Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 21 juni 2022
[verzoeker] ,
Het verdere procesverloop in hoger beroep
De verdere beoordeling van het hoger beroep
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
Gerechtshof Den Haag
In deze civielrechtelijke arbeidszaak stond de berekening en uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen centraal. De werknemer vorderde betaling van een bedrag voor opgebouwde maar niet-genoten wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Het hof stelde vast dat aanspraken op wettelijke vakantiedagen niet waren verjaard en dat ook bovenwettelijke vakantiedagen sinds 2014 vergoed moesten worden.
Na aktewisseling en berekeningen concludeerde het hof dat 186,5 vakantiedagen voor vergoeding in aanmerking kwamen, met een bruto waarde van €62.604,32. De werkgever voerde diverse verweren aan, waaronder een vermeende schending van de waarheidsplicht en een onjuiste toepassing van het Max Planck-arrest, maar deze werden door het hof verworpen omdat zij buiten het bestek van de aktewisseling vielen en het hof gebonden was aan eerdere oordelen.
Het hof vernietigde de eerdere gedeeltelijke afwijzing door de kantonrechter en veroordeelde de werkgever tot betaling van het berekende bedrag, vermeerderd met 10% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 1 januari 2021. Het incidenteel hoger beroep van de werkgever werd verworpen en deze werd veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van €62.604,32 bruto voor 186,5 niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente.