Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
- de vrouw zal veroordelen tot betaling aan de man van € 27.433,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 383.313,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
1.12) dat het oordeel van het hof dat de potovereenkomst een geldige uitvoeringsovereenkomst is van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Dit heeft gevolgen voor het oordeel van het hof dat de betalingen van de man op grond van de potovereenkomst niet zonder rechtsgrond zijn en dat van onverschuldigde betaling dan ook geen sprake is. Deze klacht wordt nader uitgewerkt en toegespitst op onderdelen in ’s hofs overwegingen die hebben geleid tot de conclusie dat de potovereenkomst rechtsgeldig is.
1.1is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof in rov. 3.9 een oordeel geeft over de rechtsgeldigheid van de potovereenkomst, faalt het. Deze overweging bevat slechts een algemene uiteenzetting van het juridische kader dat volgens het hof relevant is voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de potovereenkomst. Het hof overweegt daarin, kort gezegd, dat de contractsvrijheid tussen echtgenoten voorop staat, dat het partijen in beginsel vrijstaat – ook naast de huwelijkse voorwaarden – een onderhandse overeenkomst te sluiten, en dat voor afspraken die als huwelijkse voorwaarden zijn aan te merken de vormeis van een notariële akte geldt. Deze algemene uiteenzetting van het juridische kader is niet dragend voor het oordeel van het hof in rov. 3.12 dat de potovereenkomst rechtsgeldig is. Dat geldt ook voor de verwijzingen in rov. 3.9 naar de – volgens het middel in deze zaak (overgangsrechtelijk) niet relevante – artikelen 1:84 lid 3 en 1:87 lid 4 BW. Het hof verwijst naar deze artikelen in het kader van zijn overweging dat voor twee als huwelijkse voorwaarden aan te merken overeenkomsten een uitzondering bestaat op de vormeis van een notariële akte. In het bestreden arrest – rov. 3.9, rov. 3.12 of elders – lees ik niet dat het hof de potovereenkomst heeft gekwalificeerd als een overeenkomst in de zin van art. 1:83 lid 3 of Pro art. 1:87 lid 4 BW Pro.
1.3 en 1.4wordt geklaagd over rov. 3.12, voor zover het hof daarin heeft overwogen (i) dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat het de bedoeling van de potovereenkomst was dat ieder van partijen hetzelfde in de portemonnee zou hebben, en (ii) dat de potovereenkomst daarmee dezelfde strekking heeft als het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen en niet anders kan worden gezien dan als een uitvoering van het periodiek verrekenbeding op een concreet onderdeel, te weten de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen.
1.5 t/m 1.11wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof (rov. 3.12), kort gezegd, dat de potovereenkomst niet anders kan worden gezien dan als een uitvoering van de huwelijkse voorwaarden op een concreet onderdeel (de winsten en verliezen in de ondernemingen van partijen), dat deze uitvoeringsovereenkomst geen huwelijkse voorwaarde is, zodat de potovereenkomst rechtsgeldig is en de betalingen die de man op grond van deze overeenkomst heeft gedaan niet zonder rechtsgrond zijn. In de kern voert het middel hiertegen het volgende aan. Het hof heeft verzuimd rekening te houden met essentiële stellingen van de man over de verschillen tussen het periodiek verrekenbeding en de potovereenkomst. De potovereenkomst betreft geen uitvoering van het periodiek verrekenbeding, omdat de potovereenkomst een regeling geeft voor de optelling en deling van de jaarlijkse winsten en verliezen van de ondernemingen van partijen, die afwijkt van het periodiek verrekenbeding inzake de verrekening van onverteerde inkomsten. In de potovereenkomst is geen sprake van het concreet maken van de aanspraak op verrekening in een situatie waarin het periodiek verrekenbeding niet is nagekomen. De potovereenkomst betreft dus geen uitvoeringsovereenkomst. De potovereenkomst roept een (deels) nieuw verrekenbeding c.q. huwelijksvermogensregime in het leven, hetgeen niet mogelijk is bij onderhandse akte. Volgens het middel heeft het hof dan ook miskend dat de potovereenkomst nietig is.
