, te vinden in rov. 5.20, namelijk dat [verzoeker] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht inzake zijn zorg- en informatieverplichting.
hier (wat de wettelijke vakantiedagen betreft)’ buiten toepassing moet worden gelaten en dat ‘
[verweerder] aanspraak op niet-genoten wettelijke vakantiedagen (…) dus niet [is] verjaard.’
hoe vaak, op welk moment en op welke wijze [verzoeker] [verweerder] het verval van zijn vakantiedagen heeft gewezen’. Wat de door het subonderdeel opgeworpen rechtsklacht betreft geldt, afgezien van het hiervoor al geconstateerde gebrek aan feitelijke grondslag, dat niet wordt toegelicht waarom het hof blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien moet worden aangenomen dat het subonderdeel dezelfde rechtsklacht heeft willen opwerpen als subonderdeel 1.3, dan faalt deze klacht op grond van de onder 5.13 genoemde redenen.
Max-Planck-arrest niet volgt dat geen verjaring op grond van art. 7:642 BW Pro plaatsvindt indien een werkgever niet aan zijn zorg- en informatieverplichting heeft voldaan. Het subonderdeel voert aan dat het arrest niet over verjaring gaat en dat in het arrest (rov. 61) slechts is geoordeeld dat art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan de werknemer ‘
hem (…) toekomende dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loonautomatisch verliest’ (onderstreping subonderdeel). Het
Max-Planck-arrest brengt niet mee dat ingeval de zorg- en informatieverplichting is geschonden, geen verjaring mogelijk zou zijn van de rechtsvordering van de werknemer betreffende hem toekomende, niet automatisch verloren of vervallen vakantiedagen, zo wordt gesteld.
Max-Planck-arrest niet de verjaring van niet-opgenomen wettelijke vakantiedagen aan de orde was; in dat arrest stond een nationale vervalregeling centraal (zie onder 4.14). Het subonderdeel kan echter niet tot cassatie leiden.
King-arrest afkomstige overweging, namelijk, samengevat:
‘het beginsel dat is neergelegd in art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro op grond waarvan een verworven recht op vakantie aan het einde van de referentieperiode en/of van een overdrachtsperiode niet kan vervallen, indien de werknemer zijn vakantie niet heeft kunnen opnemen’. [111] Op basis van deze overweging – die later is herhaald in (onder meer) het
Max-Planck-arrest, zoals ook blijkt uit de voetnoot bij het citaat in de bestreden tussenbeschikking [112] – oordeelt het hof dat art. 7:642 BW Pro niet in overeenstemming met art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn en art. 31 lid 2 Handvest Pro kan worden uitgelegd, omdat de verjaringstermijn ook geldt indien de werknemer gedurende deze termijn niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Het hof vervolgt, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat nu een Unierechtconforme uitleg niet mogelijk is, art. 7:642 BW Pro ingevolge art. 31 lid 2 Handvest Pro door de nationale rechter buiten toepassing moet worden gelaten (rov. 5.19).
Max-Planck-arrest dat wettelijke vakantiedagen niet mogen vervallen als de werkgever niet (kan aantonen dat hij) heeft voldaan aan de op hem rustende zorg- en informatieverplichting, maar op de meer algemene overweging uit het
King-arrest (waarin overigens ook wordt gesproken van
‘vervallen’). Daarbij heeft het hof de omstandigheid dat – naar zijn oordeel – [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht inzake de zorg- en informatieverplichting kennelijk aldus opgevat, dat hiermee sprake is van een situatie waarin
‘de werknemer zijn vakantie niet heeft kunnen opnemen’als bedoeld in de door het hof aangehaalde overweging uit het
King-arrest.
LB. Daartoe geldt het volgende.
‘een betrekkelijk korte tijd’tot een oplossing worden gebracht. [116] Dit sluit volgens Stein aan bij een doel van verjaring in het algemeen, namelijk om de schuldenaar (hier: de werkgever) te beschermen tegen bewijsproblemen: [117]
LBbetrekt het HvJEU – in het kader van de vraag of de uit de toepassing van de Duitse verjaringstermijn voortvloeiende beperkingen op de uitoefening van het recht op vakantie van art. 31 lid 2 Handvest Pro, niet verder gaan dan noodzakelijk om het door deze regeling nagestreefde doel te bereiken (art. 52 lid 1 Handvest Pro) – bij zijn oordeel het doel dat, dan wel de belangen die de Duitse
algemeneverjaringsregeling beoogt te dienen (zie m.n. rov. 41-42, 48, 53, 55). Gelet op wat hiervoor is aangehaald over de wetsgeschiedenis van de (bijzondere) verjaringsregeling van art. 7:642 BW Pro, kan geconstateerd worden dat daaraan geen belangen ten grondslag liggen die wellicht aanleiding zouden kunnen vormen om de overwegingen van het HvJEU niet (onverkort) van toepassing te achten indien zich de vraag voordoet of een werkgever die niet (kan aantonen dat hij) heeft voldaan aan zijn zorg- en informatieverplichting zich op de voet van art. 7:642 BW Pro op verjaring van niet-opgenomen wettelijke vakantiedagen kan beroepen [121] . [122] M.i. kan dan ook uit het
LB-arrest, in samenhang gelezen met de arresten
Baueren
Max-Planck,worden opgemaakt dat indien een werkgever zijn zorg- en informatieverplichting heeft geschonden (of niet kan aantonen dat hij daaraan heeft voldaan), de rechter art. 7:642 BW Pro – dat zich niet Unierechtconform laat interpreteren – buiten toepassing zal moeten laten op grond van art. 7 lid Pro 1 Arbeidstijdenrichtlijn dan wel art. 31 lid 2 Handvest Pro, voor zover het gaat om verjaring van
wettelijkevakantiedagen (zie onder 4.9, 4.12, 4.36, 4.20 en 4.27).