ECLI:NL:PHR:2024:1003

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
30 september 2024
Zaaknummer
22/04088
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 27 SrArt. 29 SvArt. 81 ROArt. 96 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake diefstal met braak en valse sleutel van Audi A3

Op 7 december 2017 werd een Audi A3 gestolen vanaf de oprit van een woning in een Nederlandse plaats. De auto was afgesloten met centrale deurvergrendeling en de eigenaar had nog de hoofdsleutel en reservesleutel in bezit. Op de plaats van diefstal werden onderdelen van een autoslot aangetroffen. De politie vond de auto later die ochtend in Hoogeveen en trof verdachte in de nabijheid aan, die vluchtgedrag vertoonde en een rugzak met inbrekersgereedschap bij zich had, waaronder meerdere schroevendraaiers en een valse sleutel.

Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte tot 50 dagen gevangenisstraf wegens diefstal met braak en het gebruik van een valse sleutel. In cassatie werd geklaagd over de bewijskracht, met name dat geen direct bewijs bestond dat verdachte de auto had weggenomen en dat geen DNA- of dactysporen waren aangetroffen. Ook werd aangevoerd dat niet kon worden vastgesteld dat de aangetroffen gereedschappen daadwerkelijk bij de diefstal waren gebruikt.

De Procureur-Generaal concludeert dat het hof terecht op basis van de samenhang van feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring is gekomen. De verdachte was de enige persoon nabij de kort daarvoor gestolen auto, vertoonde schrikachtig gedrag bij het zien van politie, en had gereedschappen bij zich die typisch zijn voor auto-inbraak. Verdachte gaf geen redelijke verklaring voor zijn aanwezigheid en de gevonden voorwerpen. De klacht over de inzendtermijn in cassatie wordt erkend, maar leidt niet tot cassatie. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens diefstal met braak en valse sleutel blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04088
Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 1 november 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1. ’diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ veroordeeld tot 50 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr. Voorts heeft het hof de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals weergegeven in het arrest, verbeurdverklaard. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel bevat een klacht over de bewijsvoering van feit 1. In het bijzonder de bewezenverklaring van het ‘wegnemen’, de ‘braak’ en de ‘valse sleutel’ zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen, althans zou de bewezenverklaring met de nadere bewijsoverweging ontoereikend zijn gemotiveerd.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij op 07 december 2017 te [plaats] een auto (Audi, [kenteken] ) staande bij een woning aan de [a-straat] , die toebehoorde aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om die auto zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.’
5. In de aanvulling op het verkort arrest zijn met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde de volgende bewijsmiddelen opgenomen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Een proces-verbaal aangifte (…) d.d. 7 december 2017 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (…), - zakelijk weergegeven - inhoudende:
1.1
als verklaring van aangever [slachtoffer], wonende te [plaats] , [a-straat 1] , afgelegd op 7 december 2017 te 05:00 uur ter plaatse van het misdrijf op genoemd woonadres:
Ik doe aangifte van diefstal van een zwarte/lava grijze auto, een Audi A3 5 deurs Sportback, [kenteken] , gepleegd vanaf mijn oprit aan het [a-straat 1] te [plaats] op 7 december 2017 tussen 00:30 en 04:15 uur. Deze weggenomen auto behoort mij in eigendom toe. Niemand had het recht of de toestemming deze auto weg te nemen en zich toe te eigenen.
Op 5 december 2017 heb ik deze auto vooruit de dam op, met de achterzijde richting de openbare weg, op genoemde oprit geparkeerd. Ik heb de auto toen middels de centrale deurvergrendeling afgesloten. Vervolgens heb ik aan het bestuurdersportier gevoeld dat de auto daadwerkelijk was afgesloten. Daarna heb ik de auto niet meer gebruikt.
Vannacht, 7 december 2017, omstreeks 00:30 uur ben ik naar bed gegaan. Ik zag toen dat mijn auto nog op de oprit stond. Omstreeks 04:15 uur werd ik wakker. Ik keek toen vanaf de eerste verdieping uit het raam en zag dat mijn auto was verdwenen.
De hoofdsleutel van de auto heb ik nog in mijn bezit, evenals de reservesleutel van de auto.
De auto zag er perfect uit.
1.2
als verklaring van verbalisant:
Ik ben vannacht ter plaatse geweest op [a-straat 1] te [plaats] . Daar was een Audi A3, [kenteken] , weggenomen. Op de oprit, waar de auto was weggenomen, zag ik onderdelen van een autoslot liggen. Gezien de situatie, zoals verwoord door aangever [slachtoffer] , lagen deze onderdelen nabij de plek waar het bestuurdersportier van de Audi zich had bevonden.
2. Een proces-verbaal van bevindingen, (…) d.d. 7 december 2017 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (…), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 7 december 2017, omstreeks 05:56 uur, hoorde ik van de meldkamer Noord Nederland de melding van een ANPR hit op de A28 bij Hoogeveen op een eerder die nacht gestolen Audi, [kenteken] .
Samen met collega [verbalisant 3] ben ik gaan uitzien naar deze auto. Wij reden daarbij in een onopvallend dienstvoertuig en waren beiden in uniform gekleed. Omstreeks 06:12 uur hoorde ik collega [verbalisant 4] zeggen dat hij de auto had aangetroffen aan de Edisonstraat te Hoogeveen. Samen met collega [verbalisant 5] nam hij daar onopvallend positie in.
Collega [verbalisant 3] en ik hebben ons vervolgens ook opgesplitst om het gebied rondom de aangetroffen Audi af te zetten.
Van collega [verbalisant 4] hoorde ik even later dat hij een manspersoon een aantal malen in de nabijheid van de Audi had zien lopen. Deze manspersoon (
het hof begrijpt: verdachte) is even later door collega’s [verbalisant 6] en [verbalisant 7] aangehouden ter zake van verdenking van diefstal van deze Audi. Ik hoorde via de portofoon dat de manspersoon verschillende inbrekersgereedschappen bij zich had. Collega’s [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hadden constant onopvallend zicht op genoemde Audi.