2.1 e.v.) allereerst aan dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing heeft miskend door rekening te houden met stellingen van de vrouw die zij in het geding voor verwijzing niet heeft ingenomen.
2.1.1 t/m 2.1.8wordt geklaagd dat het hof de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft miskend door bij de beoordeling van de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht ter zake van betalingen voor de verbouwingskosten van de woning, blijkens rov. 3.23 rekening te houden met nieuwe stellingen die de vrouw in het geding na verwijzing heeft ingenomen in het kader van haar beroep op een natuurlijke verbintenis. Uit de gedingstukken volgt, zo betoogt het middel, dat de vrouw in het geding voor verwijzing haar beroep op een natuurlijke verbintenis summier heeft onderbouwd, als zij al aan haar stelplicht heeft voldaan. In het geding na verwijzing had het hof uitsluitend mogen beslissen op basis van de stellingen van de vrouw uit het geding voor verwijzing; er is geen aanleiding voor een verruiming van het processuele debat in het geding na verwijzing. Tot zover de klacht.
2.1.7geeft het middel aan welke stellingen van de vrouw in de antwoordmemorie na verwijzing nieuw zouden zijn en een niet toegestane aanvulling zouden opleveren van de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw. Met deze stellingen mocht het hof, volgens het middel, derhalve geen rekening houden. Ik kan het middel daarin niet volgen.
2.1.9stelt, is derhalve geen sprake.
2.1.11 en 2.1.13.
2.1.11aanvoert dat de man op de hiervoor bedoelde stellingen van de vrouw niet heeft kunnen reageren, gaat het middel eraan voorbij dat de man ter zitting van het hof in het geding na verwijzing de mogelijkheid daartoe heeft gehad. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof op 21 maart 2022 (p. 3) heeft de man van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Hierbij komt dat de man ook in nr. 50 van zijn memorie na verwijzing heeft gereageerd op het beroep dat de vrouw in de procedure voor verwijzing heeft gedaan op een natuurlijke verbintenis.
2.1.8betoogt het middel dat de weergave van de stellingen van de man in rov. 3.24 onvolledig is; het middel benoemt om welke stellingen het zou gaan. De klacht faalt. In rov. 3.24 e.v. ligt besloten dat het hof de in het middel genoemde stellingen van de man, zonder deze steeds expliciet te benoemen, heeft betrokken in zijn oordeelsvorming die heeft geleid tot rov. 3.29. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het de bedoelde stellingen van de man, afgezet tegen de stellingen van de vrouw, van onvoldoende gewicht heeft geacht. Door de stellingen van de vrouw te honoreren, heeft het hof de bedoelde stellingen van de man, al dan niet impliciet, verworpen. [17] Anders dan het middel betoogt, heeft het hof als niet ter zake dienend aan het bewijsaanbod van de man voorbij kunnen gaan.
2.1.12voert het middel aan dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing heeft miskend door in rov. 3.29 ervan uit te gaan dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten van de woning hebben plaatsgevonden in de ‘jaren 2001 en daarna’ en de vrouw de woning ‘vanaf 2004’ in erfpacht had. Volgens het middel had het hof moeten uitgaan van de (door HR 30 augustus 2019 onaangetast gebleven) vaststelling van het hof in het arrest van 19 december 2017 dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten van de woning hebben plaatsgevonden in de jaren 1998 t/m 2005 en de vrouw toen – en dus niet eerst in 2004 – erfpachter was. Voor dit laatste verwijst het middel [21] naar rov. 3.1 van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2017 in verbinding met rov. 3.5.1 van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2016.
2.2 e.v.) voorts aan dat het hof ten onrechte een natuurlijke verbintenis heeft aangenomen. De klacht keert zich in het bijzonder tegen de objectieve aanwijzing die het hof heeft aangenomen voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis (rov. 3.28) en voorts tegen de omstandigheden waarop het hof zijn beslissing heeft gebaseerd dat sprake was van een dringende morele verplichting van de man om bij te dragen aan de verbouwingskosten van de woning (rov. 3.29).
2.2.1 en 2.2.2wordt geklaagd dat het oordeel van het hof over het bestaan van een natuurlijke verbintenis berust op een onjuiste – ik begrijp: een te ruime – uitleg van het hof (rov. 3.28) van Le Miralda. Het middel zet dit als volgt uiteen. In Le Miralda betrof het echtgenoten die met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen waren gehuwd, terwijl in dit geval de echtgenoten zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. De ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda is in geval van een peridoek verrekenbeding niet zonder meer, althans niet in dezelfde mate, aanwezig. In de onderhavige zaak heeft het hof verzuimd om te motiveren waarom de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda ook van toepassing is in geval van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding.
2.2.3 en 2.2.4heeft het hof miskend dat de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda niet geldt in de onderhavige situatie waarin de man betalingen heeft gedaan voor de verbouwingskosten van de woning die toen nog geen eigendom van de vrouw was. Voor zover het hof van oordeel is dat de ‘objectieve aanwijzing’ van Le Miralda ook geldt wanneer de vrouw geen eigenaar maar erfpachter van de woning is, is dat oordeel volgens het middel onjuist of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover het hof heeft laten meewegen dat de vrouw door erfopvolging eigenaar is geworden van de woning, heeft het hof volgens het middel miskend dat het bestaan van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar het moment van het verrichten van de prestatie. Ook is het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig, aldus het middel, omdat uit rov. 3.29 volgt dat de betalingen van de man voor de verbouwingskosten zijn gedaan in een periode waarin de vrouw volgens het hof geen erfpachter was van de woning.
2.2.6 e.v.voert het middel klachten aan tegen de overwegingen van het hof met betrekking tot de welstand en behoefte van partijen. In
2.2.7wordt betoogd dat wat de welstand van de man betreft, hij in eerste aanleg heeft gesteld dat hij zakelijk een hypotheekschuld bij de bank is aangegaan om hem privé in staat te stellen de verbouwingskoten van de woning te betalen, welke stelling door de vrouw niet is bestreden. Het hof zou hebben verzuimd om deze stelling van de man te betrekken in zijn oordeelsvorming over de welstand van de man.
2.2.8 t/m 2.2.10tegen de overweging van het hof (rov. 3.29) dat de vrouw geen vermogen had. Volgens het middel heeft de vrouw nimmer gesteld dat zij geen vermogen had; zij heeft slechts gesteld dat zij ten tijde van de verbouwing van de woning niet in staat was die verbouwing zelf (geheel) te financieren. De man heeft deze stelling bovendien betwist. Hiermee heeft het hof de feitelijke grondslag van het standpunt van de vrouw aangevuld. Verder heeft het hof verzuimd om bij de welstand van de vrouw rekening te houden met de letselschadevergoeding die zij heeft ontvangen. Deze vergoeding is uitgekeerd in 2007, maar de vordering zelf is in 1994 ontstaan. In 1997 was volgens de neuroloog sprake van een eindtoestand, zodat op dat moment voorzienbaar was dat de vergoeding omvangrijk zou zijn. Tot zover de klacht.
2.2.11voert het middel aan dat de overweging van het hof dat de vrouw geen vermogen had ook niet goed valt te rijmen met ’s hofs vaststelling dat beide echtgenoten uit welgestelde agrarische families afkomstig waren en mede in verband daarmee huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan. Volgens het middel wijzen de omstandigheden erop dat van de zijde van de (familie van de) vrouw aan estate planning werd gedaan, welke het beoogde doel niet zouden bereiken indien de vrouw niet via erfopvolging de eigendom van de woning zou verkrijgen. De klacht faalt. Het algemene gegeven dat beide echtgenoten uit welgestelde agrarische families afkomstig zijn, zegt nog niets over de specifieke vermogenspositie van partijen op het tijdstip van de beoordeling van een natuurlijke verbintenis. Voor zover het middel zou willen betogen dat het hof rekening had moeten houden met de reële toekomstverwachting dat de vrouw via erfopvolging de woning in eigendom zou verkrijgen, miskent het dat het peilmoment voor de beoordeling van een natuurlijke verbintenis zich daartegen verzet.
2.3 e.v.op tegen ’s hofs afwijzing (rov. 3.37 t/m 3.46) van de vordering van de man uit hoofde van een vergoedingsrecht voor de in rov. 3.37 genoemde overboekingen van de rekening van de man naar de rekening van de vrouw, omdat de man daarmee heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding.
2.3.1voert het middel aan dat het hof is uitgegaan van een onjuist beoordelingskader waar het overweegt (rov. 3.39): ‘Van belang daarbij is wat de kosten van de huishouding waren, wat ieders inkomen was, wat ieder had moeten betalen, en wat ieder meer of minder betaald heeft’. Het middel licht deze klacht als volgt toe. Het hof miskent dat het niet gaat om de vraag of de vrouw ingevolge art. 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft jegens de man, omdat hij volgens die regeling te weinig zou hebben bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Het gaat om de beoordeling van het verweer van de vrouw dat de overboekingen van de man naar de vrouw niet zonder rechtsgrond waren, omdat deze overboekingen strekten tot het voldoen aan de bijdrageplicht van de man in de kosten van de huishouding.
2.3.2bevat het middel de klacht dat het hof niets heeft vastgesteld over de totale omvang van de kosten van de huishouding. Volgens mij is de totale omvang van de kosten van de huishouding niet relevant in de beoordeling die het hof heeft gemaakt op basis van het partijdebat. In rov. 3.37 geeft het hof een overzicht van de bedragen die de man heeft overgeboekt naar de vrouw. In verband met deze overboekingen stelt de man een vergoedingsrecht te hebben. Volgens de vrouw betreffen deze overboekingen de kosten van de huishouding. Het partijdebat, weergeven in rov. 3.38, spitste zich toe op de vraag of deze overboekingen als bijdragen van de man in de kosten van de huishouding kunnen worden aangemerkt. De omvang van de kosten van de huishouding is dus bepaald, of beter gezegd: begrensd, door de vordering van de man en het verweer van de vrouw.
2.3.3komt erop neer, als ik het goed begrijp, dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stelling van de man dat hij directe betalingen heeft gedaan aan de kosten van de huishouding. Uit rov. 3.38 maak ik op dat het hof met deze stelling van de man wel rekening heeft gehouden (‘Hij voert aan dat …’ t/m ‘door de man betaald.’), maar dat het hof kennelijk van oordeel is geweest, hetzij dat de man deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, hetzij dat deze betalingen geen betrekking hadden op de kosten van de huishouding. Anders dan het middel veronderstelt, rust de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van deze stelling op de man.
2.3.4dat niet duidelijk is op welke stellingen van partijen het hof doelt met de ‘contante betalingen’ in rov. 3.42. Ook zou het hof hebben miskend dat de bewijslast ten aanzien van de door de vrouw gestelde contante betalingen op haar en niet op beide partijen zou rusten. Verder zou onduidelijk zijn met welke bedragen aan contante betalingen het hof rekening heeft gehouden, aan welke zijde en welke gevolgen het hof daaraan verbindt.
2.3.5komt het middel op tegen rov. 3.43, waarin het hof kort gezegd het volgende heeft overwogen. Niet betwist zijn de overzichten over de inkomens van partijen en de kosten van de huishouding en hoe deze verrekend zouden worden. [37] Daaruit blijkt dat in de jaren 1998, 1999, 2001 en 2005 het inkomen van de vrouw nihil was; dat wil zeggen dat de man de kosten van de huishouding over de genoemde vier jaren diende te betalen, en als zijn inkomen niet voldoende was, de resterende kosten naar evenredigheid uit het vermogen van partijen betaald diende te worden. Geen van partijen heeft gesteld dat de inkomens niet voldoende waren voor de kosten van de huishouding. Tot zover ’s hofs oordeel. De klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat de overzichten die door de vrouw zijn overgelegd door de man zijn betwist, dat het hof de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw heeft aangevuld en dat onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel dat geen van partijen heeft gesteld dat de inkomsten niet voldoende waren voor de kosten van de huishouding.
