Conclusie
eerstemiddel bevat de klacht dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel sprake is van (kort gezegd) een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat de overweging van het hof inzake de vaststelling van de totale omzet onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd.
2 DE PROCEDURE
3 DE BEOORDELING
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 56.108,01.
Basis van berekening totale WVV
grondstofverlies (afvalpercentage) bij de productie (het drukken, snijden en stickeren) van de “oude” biljetten van 50 euro met indicatief EUA0050 C00111 en de “nieuwe” biljetten van 20 euro en 50 euro met de indicatieven EU0050 J00004b en EU0020 J00004b geschat op 5%.
Aanleiding
voorzittermede dat na de regiezitting d.d. 29 oktober 2021 aan het dossier zijn toegevoegd de getuigenverhoren van de medeverdachten, afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Op verzoek van de raadsman van [medeverdachte 1] is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen betreffende Historische aankopen [B] / [B] BV op klantenpassen [01] , [02] en [03] d.d. 10 januari 2022 opgemaakt. Dit proces-verbaal is aan alle dossiers toegevoegd. Ook is aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] omtrent Stand van zaken met betrekking tot indicatieven C111 (“oude” 50jes) en de J04b (“nieuwe” 50-jes en 20-jes) d.d. 11 januari 2022 en een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] betreffende Overeenkomsten tussen aankopen [B] / [B] BV op klantenpas [01] icm verloop indicatief EUA0050 C00116 d.d. 12 januari 2022. In een aantal zaken is nog een recent reclasseringsrapport aan de stukken toegevoegd.
raadsmandeelt mede dat het dossier als voorgehouden kan worden beschouwd.
advocaat-generaalvoert het woord, overeenkomstig de op schrift gestelde aantekeningen, leest de vordering voor, strekkende tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 120.000,- en oplegging aan betrokkene van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 120.000,-. De advocaat-generaal legt die op schrift gestelde aantekeningen aan het hof over.
10 maart 2022 om 09:00 uur.
raadsmandeelt mede dat hij tot nu toe een aanvullend proces-verbaal d.d. 11 januari 2022 heeft ontvangen, maar geen proces-verbaal d.d. 12 januari 2022. De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir onder punt 9 wel gerefereerd aan een aanvullend proces-verbaal d.d. 12 januari 2022.
voorzitterdeelt mede dat het spijtig is dat de raadsman dit proces-verbaal tot op heden niet heeft ontvangen, maar dat het aanvullende proces-verbaal d.d. 11 januari 2022 als de basis kan worden beschouwd.
raadsmanvoert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling op zijn pleitnota deelt hij nog mede:
advocaat-generaalrepliceert:
raadsmandupliceert:
voorzitterstelt na kort onderzoek vast dat de aanvullende voornoemde processen-verbaal d.d. 10, 11 en 12 januari 2022 door het openbaar ministerie op 31 januari 2022 naar de strafgriffie zijn gestuurd onder de vermelding dat dit aanvullende stukken betrof in de zaak van medebetrokkene [medeverdachte 4] . De strafgriffie heeft deze aanvullende stukken gelet daarop niet aan alle raadslieden verstrekt. Dit had gelet op de inhoud van de processen-verbaal wel gemoeten omdat zij betrekking hebben op de zaken van alle betrokkenen. De voorzitter deelt mede dat hij de strafgriffie heden heeft verzocht om deze processen-verbaal vandaag aan alle raadslieden te verzenden.’
Over het bewijs
2 HET AFVALPERCENTAGE
nietkan worden vastgesteld dat het papier in de vuilniszakken en het papier in de papierversnipperaar overeenkomt. Dit betreft enkel een vermoeden van verbalisanten, maar wordt onvoldoende onderbouwd op pagina 1777 t/m 1780. Aldus kan niet worden gesteld dat het afvalpercentage kan worden berekend aan de hand van de snijresten van de pakken papier die in de vuilniszakken zijn aangetroffen en mislukte biljetten in de papierversnipperaar. De gestelde 1,6 % en 1,7% zijn dus foutief berekend, althans onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit een juiste berekening betreft.