3. Een proces-verbaal van bevindingen, (…) d.d. 7 december 2017 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (…), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 7 december was ik in uniform gekleed en als zodanig herkenbaar samen met collega [verbalisant 7] , als 33.09, met noodhulp belast in de omgeving van Midden Drenthe.
Op genoemde datum, omstreeks 04:45 uur, hoorde ik via de portofoon dat een zwarte Audi A3, [kenteken] , was gestolen vanaf het [a-straat 1] te [plaats] .
Op genoemde datum, omstreeks 05:45 uur, hoorde ik via de portofoon dat de gestolen auto op de A28 bij Hoogeveen door de ANPR was gekomen in noordelijke richting. Hierop hebben wij ons gepositioneerd ter hoogte van Beilen. Ik weet dat het mogelijk is om na de ANPR nog de afrit te nemen naar Hoogeveen. Ik hoorde dat de collega’s van de 33.01 ons achterop kwamen rijden. Op het moment dat we elkaar tegen kwamen wisten we dat de Audi niet was verder gereden op de A28.
Op genoemde datum, omstreeks 06:12 uur, hoorde ik van de collega’s van de 33.30 dat ze de Audi hadden aangetroffen op de Edisonstraat te Hoogeveen ter hoogte van de Renault garage. Ik hoorde collega [verbalisant 4] zeggen dat hij in de bosschages stond te posten op het voertuig. Ik hoorde mijn collega zeggen dat er een man in de buurt van de gestolen Audi liep. Ik hoorde mijn collega het volgende signalement geven: blanke man, brilletje, rugzak. Ik hoorde mijn collega zeggen dat de man hem had gezien en daarvan was geschrokken. Ik hoorde mijn collega zeggen dat de man hem steeds in de gaten hield. Ik hoorde mijn collega zeggen dat de man gehaast weer terug liep. Ik hoorde mijn collega zeggen dat de man verder liep in de richting van de Dieselstraat. Op dat moment reden wij op de Dieselstraat en hebben wij ons gepositioneerd op de Pesserdijk.
Op genoemde datum, omstreeks 06:25 uur, zag ik een man lopen op de Dieselstraat te Hoogeveen. Ik zag dat de man een beetje slungelig liep. Ik zag dat de man een bril droeg. Ik zag dat de man een zwarte rugzak op zijn rug droeg. Aangezien deze man in de directe omgeving van de Audi werd waargenomen besloten wij hem staande te houden.
Ik heb de man aangesproken. Ik vroeg hem wat hij hier op het industriegebied deed. Ik hoorde hem zeggen: "What do you mean?" Hierop heb ik de man gevraagd of hij Engels sprak. Ik hoorde hem zeggen dat hij dat deed. Hierop heb ik in het Engels verder met hem gesproken. De man sprak verstaanbaar en begrijpelijk Engels. Ik merkte dat de man mijn vragen ook goed begreep.
Ik vroeg de man zich te identificeren. Ik zag dat hij zijn portemonnee pakte en hieruit een Litouwse identiteitskaart pakte. Ik zag dat de man zich identificeerde als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] (
het hof begrijpt: verdachte). Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij met zijn vriend naar het werk zou gaan. Ik hoorde mijn collega aan hem vragen wie zijn vriend is en bij welk bedrijf hij werkte. Ik hoorde hem zeggen waarom ik dat wilde weten. Ik hoorde mijn collega tegen [verdachte] zeggen dat wij dat wilden weten omdat wij zijn gedrag en verhaal verdacht vonden. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij vond dat wij te veel vroegen. Ik merkte aan [verdachte] dat hij bewust onze vragen niet wilde beantwoorden. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij niets meer ging vertellen. Ik zag dat [verdachte] weer zijn portemonnee pakte en mij een visitekaartje gaf. Ik hoorde hem zeggen: "This is my lawyer, I want this lawyer."
Ik zag dat de rits van de rugzak een stukje open stond. Ik hoorde mijn collega [verbalisant 7] zeggen dat er een grote schroevendraaier uit de rugzak van [verdachte] stak. Ik zei tegen [verdachte] dat we even naar ons dienstvoertuig toe gingen lopen. Ik zag dat hij zijn rugzak naast ons dienstvoertuig op de grond zette. Ik zag dat mijn collega in de rugzak kon kijken doordat deze een beetje open stond. Ik hoorde mijn collega zeggen dat er meerdere schroevendraaiers in de rugzak zaten. Ik hoorde mijn collega zeggen dat wij hem in ieder geval gingen aanhouden voor het bij zich hebben van inbrekersgereedschap. Ik zei tegen [verdachte] dat hij was aangehouden.
Ik heb hierna overleg gevoerd met mijn collega. We hebben op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Strafvordering de rugzak van [verdachte] bekeken. Hieruit kwamen onder meer meerdere schroevendraaiers en een valse sleutel, een zogenaamde loper voor voertuigen. Hierop heb ik [verdachte] verzocht om zijn zakken leeg te maken en dit op de motorkap van ons voertuig te leggen. Ik zag dat [verdachte] zijn handen uit zijn zakken haalde, dat hij zijn jaszakken leegmaakte en dat hij onder meer een portemonnee en een paar zwarte handschoenen met de rode opdruk Honeywell op de motorkap legde. Hierop hebben wij [verdachte] om 06.25 uur aangehouden ter zake van diefstal.
Op genoemde datum, omstreeks 06.37 uur, kwamen wij aan op het politiebureau van Hoogeveen. Hier heb ik [verdachte] ingesloten nadat ik hem had onderworpen aan een insluitingsfouillering. Ik voelde dat er in de linker binnenzak van de jas van [verdachte] een voorwerp zat. Ik haalde het voorwerp uit zijn jaszak en zag dat het een elektronisch kastje betrof met aan de voor- en achterzijde een stekkeringang. Ik zag dat bovenop het kastje meerdere schuifjes zaten. Ik zag dat aan de achterkant van het kastje een led-lampje zat. Ik heb foto’s van dit elektronisch kastje bij dit proces-verbaal gevoegd.