2.3.6vervolgt het middel met de klacht dat sprake is van een feitelijke misslag in rov. 3.44, waar het hof overweegt dat partijen de woning in erfpacht hadden. Het middel stelt terecht dat het erfpachtrecht uitsluitend aan de vrouw toebehoorde (zie ook rov. 3.16), maar verbindt hieraan geen klacht die tot vernietiging van ’s hofs oordeel zou kunnen leiden. Bovendien is in het kader van rov. 3.44 niet zozeer relevant wie van partijen de woning in erfpacht had, maar gaat het erom dat het in overeenstemming met de huwelijkse voorwaarden is dat beide partijen bijdragen aan de woonlasten en andere gebruikelijke lasten (zoals verzekeringen en waterschapslasten) van de echtelijke woning.
2.3.7wordt geklaagd over rov. 3.44, voor zover het hof overweegt dat uit de door de vrouw overgelegde rekeningen en bankafschriften blijkt dat zij van haar rekening zaken zoals kleding, de kerk, de bibliotheek, de kapper en kosten van gezondheidszorg betaalde. Volgens het middel is onbegrijpelijk de overweging die hierop volgt, namelijk dat het hof dergelijke kosten niet terugziet in de bankafschriften van de man. Het middel voert aan dat de man voor de periode 2001 t/m 2004 overzichten met onderliggende bescheiden (facturen en bankafschriften) in het geding heeft gebracht van de kosten van de huishouding die door hem van zijn bankrekening zijn betaald.
2.3.8dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de betwisting door de man van de door de vrouw overgelegde overzichten en de daarin genoemde bedragen, faalt. Tegenover de met stukken onderbouwde stelling van de vrouw heeft het hof de betwisting van de man kennelijk onvoldoende geacht. Het betoog dat de stelling van de man dat een deel van de door de vrouw opgevoerde kosten zakelijke kosten betreffen, onbetwist is gebleven, gaat evenmin op. De vrouw heeft zich immers (gemotiveerd) op het standpunt gesteld dat zij jaarlijks gemiddeld minimaal € 27.000,- aan kosten voor de gemeenschappelijke huishouding betaalde. [41]
2.3.9op tegen het door de vrouw gestelde gemiddelde van minimaal € 27.000,- dat zij in de jaren 2001 t/m 2008 aan de kosten van de huishouding heeft betaald. Volgens het middel heeft de man de door de vrouw gestelde bedragen over de verschillende jaren betwist, waardoor, zo begrijp ik althans de klacht, het gestelde gemiddelde van minimaal € 27.000,- feitelijke grondslag ontbeert. De klacht is tevergeefs voorgesteld. Voor zover het hof in zijn beoordeling in rov. 3.39 e.v. tot uitgangspunt zou hebben genomen dat ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw een gemiddelde van € 27.000,- aan de kosten van de huishouding heeft betaald, is dat oordeel niet onbegrijpelijk in het licht van de door de vrouw aan haar stelling ten grondslag gelegde stukken. [42]
2.3.10geen zelfstandige betekenis.
2.3.11bestrijdt het middel rov. 3.45, waarin het hof het volgende heeft overwogen. Aan de bankafschriften van de man is te zien dat hij steeds in het najaar een bedrag aan de vrouw heeft overgemaakt en een keer in het begin van het volgende jaar een bedrag. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat deze overboekingen kosten van de huishouding betroffen. Tegenover het onderbouwde verweer van de vrouw heeft de man niet (voldoende) duidelijk gemaakt waarom hij in drie van de vier jaren steeds in het najaar een bedrag aan de vrouw heeft overgemaakt. Gelet op het onderbouwde verweer van de vrouw en mede gelet op hetgeen is overwogen over het inkomen (rov. 3.43), gaat het hof ervan uit dat de man met deze vermogensverschuivingen bijdroeg in de kosten van de huishouding. De man heeft daarom geen aanspraak op vergoeding van deze bedragen.
2.3.12mist zelfstandige betekenis.