Conclusie
Nummer21/04598
Het cassatieberoep
"in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming"veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
", zoals weergegeven op bladzijde 3, eerste alinea, van het vonnis;
."
", zoals weergegeven op bladzijde 4, laatste alinea, van het vonnis;
.",
", neemt het hof de zinsnede op: "wegens het niet met een ander kunnen delen van de noodzakelijke kosten van het bestaan
."
3. Bewijsoverwegingen
Het eerste middel
De toelichting op het eerste middel
Het beoordelingskader inzake promis-vonnissen en -arresten
nietde door hem relevant geachte passages uit de gebruikte bewijsmiddelen letterlijk weer, maar volstaat de rechter in zijn vonnis met een samenvatting daarvan, zulks onder verwijzing naar de vindplaatsen in het procesdossier. Het promis-vonnis bevat een bewijsredenering die is opgezet op basis van – aan de inhoud van deze bewijsmiddelen ontleende – feiten en omstandigheden die naar het oordeel van de rechter betrouwbaar kunnen worden vastgesteld (en het vonnis bevat zo nodig tevens de gronden voor dat oordeel). In een bewijsredenering zet de rechter vervolgens uiteen welke gevolgtrekkingen hij aan die vastgestelde feiten en omstandigheden verbindt en waarom die feiten en omstandigheden zodoende ‘reden geven’ voor de bewezenverklaring. Er vindt geen (verdere) uitwerking van de bewijsmiddelen plaats als een rechtsmiddel wordt ingesteld. [14]
De bespreking van het eerste middel
in het vat heeft gegoten” onvoldoende valt na te gaan of het aan de door de Hoge Raad gestelde eisen aan een promis-werkwijze heeft voldaan.
“niet meer inzichtelijk is”, maar onderbouwt vervolgens ten aanzien van geen enkel concreet onderdeel van het bewezen verklaarde in welk opzicht de bewezenverklaring niet in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, de samenvatting ongeoorloofde conclusies of redengevende onderdelen inhoudt dan wel het bewijsmiddel is gedenatureerd. Voor zover het middel klaagt dat de bewijsmotivering van het hof
“niet meer inzichtelijk is”, faalt het.
"wegens het niet kunnen delen van de woonlasten"(p. 2, tweede alinea, van het vonnis) heeft opgenomen de zinsnede
"wegens het niet met een ander kunnen delen van de noodzakelijke kosten van het bestaan”.Een blik over de papieren muur leert dat het hof daarmee aansluiting heeft gezocht bij de letterlijke bewoordingen van het Besluit tot toekenning van de uitkering volgens de Wet werk en bijstand d.d. 24 juni 2005 (p. 60 van het dossier), waarin wordt vermeld “
uw gemeentelijke toeslag bedraag 20% van de norm (…) omdat u de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kunt delen met een ander”. ‘s Hofs wijziging op dit punt acht ik evenmin onbegrijpelijk en verder toereikend gemotiveerd.
Het tweede middel
De toelichting op het tweede middel
“verzoekster opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens te verstrekken door niet kenbaar te maken dat zij samenwoonde, althans een duurzaam gezamenlijke huishouding voerde met [betrokkene 1] ( [a-straat 1] ) en niet verbleef op het door haar opgegeven hoofdverblijf ([a-straat 2]), waarvan zij wist dat die gegevens van belang waren”.Daarnaast klaagt de steller van het middel dat het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat
“verzoekster niet haar hoofdverblijf op het adres [a-straat 1] te [plaats] heeft gehad, maar dat zij op het [a-straat 2] woonde, en er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding”. De onderdelen a en b van het middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
De bespreking van het tweede middel
“de kracht en bewijswaarde miskennen van al hetgeen de verdediging in hoger beroep gemotiveerd naar voren heeft gebracht”.Meer specifiek klaagt zij (a) dat uit de bewijsmotivering niet, althans onvoldoende, volgt dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens te verstrekken door niet kenbaar te maken dat zij samenwoonde op [a-straat 1] en niet verbleef op het door haar opgegeven hoofdverblijf op [a-straat 2], en (b) dat het hof heeft nagelaten te responderen op het door de verdediging uitdrukkelijk ingenomen standpunt dat de verdachte op [a-straat 2] woonde en niet samenwoonde op [a-straat 1] .
“het (moet) verdachte enerzijds duidelijk geweest zijn dat die instantie ervan uitging dat zij alleenstaand was en woonde op (…) [a-straat 2], en anderzijds dat zij alles moest melden wat van belang kon zijn voor haar uitkering. Op de nadien door haar ingevulde formulieren werd bovendien expliciet gevraagd naar wijzigingen in haar leef- en/of woonsituatie of vermogen. Zij wist dus dat de door haar niet verstrekte gegevens (…) van belang waren voor de vaststelling van (de hoogte van) haar uitkering”.
“al hetgeen per getuigenverklaring”in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de achterliggende motieven en ruzies, de inconsistentie in de verklaringen en heeft zij betoogd waarom de verklaringen niet kunnen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde.