Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
29 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene, die als leider deelnam aan een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige verkoop van softdrugs.
Het hof had het voordeel geschat op basis van verzwegen omzet en winst over de periode 2007-2012, waarbij het aandeel van medeveroordeelden in mindering werd gebracht en het resterende bedrag aan betrokkene werd toegerekend. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gemotiveerd die de toerekening aan betrokkene rechtvaardigen, en dat het hof zich daarbij onterecht heeft gebaseerd op arresten die na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting zijn gewezen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en afdoening, waarbij uitsluitend het onderdeel van de toerekening van het voordeel en de betalingsverplichting wordt vernietigd. De overige cassatiemiddelen zijn niet behandeld vanwege de vernietiging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.