ECLI:NL:PHR:2024:1044

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
23/04243
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 81 RO lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens voldoende bewijs van verduistering van tas en telefoon

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens verduistering van een tas en een iPhone die aan anderen toebehoorden. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van getuigen, politieprocessen-verbaal en de omstandigheden waaronder de verdachte werd aangetroffen met de gestolen goederen.

De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van wederrechtelijke toe-eigening, omdat hij de goederen had gevonden en wilde teruggeven maar dit niet lukte vanwege taalproblemen. De Procureur-Generaal stelde echter dat het bewijs en de motivering van het hof toereikend waren, gelet op de verklaringen dat de verdachte de tas uit het toilet meenam, de pasjes uit het portemonneetje haalde en de telefoon bij zich had zonder deze te kunnen ontgrendelen.

De Hoge Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het hof te vernietigen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging. De bewezenverklaring en motivering van het hof over de wederrechtelijke toe-eigening zijn voldoende onderbouwd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft voldoende bewezenverklaring gegeven voor verduistering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04243
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair "telkens: verduistering" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04133. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft J.M. Buchel, advocaat in Zandvoort, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel behelst de klacht dat ’s hofs bewezenverklaringen van verduistering ontoereikend zijn gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet zonder meer volgt dat de verdachte zich de bewezenverklaarde goederen (tas en telefoon) wederrechtelijk heeft toegeëigend, te minder nu de verdachte heeft verklaard deze goederen te hebben gevonden en voornemens was om deze terug te geven, maar dat dit enkel niet was gelukt vanwege taalproblemen.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“feit 1 meer subsidiair:
hij op 22 januari 2023 te Arnhem opzettelijk een tas (met daarin een of meerdere pasje(s) en een ID-kaart en een oplaadkabel en een koptelefoon), die aan [betrokkene 1] toebehoren, en die hij, verdachte, anders dan door misdrijf onder zich heeft, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
feit 2 meer subsidiair:
hij op 22 januari 2023 te Arnhem, opzettelijk een telefoon (iPhone) die aan [betrokkene 2] toebehoort, en die hij, verdachte, anders dan door misdrijf onder zich heeft, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.”
6. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 22 januari 2023 (dossierpagina 7 e.v.), voor zover inhoudende als
verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Vanmorgen (22.01.2023) zat ik in de internationale trein (ICE 121) van Amsterdam Centraal op weg naar Duitsland.
Op een gegeven moment viel ik in slaap.
Een onbekende passagier duwde me om ongeveer 7.20 uur (na vertrek uit Utrecht op de route naar Arnhem) wakker. De persoon wees erop dat mijn tas verdwenen was en zei me dat ze zich herinnerde hoe de dader eruit zag en dat ze me wilde helpen zoeken naar de tas.
Ik ging toen in de richting die de passagier aangaf. Nadat ik het boordpersoneel had verteld dat mijn tas was gestolen, kreeg ik te horen dat men de dader het toilet had zien verlaten.
Een personeelslid begeleidde me naar het toilet en ontsloot het. Mijn tas was daar.
Mijn pasjes. ID en een paar elektronische apparaten (oplaadkabel en koptelefoon) waren er echter niet.
Een medewerker van Deutsche Bahn benaderde de verdachte en vroeg hem of hij de vermiste voorwerpen bij zich had, hij zei ja en gaf ze terug.
2. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van 22 januari 2023 (dossierpagina 11 e.v.), voor zover inhoudende als
verklaring van [betrokkene 3], zakelijk weergegeven:
Ik hoorde dat de centralist mij vertelde dat er een hele groep zakkenrollers, bestaande uit Algerijnen, bij ons in de trein gestapt zou zijn op Utrecht-Centraal.
Even later werd ik en mijn collega's benaderd door een meisje. Ik hoorde dat zij tegen mij zei in de Engelse taal dat haar tas gestolen was en dat die gene nog op de trein moest zijn.
Terwijl dit meisje dit tegen ons vertelde, hoorde ik dat de Bistro-medewerkster tegen mij zei dat zij een man het toilet in zag lopen.
Na een aantal keer kloppen op de toiletdeur en roepen werd de deur niet geopend. Na meerdere pogingen werd daarna uiteindelijk de toiletdeur geopend en zag ik dat daarin de man stond die door de Bistro-medewerkster werd genoemd.
Nadat hij buiten het toilet stond keek een collega van mij de WC in en zagen wij daarin een donkerkleurige weekendtas.
Het bestolen meisje dat bij mij stond herkende die tas als de tas die zij miste. Zij doorzocht die tas om te kijken of zij nog spullen eruit miste. Ik hoorde dat zij zei dat zij haar pasjes uit de tas miste, die in een klein portemonneetje zaten. Dit portemonneetje lag nog wel in de tas.
Ik hoorde dat het meisje aan de man die uit het toilet kwam meerdere keren vroeg om haar pasjes terug te geven.
