Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
1.
het hof begrijpt: 27 april 2021).
het hof begrijpt 23 april 2021)
het hof begrijpt hier en telkens hierna: [aangever]) een '’professionele pathologische leugenaar" is?
Bewijsoverwegingen
sufficient factual basis’. Cliënt heeft tijdens zijn verhoor namelijk uiteengezet waarop hij dit baseerde. Hij verklaart het volgende:
3.Het middel
sufficient factual basis. [2] Dat maakt dat de overweging van het hof dat de uitlatingen van de verdachte geen bijdrage kunnen leveren aan het publieke debat en er niet toe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, omdat deze
niet zijn onderbouwd, getuigt van een te strenge en onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de strekking van art. 10 EVRM Pro. Volgens de steller van het middel zijn de aantijgingen die de verdachte heeft geuit aan te merken als waardeoordelen en had het hof dus moeten onderzoeken of deze oordelen zijn gestoeld op een
sufficient factual basis. Het hof had de verdachte hierbij in de gelegenheid moeten stellen om zijn beschuldigingen te onderbouwen. Ook had het hof de context waarin deze uitingen zijn gedaan in zijn oordeel moeten betrekken. In dit verband merkt de steller van het middel op dat de aangever in deze zaak een politicus is en de opmerkingen van de verdachte over diens vermeende corruptie een onderwerp is van publiek belang, hetgeen meebrengt dat art. 10 EVRM Pro verregaande bescherming biedt. Tot slot getuigt de verwerping door het hof van het door de verdediging gedane beroep op art. 266 lid 2 Sr Pro van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk, wederom omdat een veroordeling strijdig is met art. 10 EVRM Pro waardoor het tweede lid van art. 266 Sr Pro had moeten worden toegepast.
factual statementsen
value judgements. [4] Hoewel het onderscheid tussen de twee categorieën niet altijd even gemakkelijk te maken is als het gaat om aantijgingen die betrekking hebben op het gedrag van een derde, [5] kan uit de rechtspraak van het EHRM worden opgemaakt dat de omstandigheden van het geval en de toon van de aantijgingen bepalend zijn bij het afbakenen van de twee categorieën, waarbij in acht moet worden genomen dat stellingen die zijn ingenomen over zaken die het publiek belang betreffen sneller als waardeoordelen dan als feitelijke oordelen zullen worden aangemerkt. [6]
sufficient factual basisen dus op feiten zijn gebaseerd. [8] Hierbij geldt: hoe zwaarder de aantijging hoe sterker de feitelijke basis moet zijn. Dat geldt vooral als het gaat om beschuldigingen van strafbare feiten. Dan mag een onderbouwing daarvoor worden verwacht. [9] Met betrekking tot de
factual basisvoor een waardeoordeel is voorts nog van belang dat het niet zo is dat de feitelijke onderbouwing moet zijn opgenomen in de uitlating zelf. In hoeverre er een verband moet zijn tussen het waardeoordeel en de feiten waarop dit is gebaseerd verschilt per geval. [10] Het is tevens van belang dat de verdachte of (in civiele zaken) de gedaagde de kans krijgt om zijn waardeoordeel te onderbouwen. [11]