Op genoemde datum, omstreeks 06.45 uur, hebben wij verder onderzoek gedaan naar de rugzak van [verdachte] . Hierin vonden wij onder andere een slotentrekker, een paar aangebroken verpakkingen papieren zakdoekjes met hierin lange schroeven en passtukken voor de valse sleutel, meerdere schroevendraaiers, een rol plastic huishoudfolie, een paar zwarte sokken, een rond metalen plaatje met daaromheen ducttape, een multitool en twee houten blokjes. Deze voorwerpen zijn door ons in beslag genomen.
Op bovengenoemde datum, omstreeks 07.00 uur, heb ik voor het maken van het proces-verbaal van aanhouding uit de portemonnee van [verdachte] zijn identiteitskaart en het visitekaartje van zijn advocaat gehaald. Ik zag dat er een handgeschreven briefje in zijn portemonnee zat. Ik zag dat er meerdere adressen op het briefje geschreven stonden, waaronder [a-straat] . Ik weet dat de Audi is gestolen in het [a-straat] .
4. Een proces-verbaal van bevindingen, (…) d.d. 7 december 2017 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 7] , hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (…), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 7 december 2017 was ik belast met noodhulp. Ik was in uniform gekleed en had de beschikking over een opvallend dienstvoertuig. Ik had dienst samen met [verbalisant 6] . Wij hadden als roepnaam 33.09.
Op genoemde datum is er aan het [a-straat 1] te [plaats] een Audi A3 5-deurs Sportback, [kenteken] , ontvreemd.
Op genoemde datum om 05:42 uur kregen wij het verzoek om post te vatten op de A28 rechts ter hoogte van Beilen. Ik hoorde dat ook de eenheid 33.01 vanuit Hoogeveen de A28 rechts werd opgestuurd. Kort hierop hoorde ik de centralist van de meldkamer zeggen dat genoemde gestolen Audi de ANPR bij Hoogeveen had gepasseerd. Dit betreft de rijrichting vanaf Hoogeveen in de richting van Assen. Collega [verbalisant 6] en ik besloten om ons op te splitsen en beiden in een opvallend dienstvoertuig post te vatten op de A28 rechts. Hierop ben ik op de A28 rechts gaan staan ter hoogte van de afslag Beilen. [verbalisant 6] is verderop gaan staan in de richting van Assen, ter hoogte van de afslag naar de N381.
Via de portofoon hoorde ik dat de eenheid 33.01 vanaf Hoogeveen onderweg was in de richting van Beilen om op die manier uit te kijken naar genoemde Audi. Na ongeveer 15 minuten hoorde ik dat zij de Audi niet hadden aangetroffen op het moment dat zij Beilen passeerden. Hierop hebben [verbalisant 6] en ik besloten om onze post te verlaten en terug te rijden in de richting van Hoogeveen om te kijken of wij de Audi daar konden aantreffen.
Op genoemde datum om 06:12 uur hoorde ik de eenheid 33.30 (onopvallende surveillance) zeggen dat zij de Audi hadden aangetroffen op de Siemensstraat, kruising met de Edisonstraat. Ik hoorde hen zeggen dat zij onopvallend in de omgeving bleven posten om te kijken of er verdachte personen in de buurt zouden zijn. Hierop is de eenheid 33.01 opgesplitst. Een van hen is in een burgerauto gestapt en de andere in een opvallend dienstvoertuig.
Op genoemde datum om 06:18 uur reden [verbalisant 6] en ik op de Dieselstraat te Hoogeveen in de richting van de Siemensstraat om ons zodoende in de omgeving op te houden. Wij hoorden op dat moment collega [verbalisant 4] (33.30) zeggen dat er een man voor de Renault garage langs zou lopen. Deze garage bevond zich vlakbij de betrokken Audi. Wij hoorden dat de man gehaast weer terug zou lopen in de richting van de Siemensstraat. Wij hoorden dat de man het volgende signalement had: ongeveer 1,80 m lang, brilletje op en een rugzak op zijn rug. Daarnaast gaf collega [verbalisant 4] aan dat deze man hem duidelijk in de gaten hield. Hierop hebben [verbalisant 6] en ik besloten om positie in te nemen op de Dieselstraat, kruising met de Pesserdijk. Op het moment dat ik het dienstvoertuig parkeerde zag ik vanaf de Siemensstraat een manspersoon aan komen lopen. De man had onder meer het volgende signalement:
- lange man, ongeveer 1,80 m - 1,90 m.;
- slungelig postuur;
- brilletje op;
- rugzak.
[verbalisant 6] en ik stapten uit ons dienstvoertuig en liepen op de man af. Deze man bleek later te zijn genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] .
Ik hoorde [verbalisant 6] aan [verdachte] vragen wat hij aan het doen was. Ik hoorde dat [verdachte] duidelijk en verstaanbaar Engels sprak. Ik zal nu in het Nederlands vertellen wat [verbalisant 6] en ik in het Engels met [verdachte] hebben besproken. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Wat bedoel je.” Ik hoorde [verbalisant 6] aan [verdachte] vragen of hij zijn identiteitsbewijs bij zich had. Ik zag dat [verdachte] zijn portemonnee uit zijn broekzak haalde en een Litouwse identiteitskaart toonde. Ik vroeg [verdachte] wat hij aan het doen was. Ik hoorde [verdachte] antwoorden dat hij op zijn vriend wachtte om naar het werk te gaan. Ik vroeg [verdachte] waar hij zijn vriend zou ontmoeten. [verdachte] vertelde dat dit op de kruising een stukje verderop zou zijn. Ik zag dat [verdachte] hierbij in de richting van Edisonstraat/Industrieweg wees. Ik vroeg [verdachte] wat hij dan deed op de Dieselstraat en weg liep van de Industrieweg. Ik hoorde [verdachte] vragen waarom wij zoveel vragen stelden. Ik vroeg [verdachte] hierop wat voor werk hij deed. Ik hoorde [verdachte] wederom zeggen dat hij niet begreep waarom wij zoveel vragen stelden. Ook de naam van zijn vriend gaf hij niet. Ik vertelde [verdachte] dat wij zijn verhaal niet vonden kloppen en dat het erg vaag was.
