Conclusie
Inleiding
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Persoonlijke omstandigheden
NJ2023/129, m.nt. Ten Voorde heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat in art. 359 leden Pro 5 en 6 Sv enkele motiveringsvoorschriften zijn neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen en dat de grote vrijheid die de feitenrechter bij de beslissing over de strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter meebrengt om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. Uit HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202 volgt dat in geval van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enkele verwijzing naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte geen opgave van de redenen bevat die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en dus niet een genoegzame motivering als bedoeld in art. 359 lid 6 Sv Pro oplevert. [1]
Slotsom