Conclusie
Nummer21/04572
Het cassatieberoep
als persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 4a van die wet opgelegde verplichting niet nakomen" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
Het middel
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018 te Goor, gemeente Hof van Twente, in elk geval in Nederland en of Tsjechië, telkens als een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet aan zijn verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere [betrokkene 1] , geboren 28 juni 2001 overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, staat/stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling, te weten S.G. [betrokkene 2] te [plaats] , die volledig dagonderwijs, dan wel een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken verzorgt en dat deze jongere deze school of instelling, waar deze stond ingeschreven, geregeld bezocht/bezoekt, zulks terwijl: a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd, en b. de jongere geen startkwalificatie had behaald.”
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Leerplicht 1969, d.d. 13 september 2018 (pagina’s 1 tot en met 8) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar [betrokkene 3] :
De jongere zelf verantwoordelijk is voor het schoolverzuim
Vader is mede verantwoordelijk, omdat jongere vermoedelijk bij hem verblijft.
VRIJSTELLING
Meldingen huidige schooljaar (op grond waarvan pv is opgemaakt)
gearresteerd.”
De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren per e-mail stukken heeft ontvangen van de raadsvrouw. (…)
De verplichtingen van de Leerplichtwet
1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer zijn vermeld. Bij gebrek aan een burgerservicenummer wordt zo mogelijk het onderwijsnummer van de jongere overgelegd. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.
1. De inartikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling, vavo-student of mbo-student bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid, of 2.107l, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 dan wel een onderwijsprogramma dat is vormgegeven volgens een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100, eerste lid, of 2.109, derde lid, van die wet verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:
ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en
de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.
De bespreking van het middel
is het vermoeden”, bij hem verblijft (zonder enige nadere omschrijving van de feitelijke gronden waarop dit vermoeden/deze conclusie van de leerplichtambtenaar is gebaseerd).
tenminste gedurende een aantal weken” bij de verdachte (in Tsjechië) verbleef (zonder enige nadere omschrijving van de feitelijke gronden waarop deze conclusie van de leerplichtambtenaar is gebaseerd en zonder nadere specificatie van de bedoelde weken).
“zijn zoon naar hem toe is gekomen” (zonder nadere specificatie van de dag waarop dat is gebeurd).
4 september 2018 tot en met 13 september 2018”met de feitelijke verzorging van zijn zoon heeft belast.
nietkan worden afgeleid wie zich gedurende de daaropvolgende dagen met de feitelijke verzorging van de jongere heeft belast. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid” (van – naar ik begrijp – de Leerplichtwet), is de bewezenverklaring slechts in zoverre gedekt.
“uit de rapporten en de stukken van de huisarts blijkt dat het volgen van onderwijs door [betrokkene 1] van hem te veel is gevraagd; het niemand is gelukt om hem naar school te sturen; de verdachte zijn zoon altijd heeft gemotiveerd om naar school te gaan”.
"aan te tonen"dat de verdachte er niet verantwoordelijk voor kon worden gehouden dat zijn zoon de school waar hij stond ingeschreven niet bezocht. Dat oordeel acht ik niet begrijpelijk. [4] Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging nadrukkelijk een beroep heeft gedaan op genoemde bepaling en voorafgaand aan de zitting per e-mail verschillende stukken aan het hof heeft overgelegd om haar standpunt te onderbouwen. Ik wijs daarbij in het bijzonder nog op een overgelegde verklaring van de zoon van de verdachte waarin hij schrijft dat zijn vader hem graag naar school wilde hebben, maar dat hij, noch enige andere instantie dat doel ooit heeft weten te bereiken. Nu het hof in het geheel niet heeft gereageerd op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, schiet de motivering van de bewezenverklaring tekort. Ook in zoverre slaagt het middel.
“als een persoon, bedoeld inartikel 2, eerste lid, niet aan zijn verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere (…) overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a. van de Leerplichtwet 1969, staat/stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling, (…) zulks terwijl:a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd, en b. de jongere geen startkwalificatie had behaald”.
“als persoon, bedoeld inartikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de inartikel 4a van die wetopgelegde verplichting niet nakomen”.
“artikel 2, eerste lid”, het bewezen verklaarde onjuist heeft gekwalificeerd. Op grond van het voorgaande, de onder randnummer 8 geciteerde bepaling in het bijzonder, faalt de klacht dat het bewezen verklaarde ten onrechte is gekwalificeerd als het in het arrest gekwalificeerde delict, evident.