Ik zag dat [verdachte] zijn rugzak op zijn rug droeg. Ik zag dat er uit de voorzijde van de rugzak het uiteinde van een lange schroevendraaier stak. Ik vertelde [verbalisant 6] wat ik zojuist had gezien. Hierop hebben [verbalisant 6] en ik [verdachte] meegenomen naar ons dienstvoertuig aan de Pesserdijk. Ik hoorde dat [verbalisant 6] [verdachte] verzocht om zijn zakken leeg te halen en de goederen op ons dienstvoertuig te leggen. Ik zag dat [verdachte] zijn rugzak op de grond naast ons dienstvoertuig plaatste. Ik zag dat enkele ritsen van de rugzak aan de bovenzijde open waren. Ik zag dat er naast de schroevendraaier aan de voorzijde ook enkele schroevendraaiers in een ander vak van de rugzak zaten. Ik vertelde [verbalisant 6] wat ik had gezien. Ik zag dat [verdachte] uit zijn broekzakken onder meer een portemonnee, een pakje zakdoekjes en een paar handschoenen haalde. Ik vertelde [verbalisant 6] dat [verdachte] in ieder geval kon worden aangehouden ter zake van het voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen. Gezien de feiten en omstandigheden hebben [verbalisant 6] en ik [verdachte] verteld dat hij was aangehouden.
Hierop heb ik de rugzak verder onderzocht. Daarin trof ik onder meer aan sokken, sleutelbaarden voor auto’s en een loper met een autosleutel. Omdat [verbalisant 6] en ik een redelijk vermoeden hadden dat [verdachte] te maken had met de diefstal van genoemde Audi A3, hebben wij hem op genoemde datum om 06:25 uur aangehouden op verdenking van autodiefstal. De betrokken goederen zijn in beslag genomen. De [verdachte] is door [verbalisant 6] en mij overgebracht naar het politiebureau te Hoogeveen.
Op het bureau hebben [verbalisant 6] en ik nader onderzoek gedaan in de kleding van [verdachte] en in diens rugzak. In die rugzak troffen wij onder meer de navolgende goederen aan:
- 4 schroevendraaiers;
- 1 lange schroevendraaier zonder handvat;
- startonderbreker uitschakelaar (vermoedelijk);
- stukjes ijzer met tape er om heen;
- pakje zakdoekjes met sleutelbaarden er in verstopt;
- pakje zakdoekjes met 3 lange en 2 korte schroevendraaiers er in verstopt;
- 2 houten blokjes;
- loper met sleutelbaard;
- multitool;
- cilindertrekker;
- rol zwarte vuilniszakken;
- een paar sokken.
In de kleding van [verdachte] werd onder meer een paar zwarte handschoenen en een portemonnee aangetroffen.
In de portemonnee zat een briefje met hierop meerdere adressen vermeld, waaronder [a-straat] .
5. Een proces-verbaal van bevindingen, (…) d.d. 7 december 2017 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (…), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 7 december 2017, omstreeks 05:45 uur, was ik samen met mijn collega [verbalisant 4] belast met een onopvallende surveillancedienst in het werkgebied van Zuidwest-Drenthe. Wij reden in een niet als zodanig herkenbaar dienstvoertuig en wij droegen een burgerjas over onze politiekleding. Eerder in de nacht hoorde ik een melding dat er een Audi A3, [kenteken] , was weggenomen bij een woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Op genoemde datum omstreeks 05:45 uur hoorde ik een melding, uitgegeven door het Operationeel Centrum Noord-Nederland, waarin werd vermeld dat dit voertuig langs een camera voor nummerplaatherkenning op de A28 bij Hoogeveen was gereden. Hierop reageerden meerdere politie-eenheden. Wij reden op dat moment nog op de A32 ter hoogte van [plaats] . Toen wij ter hoogte van Hoogeveen reden, hoorden wij dat de eenheden tussen Hoogeveen en Assen het gestolen voertuig niet hadden aangetroffen. Hierop zijn wij langs diverse autobedrijven op industrieterreinen in Hoogeveen gereden.
Toen wij op de Siemensstraat in Hoogeveen reden zag ik naast een loods de gestolen Audi, [kenteken] staan. Ik hoorde collega [verbalisant 4] zeggen dat hij de auto ook herkende. Het adres van de loods is de Edisonstraat […] te Hoogeveen. Dit betreft een loods op de hoek Siemensstraat met de Edisonstraat. Het pand heeft meerdere roldeuren waarvan één aan de zijde van de Siemensstraat. De Audi stond geparkeerd langs de muur waarin deze roldeur gevestigd is. Hierop besloten wij post in te nemen om te kijken of het voertuig nog weer verplaatst zou worden.
Wij reden verder de Edisonstraat in om vervolgens aan de rechterzijde op de parkeerplaats van de Peugeotgarage te parkeren. Hier stapte mijn collega, [verbalisant 4] , uit het voertuig om lopend terug te gaan om zicht te houden op de Audi. Ondertussen hadden wij de collega’s van de opvallende surveillance met roepnummer 33.09 gevraagd om positie in te nemen aan het begin van de Siemensstraat. Op het moment dat collega [verbalisant 4] uit het voertuig stapte en de parkeerplaats afliep, zag ik dat hij snel terugkwam. Ik hoorde hem zeggen dat er een man kwam aanlopen vanuit de richting van de loods waar de gestolen Audi stond. Hierop besloten wij dat ik met het voertuig zou wegrijden en dat collega [verbalisant 4] zich verdekt zou opstellen achter een aantal geparkeerde auto's. Ik reed met het onopvallende dienstvoertuig over de Industrieweg en de Pesserdijk om zo via de andere zijde de Siemensstraat weer in te rijden. Hier had ik weer zicht op de loods en op het gestolen voertuig. Ik stond op dat moment op ongeveer 100 meter afstand. Ik bleef in het dienstvoertuig zitten. Ondertussen waren meerdere eenheden ter plaatse gedirigeerd.
Ik zag dat er een blanke man, ongeveer 1,80 m lang vanaf de loods in mijn richting liep. Ik zag dat deze man langs mijn auto liep en ik zag dat hij in mijn richting keek terwijl hij voorbij liep. Hierop vroeg ik collega [verbalisant 3] , die ondertussen met een ander onopvallend dienstvoertuig ter plaatse was gekomen, om deze man te controleren om zo zijn identiteit vast te stellen. Op dat moment hoorde ik dat de collega’s van de 33.09, [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , de man in het zicht hadden en dat zij hem zouden controleren. Ik hoorde hen even later zeggen dat de man van Litouwse afkomst was en dat hij diverse inbrekerswerktuigen bij zich had.
