Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
17 december 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1995, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd wegens diefstal en opzetheling. De verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de strafoplegging.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft gegeven die hebben geleid tot het opleggen van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals vereist op grond van artikel 359 lid 6 Sv Pro. Dit gebrek aan motivering maakt dat het cassatiemiddel slaagt.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing over de straf. Het overige beroep wordt verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 17 december 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest wegens onvoldoende motivering van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.