Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
CJ Logistics
in het kader van grief Xberoepen op de WhatsApp-berichten die hij als productie 3 tot en met 5 bij memorie van grieven heeft overgelegd. Volgens de klachten van het onderdeel betrof het door [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gedane beroep op gerechtvaardigd vertrouwen/rechtsverwerking een nieuwe grief, die wegens strijd met de tweeconclusieregel buiten beschouwing had moeten blijven, althans is sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
soepeleregel, in de zin dat de appelrechter de vrijheid dient te hebben om een nieuwe grief, grond, verweer of feitelijke stelling toe te staan – ook al is die grief, grond enzovoort later dan bij memorie van grieven respectievelijk memorie van antwoord opgeworpen – mits beide partijen het volle pond van hoor en wederhoor krijgen. Deze vrijheid voor de appelrechter wordt slechts begrensd door de bekende beginselen van procesrecht. Met dit laatste doel ik, behalve op het beginsel van hoor en wederhoor, vooral op de beginselen van een goede procesorde en het verbod van misbruik van procesrecht. [4]
strakkeregel wenst te nemen, ook al anticipeert hij met de klacht over een ‘ontoelaatbare verrassingsbeslissing’ tegelijk op een ándere opvatting van de regel. De vraag in welke zin de tweeconclusieregel precies moet worden opgevat, nog steeds als in beginsel strak of niet, behoeft in deze zaak intussen geen (nadere) bespreking. Ook als die regel nog steeds wordt opgevat als een in beginsel strakke regel, is er mijns inziens geen twijfel over mogelijk dat het onderdeel faalt. De memorie van grieven laat namelijk
redelijkerwijs geen andere lezing toedan dat [verweerder] zich wél erop heeft beroepen dat DCM vanwege het door [betrokkene 1] bij [verweerder] gewekte vertrouwen, zich er niet op kon beroepen dat de activiteiten van [verweerder] bij CJ Logistics in strijd met het relatiebeding waren. Ik doel nu in het bijzonder op de toelichting op grief X, maar ook andere plaatsen in de memorie hebben dezelfde strekking. Ik zeg het zo stellig, omdat het mijns inziens zo is. Intussen is in cassatie voldoende dat de lezing van het hof van de memorie van grieven
niet onbegrijpelijk is.
CJ Logistics Europe B.V.
Ik ben me van geen kwaad bewust”(vgl. productie 4).
“Nee, natuurlijk niet”(eveneens productie 4) en
“Wat???? Zijn ze gek geworden?”(productie 5).
“Relatiebeding? Onafhankelijke brief? Geen vanaf DCM?”
“Denk het, ben me van geen kwaad bewust.... Van advocaat... Advocaat DCM”.
“Nee natuurlijk niet”en
“Wat?? Zijn ze gek geworden?”(zie productie 4 en 5 bij memorie van grieven).
onder 2.1getuigt rechtsoverweging 3.13 van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de daarin genoemde omstandigheden noch afzonderlijk, noch in samenhang bezien, kunnen meebrengen dat DCM haar rechten heeft verwerkt om [verweerder] in rechte op schending van het relatiebeding aan te spreken vanwege het verrichten van werkzaamheden voor CJ Logistics. Vervolgens vermeldt de steller van het middel de maatstaf voor rechtsverwerking zoals die onder meer voorkomt in het arrest van uw Raad
Bab/Cordial c.s. [7]
onder 2.4plaatst de vraag of de gedragingen van [betrokkene 1] en het daarmee bij Van der Lindengewekte vertrouwen aan DCM kunnen worden toegerekend in de sleutel van bewijslastverdeling. Het hof zou hebben miskend dat de stelplicht en bewijslast op [verweerder] rusten. Aldus ziet de steller van het middel eraan voorbij dat het hof het standpunt van DCM met betrekking tot de bedoelde toerekening heeft beslist op grond van feiten die niet in geschil zijn (zie de zesde, zevende en achtste volzin van rechtsoverweging 3.13, hiervoor aangehaald). Het hof waardeert die feiten anders dan DCM, maar dat maakt die waardering nog niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat het hof spreekt over het ontbreken van een ‘nadere toelichting’ van de zijde van DCM, heeft in zijn verband gelezen slechts de betekenis dat wat door DCM was aangevoerd, het hof niet heeft overtuigd.
Customs Partners
petitio principii.De crux is dat het hof het relatiebeding ánders uitlegt (klaarblijkelijk in het licht van hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs moesten begrijpen en konden verwachten, mede naar aanleiding van de bij het beding kenbaar betrokken belangen).