6. Een proces-verbaal van bevindingen, (…) d.d. 7 december 2017 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (…), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 7 december 2017 was ik samen met collega [verbalisant 5] werkzaam in het gebied Zuidwest Drenthe. Wij hadden roepnummer 33.30. We reden in een onopvallend dienstvoertuig en droegen een egaal zwarte jas over onze herkenbare politie kleding. Eerder deze nacht was aan het [a-straat 1] te [plaats] een Audi, [kenteken] gestolen. Later in de ochtend hoorden wij van de meldkamer Noord-Nederland dat genoemde Audi door de zogenaamde ANPR controle was gereden en in de richting van Hoogeveen zou rijden. Wij reden op dat moment op de A32 ter hoogte van [plaats] . Ik hoorde dat de collega’s in Hoogeveen, Beilen, Assen, Gieten en Oosterwolde in positie gingen staan langs de A28 en de daaraan gelegen N-wegen. Toen wij ter hoogte van Hoogeveen reden over de A28 hoorde wij van de collega’s die stonden te posten dat ze het bewuste voertuig nog steeds niet hadden waargenomen. Hierop zei ik tegen mijn collega dat we in Hoogeveen konden gaan kijken. Ik werk enkele jaren in Hoogeveen en weet op het industrietrein veel autobedrijfjes te zitten. Ik had het gevoel dat we daar kans maakten om de gestolen auto aan te treffen. Ik reed ons dienstvoertuig via de Dieselstraat in de richting van de Edisonstraat. We hebben daar eerst gekeken bij een autosloperij en reden vervolgens in de richting van de Industrieweg.
Ik zag ter hoogte van de Edisonstraat 16 te Hoogeveen een Audi staan met een kenteken dat begon met 42. We zijn kort gestopt om beter te kunnen zien. We zagen dat het een zwarte Audi A3 betrof met [kenteken] . Nu wisten we zeker dat dit de gestolen auto was. Hierop zijn we door gereden naar de Renault garage die op de kruising zit met de Edisonstraat en de Industrieweg. Daar hebben we onze auto weggezet. Ons plan was dat [verbalisant 5] daar zou blijven en ik te voet zicht zou pakken op de auto die bij perceel […] stond.
Ik wilde net de weg oversteken om naar de auto te lopen toen ik een manspersoon uit de richting van de auto zag komen lopen. Ik zag dat de man midden op straat ging staan en om zich heen keek. Ik zag dat de man in mijn richting liep. Ik schat dat er 200 meter tussen mij en de man zat. Ik zag dat de man mij kennelijk zag. Ik denk dat omdat de man abrupt zijn pas inhield en even bleef staan. Ik vond dit verdacht gedrag. Ik wilde de man niet tegen komen, omdat hij dan wel kon zien dat ik van de politie was, aangezien ik niet volledig in burger was. Ik liep dus rustig terug naar ons dienstvoertuig waar [verbalisant 5] in zat. Ik vertelde hem dat er iemand aan kwam lopen. [verbalisant 5] zou omrijden en vanaf de andere kant kijken of hij zicht op de gestolen Audi kon krijgen. Ondertussen heb ik mij verstopt achter een geparkeerde auto zodat ik zicht had maar niet gezien kon worden. Kort hierna kwam de man die ik eerder had zien lopen langs mij heen lopen. Ik kon hem goed zien. Ik zag dat hij duidelijk zoekend rond keek. Ik zag dat hij zijn hele lijf draaide om alle kanten op te kijken. Ik zag dat hij door liep naar de Industrieweg. Ik zag dat de man daarna terug liep en weer langs mij kwam lopen. Ik gaf hierna het signalement van de man door aan de collega’s. Ik zag onder meer dat de man een bril droeg, dat hij een lange gedaante had en een rugtas droeg. Het was heel rustig op het industrieterrein op dat moment. Die man is de enige die ik daar heb zien lopen.
Ondertussen hoorde ik van collega [verbalisant 5] dat hij zicht had op de gestolen auto. Ik hoorde van [verbalisant 5] zeggen dat de man hem passeerde en in de richting van de Dieselstraat liep. Ik hoorde dat de collega’s van de 33.09 daar de man konden afvangen en hem zouden controleren. Kort hier na hoorde ik dat de man was aangehouden. Ik hoorde dat de collega’s bij de man een tas hadden aangetroffen met allerlei gereedschappen die men gebruikt om auto’s te stelen.
Hierop ben ik samen met collega [verbalisant 3] in een ander onopvallend dienstvoertuig langs de collega’s gereden die de man hadden aangehouden. Zo kon ik bevestigen dat het om de juiste persoon ging. Ik zag dat de collega’s de man hadden aangehouden die ik bedoelde.
7. Een proces-verbaal Onderzoek getoonde foto’s, (…) d.d. 19 december 2017 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 8] , inspecteur van politie, tevens medewerker Permanent Auto Team, behorend tot het team Forensische Opsporing van de politie eenheid Oost Nederland (…), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 19 december 2017 heb ik een onderzoek ingesteld naar twee fotografische afbeeldingen, waarop apparatuur en gereedschap te zien was.
[verbalisant 9] , behorende tot het districtsrecherche Drenthe, verzocht mij om deze door hem via de e-mail aangeleverde twee foto’s te bekijken en daarbij te onderzoeken wat ik zou herkennen als gereedschap en apparatuur dat gebruikt zou kunnen worden voor diefstal van voertuigen.
Op foto 1 zie ik diverse voorwerpen, waaronder een zogenaamde slotentrekker. Hiermee kan men een cilinder uit een slot verwijderen. Een dergelijke trekker wordt ook wel cilindertrekker of kerntrekker genoemd.