Ik zag en hoorde dat de man een aantal keer moeilijk deed, maar nadat het meisje het aandrong zag ik dat de man uit zijn linkerachterzak een stapelpasjes pakte die van het meisje waren.
3.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland,
opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 22 januari 2023 (dossierpagina 14 e.v.), voor
zover inhoudende als
verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
Vannacht (22 januari 2023) zat ik met mijn vriendin in de trein van Amsterdam naar Utrecht. We waren uit geweest en wij zijn tijdens de treinreis in slaap gevallen.
Ik had mijn telefoon in mijn linker broekzak. Toen we uit Utrecht uitstapten miste ik mijn telefoon.
Mijn telefoon is een Iphone 11, zwart van kleur. De telefoon is mijn eigendom.
Het scherm hoesje is links onder in de hoek beschadigd.
Ik geef u de omschrijving van de foto van mijn vriendin.
Ik geef u de codes voor simkaart en ontgrendeling.
Opmerking verbalisant:
De omschrijving van de foto, de beschadiging kloppen met de in beslag genomen telefoon. Verder kon ik inderdaad de telefoon openen en ontgrendelen met de opgegeven code’s.
4.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk hoofdagent, brigadier en brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van aanhouding verdachte van 22 januari 2023 (dossierpagina 16 e.v.), voor zover inhoudende als
relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Vandaag kregen wij omstreeks 07:40 uur van onze meldkamer de melding dat er op spoor-9 van het Centraal-Station Arnhem de internationale trein uit Duitsland zou staan waarin meerderen zakkenrollers zouden zitten. Eén van die zakkenrollers zou een tas hebben gestolen en zou zich hebben opgesloten op de WC.
Wij betraden dit treinstel en zagen dat de treinmanager bij een man stond die iemand bestolen zou hebben.
Ik, [verbalisant 2] , stelde zijn identiteit vast als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .
Ook zagen wij een vrouw die bij het treinpersoneel stond, die betrokkene [betrokkene 1] bleek te zijn. Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hoorden dat zij zei dat zij in de trein sliep en door een medepassagier werd gewekt met de mededeling dat een man met haar tas was weggelopen richting de WC's en de WC inliep.
Het treinpersoneel opende de WC-deur en zagen daarin samen met [betrokkene 1] dat [betrokkene 1] tas in die WC stond en dat [verdachte] buiten de WC stond, maar wel bij de WC-deur.
Tijdens de insluitingsfouillering op het politiebureau kwam een mobiele telefoon van het merk iPhone uit [verdachte] zak. Desgevraagd zagen wij dat [verdachte] die telefoon niet met biometrische gegevens kon ontgrendelen.”
7. Voorts heeft het hof met betrekking tot het bewijs overwogen:
“Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de in de tenlastelegging
van feit 1 bedoelde spullen zijn gestolen. Uit de stukken in het dossier valt evenwel niet uit
te sluiten dat een andere Algerijn dan verdachte de spullen heeft weggenomen.
Met betrekking tot de iPhone (feit 2) is het hof eveneens van oordeel dat deze is gestolen.
Die telefoon is bij verdachte aangetroffen. Verdachte heeft zich ook die iPhone
wederrechtelijk toegeëigend. Dat verdachte de goederen wilde teruggeven acht het hof niet
aannemelijk.”
De bespreking van het middel
Het juridisch kader
8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 321 Sr Pro. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘zich wederrechtelijk toe-eigenen’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling. Art. 321 Sr Pro luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
9. Volgens vaste rechtspraak is van zodanig toe-eigenen sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. [1]
De bespreking van het middel
10. In het licht van de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen acht ik zowel het oordeel van het hof dat sprake is van telkens wederrechtelijke toe-eigening, als zijn oordeel dat niet aannemelijk is dat de verdachte de goederen wilde teruggeven, toereikend gemotiveerd. Uit die bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat:
- een groep zakkenrollers (Algerijnen) in de trein zou zijn;
- de verdachte uit het toilet kwam waar de tas stond van de aangeefster (van wie die tas gestolen was);
- in die achtergelaten tas zich niet meer de pasjes, ID, oplaadkabel en koptelefoon van de aangeefster bevonden;
- het portemonneetje van de aangeefster nog wel in de tas zat, maar de pasjes uit dat portemonneetje waren gehaald;
- de toiletdeur pas na een aantal keren kloppen en roepen door de verdachte werd geopend;
- de aangeefster de tas doorzocht of zij spullen miste, terwijl de verdachte daar bij stond;
- de aangeefster meerdere keren aan de verdachte vroeg haar pasjes terug te geven;
- de verdachte toen een aantal keren moeilijk deed en pas na aandringen een stapel pasjes, die van de aangeefster waren, uit zijn linker achterzak pakte;
- tijdens de insluitingsfoullering nog een mobiele telefoon (IPhone) uit de zak van de verdachte kwam;
- de verdachte deze mobiele telefoon niet met biometrische gegevens kon ontgrendelen.
Slotsom
11. Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO Pro lid 1 Sv ontleende motivering worden afgedaan.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:805, met verwijzing naar HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253 (