Op foto 2 zie ik een zogenaamde key programming device of een immobilizer bypass device. Met een key programming device kan men een transponder inleren in de startblokkering van een voertuig, waarvoor dit apparaat geprogrammeerd is. Een transponder betreft een soort chip met een specifieke code. Deze code dient de startblokkering te herkennen, alvorens deze toestemming geeft om het voertuig te starten. Met dit apparaat kan men dus zelf een sleutel inleren op de startblokkering.
Met een immobilizer bypass device kan men door het plaatsen van het apparaat in de OBD poort (On Board Diagnostics) van een voertuig de startonderbreker van dit voertuig uitschakelen.
Kenmerkend aan dergelijke apparaten is de vorm, waarbij aan één zijde een connector is aangebracht om hem aan te kunnen sluiten op de OB-poort van een voertuig en de bovenzijde van het apparaat met daarop een serie kleine schakelaars.
De schakelaars zijn op foto 2 zichtbaar. Kenmerkend is ook het blauwe vlak met het witkleurige logo. De OBD aansluiting is op de foto aan de voorzijde te zien.
Een soortgelijk apparaat in de vorm van een key programming device was ten tijde van het opmaken van dit proces-verbaal op internet te koop bij het bedrijf KAP Diagnostics. Ik voeg bij een printscreen naar een online advertentie. De afbeelding van het apparaat behorende bij deze advertentie komt qua vorm sterk overeen met het apparaat op voormelde foto 2. Alleen ontbreekt bij het apparaat op voormelde foto 2 een kennelijk bijbehorend snoer. Dit snoer was aan de zijkant van het apparaat ingebracht, zoals te zien op de andere foto bij de advertentie. Ook is hierop te zien dat zich aan de andere zijde van het apparaat een stekkeraansluiting bevind. Deze afbeelding heb bijgevoegd.
Op mijn verzoek zijn vervolgens door collega’s aanvullende foto’s van het apparaat gemaakt en naar mij verzonden. Twee daarvan heb ik bijgevoegd. Te zien is dat zich aan de andere zijde van het op deze foto’s getoonde apparaat inderdaad een aansluiting voor een stekker bevindt. De achterzijde kwam dan ook overeen met de achterzijde van het apparaat, zoals getoond op de advertentie.
Een immobilizer bypass device toont qua uiterlijk ook dergelijke sterke overeenkomsten, maar heeft op afbeeldingen op het internet vaak geen extra bedrading.
Gezien de vermelde bevindingen betrof dit apparaat vermoedelijk apparatuur, of een gedeelte daarvan, om de digitale startblokkering van een voertuig uit te schakelen of om hier zelf op in te leren. Mij is uit ervaring en informatie bekend dat beide technieken gebruikt worden bij het stelen van een voertuig.’
6. Het bestreden arrest houdt verder het volgende in:

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de hem onder 1 tenlastegelegde autodiefstal. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aangezien niet duidelijk is wat de rol van verdachte is geweest bij die diefstal en er geen DNA- of andere dactysporen zijn aangetroffen die wijzen naar de betrokkenheid van verdachte bij die diefstal. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat bij deze diefstal gebruik is gemaakt van de bij verdachte aangetroffen inbrekerswerktuigen.
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Vooropgesteld zij dat aan het enkele voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen in de buurt van een kort daarvoor gestolen auto niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat betrokkene, al dan niet met gebruikmaking van die inbrekerswerktuigen, die auto ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang. Daarnaast geldt dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.
Het hof stelt vast dat de diefstal van de afgesloten auto, een Audi, [kenteken] , vanaf de oprit van de woning van aangever [slachtoffer] aan het [a-straat 1] te [plaats] is gepleegd op 7 december 2017 tussen 00:30 uur en 04:15 uur. De politie heeft op de oprit, waar deze auto is weggenomen, onderdelen aangetroffen van een autoslot. Op diezelfde dag omstreeks 05:56 uur is er op deze auto een ANPR hit op de A28 bij Hoogeveen. De politie gaat op zoek naar deze gestolen auto. Om 06:12 uur diezelfde dag treft de politie de gestolen auto aan op Edisonstraat te Hoogeveen. Enkele politieambtenaren vatten post in de buurt van die auto. Gezien wordt dat een manspersoon (verdachte) een aantal malen in de nabijheid van die gestolen auto is en daar vandaan loopt, dat hij midden op straat gaat staan en om zich heen kijkt. Deze manspersoon schrikt als hij een van de politieambtenaren ziet. De manspersoon houdt abrupt zijn pas in en blijft even staan. Die politieambtenaar ziet dat deze manspersoon hem steeds in de gaten houdt en dat de manspersoon gehaast wegloopt. De manspersoon loopt daarna duidelijk zoekend rond en loopt naar de Industrieweg, maar komt daarna teruglopen. Gezien wordt dat de manspersoon een rugzak op zijn rug draagt. Deze manspersoon is de enige die daar is gezien. Deze manspersoon wordt daarop door de politie staande gehouden. De manspersoon identificeert zich als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]. De politie spreekt in de Engelse taal met deze manspersoon. De manspersoon vertelt dat hij aan het wachten is op een vriend om samen naar het werk te gaan. De politie vraagt hem wie zijn vriend is en bij welk bedrijf hij werkt. De manspersoon vraagt waarom de politie dat wil weten. De politie vertelt de manspersoon dat zij dat willen weten omdat zij zijn gedrag en verhaal verdacht vinden. Daarop zegt de manspersoon dat de politie te veel vraagt. De manspersoon weigert te zeggen wie genoemde vriend is en bij welk bedrijf deze werkt en weigert verder iets te verklaren. Hij geeft een visitekaartje af met de mededeling: "This is mij lawyer, I want this lawyer". De politie ziet dat de rits van de rugzak van de manspersoon een stukje open staat en dat er een grote schroevendraaier uit deze rugzak steekt. De manspersoon zet zijn deels openstaande rugzak op de grond, waarop de politie in die rugtas meerdere schroevendraaiers ziet. Hierop wordt de manspersoon aangehouden voor het bij zich hebben van inbrekersgereedschap. Op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Strafvordering onderzoekt de politie de rugzak van deze verdachte. Daarin worden onder meer aangetroffen meerdere schroevendraaiers en een valse sleutel, een zogenaamde loper voor voertuigen. Uit zijn zakken haalt de verdachte onder meer een paar zwarte handschoenen, merk Honeywell. Hierop wordt verdachte te 06:25 uur aangehouden op verdenking van diefstal. Op het politiebureau aangekomen wordt de verdachte onderworpen aan een insluitingsfouillering. Daarbij wordt er in de linker binnenzak van verdachte een elektronisch kastje met aan de voor- en achterzijde een stekkeringang aangetroffen. De politie doet vervolgens verder onderzoek in de rugtas van de verdachte. Daarbij worden onder meer een slotentrekker, een paar aangebroken verpakkingen papieren zakdoekjes met daarin lange schroeven en passtukken voor de valse sleutel, meerdere schroevendraaiers, een rol plastic huishoudfolie, een paar zwarte sokken, een rond metalen plaatje met daaromheen ducttape, een multitool en twee houten blokjes aangetroffen. Deze voorwerpen zijn in beslag genomen.
In de portemonnee van verdachte treft de politie een handgeschreven briefje aan, waarop meerdere adressen stonden vermeld, waaronder [a-straat] . Hierboven is vastgesteld dat dat de Audi, [kenteken] , is gestolen in de straat het [a-straat] te [plaats] .
Het hof ziet in het bovenstaande redengevend bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde diefstal van de auto. In het bijzonder heeft het hof gelet op het (nachtelijke) tijdstip van aantreffen van verdachte als enige persoon nabij de - zeer kort daarvoor - gestolen auto, de schrikachtige houding van verdachte als hij daar een politieambtenaar ziet, het bij verdachte aantreffen van verschillende met auto-inbraak in verband te brengen gereedschappen/voorwerpen, gecombineerd met het in de portemonnee van verdachte aangetroffen briefje met adressen, waarop een straatnaam was vermeld gelijkluidend aan de straatnaam waar de betrokken auto van aangever [a-straat] van diens oprit is weggenomen. Van verdachte wordt in de gegeven omstandigheden een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring verlangd.
Ter plaatse van de aanhouding van verdachte is die verklaring niet aan de politie gegeven. Verdachte heeft desgevraagd geweigerd te verklaren wie de vriend is op wie verdachte - volgens zijn verklaring - aldaar stond te wachten om samen naar het werk te gaan en heeft geweigerd te verklaren bij welk bedrijf hij werkt. Dit scenario verklaart daarbij niet waarom bij verdachte auto-inbrekerswerktuigen/voorwerpen zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er voor het door verdachte geschetste scenario ook overigens geen aanknopingspunten voorhanden en is zijn verklaring evenmin verifieerbaar gebleken.
Verdachte heeft zich bij de verhoren bij de politie verder beroepen op zijn zwijgrecht. Bij de rechtbank en het hof is verdachte, ook niet nadat de behandeling van de zaak werd aangehouden met het oog op de verschijning van verdachte, telkens niet verschenen.
Het hof komt op grond van het voor verdachte belastende en redengevende bewijs bij ontbreken van een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring van verdachte, tot een bewezenverklaring. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal van de auto, een Audi, [kenteken] .
Op grond van het voorhanden bewijs zal het hof verdachte vrijspreken van medeplegen nu daarvoor bewijs ontbreekt.’
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 29 maart 2021 houdt onder meer het volgende in:
‘De raadsman voert het woord tot verdediging.
Ten aanzien van feit 1 merk ik het volgende op. Blijkens de aangifte is er in de betreffende nacht tussen 00.30 uur en 04.15 uur een auto weggenomen. Om 06.12 uur wordt die auto voor een loods van [getuige] aangetroffen. [getuige] is gehoord en hij zegt dat hij geen contact heeft gehad met mijn cliënt. Er heeft een DNA-onderzoek plaatsgevonden - dat heeft niets opgeleverd. Moet mijn cliënt dan meer uitleggen dan wat hij reeds heeft verklaard, namelijk dat hij daar alleen maar liep en dat hij de tas had gekregen? Het gaat mij erom wat de rol van mijn cliënt moet zijn geweest. De vraag of hij medepleger is verdient meer aandacht en motivering. Ik mis aanknopingspunten voor een concrete wegnemingshandeling. Mijns inziens is er geen wettig en overtuigend bewijs voor feit 1 omdat niet duidelijk is wat de rol van cliënt is geweest. Het ‘Murray’-criterium is niet aan de orde. Als er bijvoorbeeld een vingerafdruk van mijn cliënt in de auto was aangetroffen dan zou dat schreeuwen om een verklaring, maar daar is in deze zaak geen sprake van. Ten aanzien van feit 2 refereer ik mij aan uw oordeel.’
8. Het hof heeft vervolgens een tussenarrest gewezen. Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 19 oktober 2022, waar het hof anders was samengesteld, heeft de raadsman volstaan met de mededeling dat hij ter zitting van het hof d.d. 29 maart 2021 ‘reeds in deze zaak gepleit’ had.
9. De steller van het middel voert aan dat de aangifte niet meer inhoudt dan dat de auto ‘weg is’, terwijl de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten slechts zien op ‘het verkrijgen van de melding en de situatie ter plaatse’ en op het aantreffen van de auto en de verdachte ‘in de nabijheid van die auto alsmede de omstandigheden waaronder’. Geen van deze bewijsmiddelen ziet, aldus de steller van het middel, op de betrokkenheid van de verdachte, ‘laat staan zijn rol en evenmin op de tenlastegelegde kwalificerende omstandigheden diefstal met braak en middels valse sleutel’.
10. Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen een reeks feiten en omstandigheden vastgesteld. Deze behelzen, wat de aangifte betreft, meer dan het enkele feit dat de auto ‘weg is’. Uit de aangifte blijkt dat de diefstal plaatsvond op de oprit van de woning van aangever aan het [a-straat 1] te [plaats] , tussen 00:30 uur en 04:15 uur (bewijsmiddel 1). Dat tijdstip is relevant in verband met een ANPR hit daarna, om 5:56 uur op de A28 bij Hoogeveen, en het op diezelfde dag om 06:12 uur door de politie aantreffen van de auto op de Edisonstraat te Hoogeveen (bewijsmiddelen 2 en 3). De plaats is relevant omdat later in de portemonnee van de verdachte een handgeschreven briefje wordt aangetroffen waarop adressen staan vermeld, waaronder het [a-straat] te [plaats] (bewijsmiddel 3). De aangifte houdt voorts in dat de auto ‘middels de centrale deurvergrendeling afgesloten’ was en dat aangever de hoofdsleutel en reservesleutel nog in zijn bezit heeft. Die passage is relevant omdat bij de verdachte gereedschap is aangetroffen dat bij het inbreken in en wegnemen van een auto zonder autosleutel gebruikt kan worden (bewijsmiddelen 4 en 7).
11. Uit de aangifte, waarin een opmerking is opgenomen van de verbalisant die op [a-straat 1] te [plaats] is geweest, volgt voorts meer dan ‘het verkrijgen van de melding en de situatie ter plaatse’. Verbalisant relateert dat hij op de oprit waar de auto was weggenomen ‘onderdelen van een autoslot’ zag liggen, ‘nabij de plek waar het bestuurdersportier van de Audi zich had bevonden’. Ook dit gegeven is relevant, mede in verband met het bij de verdachte aangetroffen gereedschap.
12. En uit de processen-verbaal van bevindingen waarin verslag wordt gedaan van de daaropvolgende opsporingshandelingen volgt meer dan het aantreffen van de auto en de verdachte ‘in de nabijheid van die auto alsmede de omstandigheden waaronder’. Uit deze processen-verbaal blijkt in de eerste plaats hoe de verbalisanten de auto hebben gevonden. Nadat de gestolen auto op de A28 bij Hoogeveen is gesignaleerd is verderop langs de A28 gepost. Toen de auto verder op de A28 niet is waargenomen zijn verbalisanten in Hoogeveen gaan zoeken en hebben de auto vervolgens kort daarna aangetroffen op de Edisonstraat te Hoogeveen (bewijsmiddelen 5 en 6). Daarmee verheldert het proces-verbaal hoe de auto vanuit [plaats] is beland op de plaats waar hij is aangetroffen. En dat de auto daar nog maar korte tijd aanwezig was.
13. Voorts volgt uit de processen-verbaal van bevindingen meer dan dat de verdachte in de buurt van de auto is aangetroffen en ‘de omstandigheden waaronder’. Uit die processen-verbaal blijken tal van voor de bewijsvoering relevante gedragingen van de verdachte, die het hof in de bewijsoverweging heeft samengevat. Ik wijs er in het bijzonder op dat de verdachte schrikt als hij één van de politieambtenaren ziet, dat hij duidelijk zoekend rondloopt, en vertelt dat hij op een vriend aan het wachten is om samen naar het werk te gaan maar noch de naam van de vriend noch het bedrijf waar hij werkt wil noemen. Verbalisanten relateren voorts dat verdachte de enige persoon is die zij daar zien (bewijsmiddel 6).
14. Daar komt bij dat bij de verdachte – zoals gezegd – verschillende met auto-inbraak in verband te brengen gereedschappen en voorwerpen zijn aangetroffen, waaronder: vijf schroevendraaiers, een startonderbreker uitschakelaar (naar ik begrijp de immobilizer bypass device), pakjes papieren zakdoekjes met daarin lange en korte schroevendraaiers en sleutelbaarden verstopt, een loper met sleutelbaard, een sloten- of cilindertrekker en een paar zwarte handschoenen (bewijsmiddelen 4 en 7).
15. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat uit de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet kan volgen dat sprake is geweest van het zich verschaffen van toegang tot de plaats van het misdrijf door middel van braak en van het onder zijn bereik brengen van het weg te nemen goed door middel van valse sleutels merk ik op dat uit de aangifte volgt dat de aangever heeft verklaard dat hij de auto door middel van de centrale deurvergrendeling heeft afgesloten en dat hij de hoofdsleutel en reservesleutel nog in zijn bezit heeft (bewijsmiddel 1.1). De verbalisant die ter plaatse is geweest heeft voorts verklaard dat hij op de oprit, nabij de plek waar het bestuurdersportier van de Audi zich heeft bevonden, onderdelen van een autoslot zag liggen. Het hof heeft uit een en ander kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte ‘zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel’. Ik wijs in dit verband ook nog op de gereedschappen en voorwerpen die bij de verdachte zijn aangetroffen.
16. Al met al heeft het hof de bewezenverklaring naar het mij voorkomt uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Daaraan doet niet af dat geen van de bewijsmiddelen inhoudt dat een getuige heeft gezien dat de verdachte de auto heeft weggenomen en zich daarbij de toegang tot de auto heeft verschaft door middel van braak of een valse sleutel. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat een bewezenverklaring van diefstal slechts kan volgen als de bewijsmiddelen inhouden dat de diefstal zelf is waargenomen, stelt het middel een eis die het recht niet kent. Ik neem voorts in aanmerking dat door of namens de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep (op 29 maart 2021 en) op 19 oktober 2022 niets is aangevoerd omtrent het tijdsverloop tussen 4:15 uur en 5:56 uur. Ook in cassatie wordt daarover niet – specifiek – geklaagd.
17. Ook overigens is de bewezenverklaring toereikend met redenen omkleed. In het bijzonder heeft het hof in aanmerking mogen nemen dat van de verdachte een redelijke, de redengevendheid van de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden ontzenuwende verklaring mocht worden verlangd, en dat een dergelijke verklaring is uitgebleven. [1]
18. Het middel faalt.
Het tweede middel
19. Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
19. Het cassatieberoep is ingesteld op 2 november 2022. De stukken van het geding zijn op 20 september 2023 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden.
19. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken.
19. Uit een arrest van Uw Raad van 10 september 2024 leid ik evenwel af dat in een geval als het onderhavige met de constatering van de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase kan worden volstaan. [2]
Slotsom
23. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt maar leidt niet tot cassatie.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. onder meer HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733,
2.HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1148. Aan de verdachte was 4 maanden gevangenisstraf opgelegd, de inzendtermijn was (zo leid ik uit de conclusie van plv. A-G Van Wees af) met ruim twee maanden overschreden en Uw Raad deed meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak.