AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplichtigheid aan vervaardiging amfetamine door verhuur schuur ondanks waarschuwing
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden wegens medeplichtigheid aan het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en het verschaffen van gelegenheid tot het voorbereiden van dit feit door het verhuren van een schuur die als drugslaboratorium werd gebruikt.
De verdachte verhuurde een schuur aan een onbekende huurder, waarbij hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat in de schuur een overtreding van de Opiumwet zou plaatsvinden. Dit bleek mede uit eerdere ervaringen met een hennepkwekerij in door hem verhuurde garages. Ondanks waarschuwingen en het opnemen van een verbod op drugsteelt in de huurovereenkomst, stond hij aanpassingen en verbouwingen toe en accepteerde contante betalingen.
De verdediging voerde aan dat de verdachte te goeder trouw handelde en niet wist van de illegale activiteiten, maar het hof achtte dit niet aannemelijk. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht oordeelde dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had op het misdrijf. Wel is de redelijke termijn overschreden, wat leidt tot vermindering van de straf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het beroep wordt voor het overige verworpen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00492
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 8 februari 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens eendaadse samenloop van 1 subsidiair “medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II. Bewezenverklaring en bewijsvoering
3. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“1.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de periode van 23 februari 2018 tot en met 10 juli 2018 te [plaats], opzettelijk hebben bewerkt en vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
tot het plegen van welk misdrijf de verdachte in de periode van 23 februari 2018 tot en met 10 juli 2018 te [plaats], opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door:
- een schuur, gelegen op het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats], (als opslagruimte voor de benodigde chemicaliën en als productieruimte) te verhuren en
- aanpassingen en/of verbouwingen in en/of bij de schuur toe te staan;
2.
hij in de periode van 23 februari 2018 tot en met 10 juli 2018 te [plaats], om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen anderen gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, hebbende hij, verdachte,
- een schuur, gelegen op het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats], (als opslagruimte voor de benodigde chemicaliën en als productieruimte) te verhuren en
- aanpassingen en/of verbouwingen in en/of bij de schuur toe te staan.”
4. De bewezenverklaring steunt op 55 bewijsmiddelen. Daaruit licht ik hier de navolgende:
“9. Het proces-verbaal van bevindingend.d. 19 september 2018 (p. 1028-1036 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van de [verbalisant] , zakelijk weergegeven:
Op 14 september 2018 was ik doende met het uitlezen van de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoon (Apple iPhone 6), in beslagname nummer 1376732. Hiervoor maakte ik gebruik van het programma ‘UFED Reader’.
Het IMEI-nummer van de mobiele telefoon is: [IMEI-nummer] .
Ik zag in de WhatsApp-gesprekken dat er berichten werden verzonden onder het [telefoonnummer 1] . Ik hoorde van een medewerker van de afdeling Digitale Opsporing dat het mogelijk is om een ander telefoonnummer te gebruiken voor WhatsApp.
Op 10 juli 2018 om 21:05 uur werd [verdachte] door het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam op heterdaad aangehouden.
Onderstaand gesprek betreft een in de telefoon aangetroffen WhatsApp-gesprek tussen het [telefoonnummer 1] , het telefoonnummer dat wordt weergegeven bij WhatsAppgesprekken op de mobiele telefoon van [verdachte] , en het [telefoonnummer 2] . Het [telefoonnummer 2] is in gebruik bij [betrokkene 3] ( het hof begrijpt: de partner van de verdachte).
Hieronder wordt een gesprek weergegeven dat plaatsvond op 10 juli 2018:
21:03 [betrokkene 3] : “Alles ok”
21:03 [verdachte] : afbeeldingen 4x duim naar beneden en 1x vingers gekruist
21:03 [verdachte] : “Politie”
21:03 [verdachte] : “Fout”
21:03 [betrokkene 3] : “Neeeeeeee”
21:04 [verdachte] : “Kaas kut”
21:04 [verdachte] : “Echt”
21:04 [verdachte] : “Hk”
53. Het proces-verbaal van verhoor verdachted.d. 19 februari 2018 (p. 25-31 van het aanvullend politiedossier II), proces-verbaalnummer PL0600-20 18017040-20, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :
[…]
( dossierpagina 27)
V: Hebt u nog andere inkomsten gehad) en wat waren die inkomsten?
A: Ja, vanaf juni 2017 heb ik 1.000 Euro per maand ontvangen voor de verhuur van 4 garages (per stuk 250 Euro) bij de woning waar ik toen woonde op de [b-straat 1] te [plaats] .
V: Tot wanneer heeft u die extra inkomsten gehad?
A: Tot februari 2018.
[…]
O: Op 7 februari 2019 werd er een hennepplantage aangetroffen in garages op perceel [b-straat 1] te [plaats] .
V: Wat kun jij daar over verklaren?
A: Ik hoorde die dag dat er een hennepplantage, was aangetroffen in de garages. Die middag kwam ik het terrein op en zag ik drie politieagenten op het terrein staan tussen de woning en de garages. Ik liep naar hen toe. Er werd mij verteld dat er een hennepplantage was aangetroffen in de garages. Ik vertelde dat ik garages verhuurde en dat ik de verhuurcontracten binnen had liggen. Ik vroeg de politie om mee te lopen naar de woning om samen met de verhuurcontracten te bekijken met de namen daarin van de huurder van de garages.
( dossierpagina 29)
In de huurovereenkomst staat expliciet vermeld dat de huurder tijdens de huurperiode geen hennep mag telen of synthetische middelen mag fabriceren.
[…]
V: Hoe komt u aan die huurder?
A: Tijdens het opknappen van de woning kwamen er regelmatig oud-ijzerboeren aan de deur om de spullen uit de woning op te halen. Hier zaten ook weleens materialen bij van de oude hennepkwekerij, die in de woning had gezeten. Eén van die oud-ijzerboeren, [betrokkene 4], vroeg mij of ik een garage te huur had voor een kennis. De eerste keer heb ik daar nee op gezegd omdat ik die man niet kende en hem nooit gezien had. Toen ik die [betrokkene 4] drie keer gezien had liet ik [betrokkene 4] de garages zien en later kwam [betrokkene 4] met [betrokkene 5] langs die aangaf dat hij wel interesse had om de garages te huren. [betrokkene 5] wist dat de garages hier en daar lekkage hadden, maar dat was geen probleem. Hij zou dat zelf in orde maken en ging de garage gebruiken als opslag voor verhuizing en meubels. [betrokkene 5] kwam zelf met het bedrag van 250 euro per garage en omdat het 4 vier garages betrof kwamen wij overeen dat hij 1.000 euro per maand huur ging betalen. Op 1 juni 2017 heb ik een huurovereenkomst opgesteld waarmee [betrokkene 5] akkoord ging. Dit contract liep tot 31 augustus 2017.
[…]
V: Wie heeft de plantage ingericht of gebouwd?
A: Ik denk dat ze ongeveer 3 maanden bezig zijn geweest met verbouwen van de garages om ze dicht te maken. Ook zag ik dat een busje pallets kwam brengen met verhuisdozen die met zwarte folie omwikkeld waren.
Nu realiseer ik mij dat het opvallend was dat dat [betrokkene 5] ook wel [betrokkene 5] of [betrokkene 5] werd genoemd door [betrokkene 6] of [betrokkene 7].
( dossierpagina 30)
Steeds hadden ze in periodes andere auto’s bij zich.
Die drie maanden waren [betrokkene 7] en [betrokkene 6] samen bij de garages en zeiden mij dat ze twee maanden, september en oktober, niet zouden komen. Vanaf november pas weer. Omdat het contract eigenlijk stopte op 31 augustus 2017, zei ik dat ze dan wel de huur door moesten betalen. Dat was geen probleem voor hen en ik kreeg 2.000 euro cash betaald door hen. Ik heb een nieuwe huurovereenkomst opgemaakt van 1 november 2017 tot 31 januari 2018 met dezelfde afspraken als de vorige overeenkomst. Op 1 februari 2018 gaf [betrokkene 5] aan dat ze nog eens met drie maanden wilden verlengen.
54. Het proces-verbaal van verhoord.d. 7 augustus 2018 (p. 80-93 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :
( dossierpagina 81)
O: Opmerking verbalisanten
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord verdachte
V: Op 10 juli 2018 is er tijdens een doorzoeking in de woning die gelegen is op de [a-straat 1] te [plaats] een huurcontract aangetroffen die gaat over de huur van garages/parkeerplaats-carport op de [a-straat 1] te [plaats]. Wat kunt u vertellen over het huurcontract?
O: We overhandigen het betreffende huurcontract aan [verdachte] .
A: Ik heb dat verhuurd.
V: Wie heeft het huurcontract opgemaakt?
A: Heb ik gedaan.
V: Op welke locatie is dit huurcontract ondertekend?
A: Ik heb het terug gehad van [betrokkene 8].
V: Jij hebt het thuis getekend in [plaats]?
A: Ik heb het aan [betrokkene 8] meegegeven en hij heeft het ondertekend teruggegeven.
V: Op welke datum heeft u en de huurder het huurcontract ondertekend?
A: Ik heb het op 23 februari 2018 aan [betrokkene 8] meegegeven. Na 2-3 dagen heb ik het terug gekregen van [betrokkene 8].
V: Wie is de huurder?
A: [betrokkene 9]
V: Weet u de voornaam?
A: [betrokkene 9], ze is één keer geweest.
( dossierpagina 82)
V: Hoe bent u in contact gekomen met haar?
A: Via [betrokkene 8]. (...) Een jaar lang heb ik hem niet gezien. In januari ( het hof begrijpt: januari 2018) is hij langs geweest, ik heb hem toen de woning laten zien. In januari kwam hij voor de tweede keer en toen had hij het verhaal, een vriendin van hem, die ging scheiden. Die had ruimte nodig om haar inboedel op te slaan. Ik zou 150 euro per gedeelte van de schuur krijgen, in totaal 600 euro.
V: Waar woont [betrokkene 8]?
A: Hij schijnt in [plaats] te wonen, dat is wat hij zei.
V: Hoe oud is hij?
A: 26-27 jaar.
V: Wat is zijn achternaam?
A: Het begint met een ‘[…]’. [betrokkene 8] of zoiets ( het hof begrijpt: [betrokkene 8]).
V: Wanneer heeft u voor het eerst contact gehad met [betrokkene 9]?
A: In januari heb ik haar voor het eerst gezien, dat moet eind januari zijn geweest. Ik heb haar één keer gezien.
V: Hoe is ze te bereiken?
A: De contacten zouden via [betrokkene 8] verlopen.
V: Heb je wel een telefoonnummer van haar?
A: Nee. Zij is weggegaan, [betrokkene 8] is bezig gegaan in de schuur. Eind januari, begin februari is hij bezig geweest met verbouwen, isoleren en zo.
V: Wie heeft de adresgegevens op het huurcontract verstrekt? Ik bedoel dan het adres van de . huurster.
A: Het stond op haar legitimatie ( opmerking hof: op legitimatiebewijzen in Nederland staan geen adressen).
( dossierpagina 83)
V: Stond op haar legitimatiebewijs zei je?
A: Ik heb dat adres van haar gehad. (...) Ik heb dat opgeschreven. (...) Ze heeft het mondeling doorgegeven, het adres.
V: Hoe is [betrokkene 9] toen naar [plaats] gekomen?
A: Met [betrokkene 8]. Ze kwamen samen aan. Hij is samen met [betrokkene 8] in de schuren geweest.
V: Van welk voertuig maakten zij gebruik?
A: Ja, een witte Caddy?
V: Weet je het kenteken?
A: Nee, [betrokkene 8] reed in een witte Caddy.
V: Op welke wijze werd de huur betaald?
A: Contant.
V: Door wie werd het betaald?
A: Van [betrokkene 8] kreeg ik 600 euro borg en 600 euro huur. De huur van maart en april heb ik begin maart kregen van [betrokkene 10].
V: Wie is [betrokkene 10]?
A: Dat is een neef van [betrokkene 8].
V: Hoe is de verhuur van de garages/parkeerplaats-carport verder verlopen?
A: Zij hebben dat verbouwd. Daar zijn ze in februari ( het hof begrijpt: februari 2018) mee bezig geweest. Ik heb [dat] gezien in elk geval. (...) Er kwamen daarna veel auto’s en mensen naar toe. Ze kwamen op de gekste tijden. Dan kwam er een auto en een uur later weer een.
( pagina 84)
V: Hoe vaak was [betrokkene 10] bij de schuur?
A: In het begin heel vaak, met het verbouwen van de schuur. [betrokkene 10] was er regelmatig.
V: Kwam [betrokkene 10] altijd samen met [betrokkene 8]?
A: Met verbouwen waren ze met de witte Caddy van [betrokkene 8]. (...) De platen voor de verbouwing paste niet in de Caddy, zij hebben gezegd dat het met een busje gebracht zou worden. (...) De platen lagen er vervolgens een keer. (...) In het begin, bij het verbouwen, zag ik de wanden.
( pagina 85)
V: Wat zag je buiten voor de schuur?
A: Later zag ik een groen zeil met een airco achtig ding. (...) Ik heb er voor gestaan en nog gekeken en ik hoorde een soort motor geluid. (...) Toen ik heb gekeken waren deze niet zo groot. Ik heb er voor gestaan en nog gekeken en ik hoorde een soort motor geluid.
V: Wanneer heb je dat gezien?
A: Dat moet ergens in april of mei ( het hof begrijpt: april of mei 2018) geweest zijn.
( pagina 86)
V: Je verklaarde dat jij het huurcontract hebt getekend op 23 februari ( het hof begrijpt: 23 februari 2018) en na 2-3 dagen heb je het ondertekend teruggekregen van [betrokkene 8].
A: Ja.
( pagina 88)
V: Er is op de Beekseweg in Aarle-Rixtel een voertuig, Volkswagen Transporter, achtergelaten en in brand gestoken. We hebben vastgesteld door zichtbare schade aan het voertuig dat dit een Volkswagen Transporter betrof die vaker naar de [a-straat 1] te [plaats] reed en vanaf die locatie ook weer vertrok. We tonen u een foto van het voertuig dat in brand is gestoken. Wat kunt u hierover verklaren?
A: Ik heb wel een witte Volkswagen bus gezien. (...) Ik heb die gezien bij de schuur.
A: Ik heb een keer [betrokkene 10] zien rijden in een wit Volkswagen busje. (...) De auto’s reden direct door naar de schuur.
[…]
55. De verklaring van [verdachte]afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 25 januari 2022, voor zover inhoudende:
Ik heb tijdens de ontmoeting eind januari 2018 tegen [betrokkene 9], althans de alias van [betrokkene 9], gezegd dat de wanden van de schuur van hout zijn en dat daarachter wel steen zat, maar dat het voor opslag te vochtig was. Het eerste stuk van de schuur was van steen en de rest was van hout. Het was allemaal enkelwandig. De huurder moest de schuur isoleren. Ik zou van haar voor de verhuur 600 euro per maand krijgen. Het ging in totaal om 4 ruimtes. Zij wilde de ruimtes voor een periode van 5 maanden huren. Ik herken de ruimtes op plattegrond die, als bijlage bij de huurovereenkomst, is opgenomen op pagina 857 van het politiedossier die u mij toont. Het zijn totaal 4 garages die heel smal zijn. Het is niet heel groot. Ik heb haar nadien nooit meer gesproken en gezien.
U, voorzitter, houdt mij de verklaring voor die ik op 19 februari 2018 heb afgelegd bij de politie, toen ik werd gehoord door de politie in verband met het aantreffen van een hennepplantage door de politie op 7 februari 2018 in garages op het perceel [b-straat 1] in [plaats] . Het klopt inderdaad dat ik wel vaker ruimtes heb verhuurd aan mensen. Dat was ook bij de villa in [plaats] . In de garages heeft een hennepkwekerij gezeten. Dat heeft de politie mij verteld. Ik ben er heen gelopen toen ik daar, op het adres [b-straat 1] in [plaats] , agenten op het terrein zag. Er is mij toen verteld dat er een hennepplantage was aangetroffen in de garage. Het klopt dat dat op 7 februari 2018 was.”
5. De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in:
“De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat . bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman - op gronden als verwoord in diens pleitnota - betoogd dat de verklaring van de verdachte niet als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven en dat op grond van die verklaring blijkt dat hij de schuur te goeder trouw heeft verhuurd en hij niet de kans heeft aanvaard dat daarin op een later moment illegale praktijken zouden plaatsvinden.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen is voor het hof komen vast te staan dat er op 10 juli 2018 door de politie een instap heeft plaatsgevonden op het door de verdachte gehuurde perceel gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Tijdens deze instap is er in de schuur op het betreffende perceel een in werking zijnde drugslaboratorium aangetroffen. Deze schuur is blijkens de huurovereenkomst, onder de noemer 3 garages/parkeerplaats en carport, door de verdachte verhuurd voor een periode van 5 maanden, ingaande op 23 februari 2018 en eindigend op 22 juli 2018.
Voorts is voor het hof komen vast te staan dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in dit drugslaboratorium opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine hebben bewerkt en vervaardigd.
Tot slot stelt het hof vast dat de - kort gezegd - productie van amfetamine moet hebben plaatsgevonden in de periode van 23 februari 2018, zijnde de datum waarop de verhuur van de schuur aanving, tot en met 10 juli 2018, het moment dat tijdens de instap het in werking zijnde drugslaboratorium werd aangetroffen. Anders dan gesteld door de verdediging is het hof van oordeel dat de pleegperiode niet hoeft te worden ingekort.
De vraag waar het hof zich thans voor ziet gesteld, is of de verdachte medeplichtig is geweest aan dit strafbare feit door de gelegenheid hiertoe te bieden middels de verhuur van de betreffende schuur en aanpassingen/verbouwingen daaraan toe te staan alsmede of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 10a van de Opiumwet.
Het hof stelt voorop dat voor bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1 of 2 van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtigheid slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige hoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.
Het hof overweegt het volgende.
Blijkens het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 februari 2018, proces-verbaalnummer PL0600-2018017040-20, is de verdachte op die datum gehoord met betrekking tot een op 7 februari 2018 aangetroffen hennepplantage in door hem verhuurde garages behorende bij het perceel [b-straat 1] te [plaats] .
De verdachte heeft tijdens dit verhoor verklaard dat hij de woning op dat perceel heeft bewoond en dat hij de vier garages op hetzelfde perceel heeft verhuurd. Ook heeft hij verklaard dat hij op 7 februari 2018 in de middag het terrein op kwam en drie politieagenten op het terrein zag staan. Er werd hem toen verteld dat er een hennepplantage was aangetroffen in de garages. Over de verhuur van deze garages heeft de verdachte bij gelegenheid van voornoemd verhoor het volgende verklaard:
De verdachte is door een oudijzerboer genaamd [betrokkene 4] benaderd met de vraag of hij een garage te huur had voor een kennis van hem. Hierop heeft de verdachte de eerste keer toen hem dit gevraagd werd, nee geantwoord, omdat hij de man niet kende en hem nooit had gezien. Nadat de verdachte [betrokkene 4] driemaal had gezien, heeft hij hem de garages laten zien. Later is [betrokkene 4] met [betrokkene 5] langs gekomen en die zei dat hij wel interesse had in de huur van de garages. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte overigens verklaard dat hij de garages pas wilde verhuren nadat zijn kennis Walter van de Valk, zijnde degene van wie hij in de betreffende woning mocht verblijven, tegen hem had gezegd dat hij de huurder kon vertrouwen. Voorts heeft de verdachte op 19 februari 2018 bij voornoemd verhoor verklaard dat [betrokkene 5] wist dat de garages lekkage hadden, maar hij zou dit zelf in orde zou maken. De garage zou [betrokkene 5] gebruiken als opslag voor verhuizing en meubels. De verdachte heeft een huurovereenkomst opgemaakt en deze overeenkomst een aantal malen verlengd. In de huurovereenkomst heeft de verdachte naar eigen zeggen expliciet vermeld dat de huurder tijdens de huurperiode geen hennep mag telen of synthetische middelen mag fabriceren. [betrokkene 5] heeft vier garages gehuurd en is circa 3 maanden bezig geweest met de verbouwing van de garages. Tussendoor is aan de verdachte 2.000 euro contant betaald voor de verhuur van de garages. De verdachte heeft voorts bij voornoemd verhoor verklaard dat hij vermoedt dat de betreffende hennepplantage is verzorgd door [betrokkene 5] en twee maatjes. Die twee maatjes heetten [betrokkene 6] en [betrokkene 7], van wie hij verder niets weet. De verdachte realiseert zich dat het opvallend was dat [betrokkene 5] ook wel [betrokkene 5] ofJohn werd genoemd door [betrokkene 6] of [betrokkene 7].
Met betrekking tot de verhuur van de schuur op het door hem gehuurde perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] heeft de verdachte verklaard dat hij is benaderd door een vriend van hem die hij al tien jaren kent, te weten [betrokkene 8], met de vraag of hij, verdachte, zijn schuur aan een kennis van deze [betrokkene 8] wilde verhuren. De vrouw zou in scheiding liggen en een opslag nodig hebben voor haar spullen, zoals verhuisdozen en meubels. De verdachte wilde in eerste instantie de schuur niet verhuren, maar nadat [betrokkene 8] hem had medegedeeld dat het te vertrouwen was, heeft hij ingestemd met de verhuur van de schuur, bestaande uit drie garages en een carport (hierna te noemen: schuur). De verdachte heeft geen contactgegevens van deze vrouw gekregen, omdat alles via [betrokkene 8] zou verlopen. Ook de huurpenningen zouden contant aan hem betaald worden. De verdachte heeft de betreffende vrouw slechts eenmaal gezien, eind januari 2018. Omdat de schuur volgens de verdachte te vochtig zou zijn om hier dozen en meubels in op te slaan, zou de schuur eerst door de huurder worden geïsoleerd. Ook in dit huurcontract heeft de verdachte een bepaling opgenomen dat de huurder tijdens de huurperiode geen hennep mag telen of synthetische middelen mag fabriceren.
Uit het vorenstaande leidt het hof het volgende af.
Allereerst stelt het hof vast dat de verdachte niet onbekend is geweest met het feit dat gehuurde garages en schuren regelmatig worden gebruikt voor het telen van hennep dan wel het vervaardigen van (synthetische) drugs. Immers, hij heeft in beide huurovereenkomsten specifiek vermeld dat dit niet is toegestaan in het door hem verhuurde object. Dat de kans hierop reëel is, moet de verdachte duidelijk zijn geworden op het moment dat hij op 7 februari 2018 werd geconfronteerd met de ontdekking van een hennepkwekerij in de door hem verhuurde vier garages. Vanaf dat moment was de verdachte een gewaarschuwd man. Over dit feit is de verdachte op 19 februari 2018 gehoord als verdachte. De verdachte had op dat moment naar zijn zeggen al een ontmoeting gehad met de vrouw die de schuur aan de [a-straat 1] te [plaats] zou gaan huren van de verdachte. Vier dagen na dit verhoor is de huurovereenkomst met betrekking tot de [a-straat 1] te [plaats] opgemaakt.
De wijze waarop deze huurovereenkomst tot stand is gekomen, vertoont op belangrijke punten veel gelijkenis met de wijze waarop de huurovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de garages behorende bij het perceel [b-straat 1] te [plaats] . In beide gevallen wilde een voor de verdachte onbekende derde het object huren en stond de verdachte hier afwijzend tegenover. Pas nadat een voor hem bekende had medegedeeld dat het te vertrouwen was, is de verdachte de huurovereenkomst aangegaan. In beide gevallen zou het gehuurde object gebruikt worden voor de opslag voor verhuizing en meubels en diende het object om hieraan te kunnen voldoen, verbouwd te worden. Tot slot werden de huurpenningen in beide gevallen contant betaald.
Gelet op de eerdere ervaring van de verdachte en de hiervoor omschreven overeenkomsten in de gang van zaken met betrekking tot de verhuur van de garages aan de [b-straat 1] te [plaats] , en het aldaar toestaan van het maken van aanpassingen, en de schuur aan de [a-straat 1] te [plaats], en het daarbij eveneens toestaan van aanpassingen/verbouwingen, moet de verdachte - op zijn minst genomen - zich hebben gerealiseerd dat er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat in de door hem verhuurde schuur een overtreding van de Opiumwet zou plaatsvinden. Door alsnog over te gaan tot het verhuren van de schuur aan de [a-straat 1] te [plaats] heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden en ook die kans ten tijde van het verhuren bewust aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Hierbij merkt het hof nog op dat het enkele feit dat de verdachte in de huurovereenkomst heeft opgenomen dat er - kort gezegd - geen overtredingen van de Opiumwet mogen plaatsvinden in de door hem verhuurde schuur, niet maakt dat hij daarmee ook de voornoemde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard. Immers, hij wist op grond van zijn eerdere ervaring dat dit verbod in de huurovereenkomst niet hoeft te voorkomen dat het alsnog gebeurt en zoals hiervoor overwogen, heeft de verdachte met zijn handelen, zijnde eigenlijk een kopie van het handelen met betrekking tot het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , en de kennis die hij had, bewust de aanmerkelijke kans dat er in de door hem verhuurde schuur aan de [a-straat 1] te [plaats] een overtreding van de Opiumwet zal plaatsvinden, aanvaard.
Dit maakt dat voor het hof wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte - op zijn minste genomen - bij het verhuren van zijn schuur het voorwaardelijk opzet heeft gehad dat in deze schuur een overtreding van de Opiumwet zal plaatsvinden.
Op grond van het hiervoor overwogene is voor het hof eveneens komen vast te staan dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals dit hiervoor is bewezenverklaard.
De verdachte heeft voorts - kort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij begin april 2018 hetgeen dat plaatsvond in de schuur niet vertrouwde en om die reden meermaals heeft getracht de verhuur van de op te zeggen. Hier is volgens de verdachte door de verhuurder geen gehoor aan gegeven en bovendien is hij, verdachte, daarna meerdere malen bedreigd.
Het hof acht dit deel van de verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden en overweegt daartoe als volgt. Het hof merkt allereerst op dat het geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij het vermoeden kreeg dat men vanuit de door hem verhuurde schuur gestolen goederen via marktplaats verkocht. Gelet op diens eerdere ervaring van maar een paar maanden daarvoor, te weten dat er een hennepkwekerij was aangetroffen in de door hem verhuurde garages, en de overige omstandigheden die in feite een kopie zijn hetgeen zich eerder volgens de verdachte heeft voorgedaan ligt het veel meer in de rede om er dan vanuit te gaan dat er in de schuur aan de [a-straat 1] te [plaats] een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt. De verdachte heeft ook niet nader onderbouwd waarom hij dacht aan de handel in gestolen goederen.
Daarnaast vermag het hof niet in te zien waarom de verdachte op het moment dat hij - naar eigen zeggen - het niet meer vertrouwde, niet direct naar de politie is gegaan. Dit geldt temeer nu de verdachte een aantal maanden daarvoor had ervaren dat men als verhuurder van een garage/schuur waarin een overtreding van de Opiumwet is geconstateerd als een verdachte van die overtreding wordt aangemerkt. Dat de verdachte heeft getracht de huur op te zeggen volgt vervolgens enkel uit door hem gefabriceerde en bij hem in bezit zijnde stukken en vindt op geen enkele wijze steun in andere stukken in het dossier. Zo is het hof bijvoorbeeld gebleken dat de verdachte tot 13 april 2018 zeer actief via de telefoon communiceerde met [betrokkene 8] over uiteenlopende onderwerpen. In deze contacten wordt echter met geen woord gerept over het feit dat de verdachte hetgeen zich in die schuur afspeelt niet vertrouwt. Dit was daarentegen wel te verwachten geweest, aangezien de verhuur van de schuur met inmenging van [betrokkene 8] tot stand was gekomen en hij als directe en enige tussenpersoon tussen de verdachte en de huurder fungeerde. Een huurder waarmee de verdachte zelf naar eigen zeggen slechts eenmaal contact had gehad. In een dergelijke situatie en met toch al een actieve communicatie tussen beiden, valt immers te verwachten dat bij de eerste twijfel vragen worden gesteld, bijvoorbeeld de vraag aan [betrokkene 8] wat er in de schuur gebeurt en waarom er op de gekste tijden auto’s op en neer rijden. Maar zeker de periode erna had het voor de hand gelegen dat zichtbaar was geweest dat de verdachte ook middels berichten via de telefoon de druk bij [betrokkene 8] zou opvoeren om de door de verdachte gestelde opzegging van de huur te accepteren en de schuur (te laten) ontruimen dan wel dat hij de contactgegevens van de huurder zou geven. Van dit alles is niets gebleken. De verklaring die de verdachte daarvoor heeft gegeven, te weten dat hij [betrokkene 8] op het perceel sprak en de verhouding tussen hen door de situatie was bekoeld, acht het hof onvoldoende. Allereerst verklaart deze uitleg niet waarom er daarvoor dan wel zo frequent contact was via de telefoon. Daarnaast verklaart deze uitleg ook niet waarom, nadat er niet gereageerd was op de eerste brief, er daarna in het geheel geen gesprekken meer plaatsvonden. Hierbij merkt het hof nog op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat [betrokkene 8] hem nooit onheus heeft bejegend, maar meer dingen zei in de trant van “Komt wel goed” en “Maak je niet druk”. Het hof vermag niet in te zien waarom de relatie tussen hen beiden dan van het ene op het andere moment is bekoeld en er geen communicatie via de telefoon meer plaatsvindt.
Tot slot vermag het hof niet inzien waarom de verdachte geen brieven heeft verzonden naar het adres van de (vermeende) huurder, genoemd in de huurovereenkomst, Lindestraat 85 te Eersel, noch zich op dit adres heeft vervoegd.
Ook de door de verdachte gestelde bedreigingen zijn voor het hof niet aannemelijk geworden. Het is enkel bij een kale mededeling van de verdachte gebleven. Weliswaar heeft de verdachte na aandringen van het hof ter terechtzitting in hoger beroep voornamen genoemd van de personen die hem dan zouden hebben bedreigd, maar dit zijn geen specifieke verifieerbare namen en ook de omschrijvingen van de personen zijn zeer algemeen en op veel personen toepasbaar. Daarmee heeft de verdachte geenszins een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd, zodat deze voor het hof niet aannemelijk is geworden.
Gelet op het hiervoor overwogene is het voor het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft getracht de verhuur van de betreffende schuur op te zeggen en ook niet dat hij door personen dienaangaande is bedreigd.”
III. De cassatiemiddelen en de bespreking daarvan
Het eerste middel
6. De stellers van het middel hebben in de schriftuur onder het hoofd “MIDDEL I” een drietal bewijsklachten opgenomen. De pijlen zijn gericht op de bewezenverklaringen van feit 1 subsidiair (de eerste klacht), feit 2 (de tweede deelklacht) en, in de woorden van de stellers van het middel, de schakelbewijsconstructie (klacht 3).
7. Wat betreft de eerste twee deelklachten wordt aangevoerd dat het hof slechts in algemene zin heeft overwogen dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de door de verdachte verhuurde schuur “een overtreding van de Opiumwet” zou plaatsvinden, maar het daarbij niet heeft geconcretiseerd naar delicten die betrekking hebben op harddrugs (lijst I van de Opiumwet). Mede gelet op het hogere strafmaximum bij feiten die betrekking hebben op verdovende middelen op lijst I dan de feiten die verdovende middelen op lijst II betreffen, had het hof met die algemene verwijzing niet kunnen volstaan, aldus de stellers van het middel. De derde klacht keert zich tegen beide feiten en houdt in dat het hof een schakelbewijsconstructie heeft gehanteerd die in strijd is met de onschuldpresumptie, althans van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk is, nu “in casu specifieke onderscheidende kenmerken ontbreken en daarenboven wel significante verschillen tussen de door het hof vergeleken situaties bestaan”. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het juridisch kader
8. Het hof heeft inzake de tenlastelegging van feit 1 subsidiair (kort gezegd) bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van het in de bewezenverklaring genoemde misdrijf. Dat misdrijf betreft hier het bewerken en vervaardigen van amfetamine zoals vermeld op lijst I bij de Opiumwet. Vereist is alsdan dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het verschaffen van gelegenheid als bedoeld in art. 48 aanhefPro en onder 2º Sr, maar ook dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). [1] Wat dit laatste betreft, volgt de medeplichtige de dader van het gronddelict in de kwalificatie. Het opzet van de medeplichtige en dat van de dader hoeven voor strafbaarheid van de medeplichtige niet geheel samen te lopen, maar wel moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht voldoende verband houden met het misdrijf zoals door de dader is gepleegd. Of van zo’n voldoende verband sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daarover laat zich niet formuleren. In ieder geval zijn zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang. [2] Doorgaans zal kunnen worden aangenomen dat het vereiste verband zich in het bedoelde geval voordoet wanneer het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een belangrijk onderdeel vormt van het gronddelict, bijvoorbeeld bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Was het opzet van de medeplichtige op het mindere gericht, dan wordt daarmee ten voordele van de medeplichtige eerst rekening gehouden bij de strafoplegging.
9. Met betrekking tot het onder feit 2 bewezenverklaarde, geldt dat het verschaffen van gelegenheid tot het voorbereiden of bevorderen van de in het vierde of vijfde lid van art. 10 OpiumwetPro genoemde feiten aangaande harddrugs (lijst I) in art. 10a Opiumwet strafbaar is gesteld. Daarvoor geldt een strafmaximum van zes jaren. Art. 11a Opiumwet ziet op de strafbaarstelling van, eenvoudig gezegd, de voorbereiding of vergemakkelijking van professionele of grootschalige activiteiten met betrekking tot softdrugs zoals hennepteelt (lijst II). Het strafmaximum is in dat geval de helft lager, namelijk drie jaren.
10. Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Geen steun in het recht vindt echter de opvatting dat voor een dergelijke bewijsvoering moet worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. [3]
De bespreking van de klachten
11. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de schuur waar op 10 juli 2018 het amfetamine lab werd aangetroffen, werd verhuurd door de verdachte. Blijkens de huurovereenkomst [4] ging het om de periode van 23 februari 2018 tot en met 22 juli 2018. In die overeenkomst is een bepaling opgenomen waarin staat dat de huurder er tijdens de huurperiode geen hennep mag telen of synthetische middelen mag fabriceren. Uit de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte heeft het hof afgeleid dat de verdachte is benaderd door een vriend, [betrokkene 8], met de vraag of hij de schuur aan een kennis van deze vriend wilde verhuren als opslag voor haar spullen. De verdachte heeft naar zijn zeggen daarmee uiteindelijk ingestemd, maar heeft geen contactgegevens van deze vrouw gekregen – de communicatie verliep via [betrokkene 8]. De huurpenningen werden contant voldaan. Omdat de ruimte te vochtig zou zijn om er meubels op te slaan, zou de huurder de ruimte isoleren. Uit de bewijsvoering van het hof volgt ook dat de verdachte tijdens de verbouwing “een airco-achtig ding” heeft gezien en dat hij “een soort motor-geluid” hoorde. [5]
12. Voorts heeft het hof in zijn bewijsoverwegingen betrokken dat de verdachte kort voordat hij de huurovereenkomst inzake de schuur aan de [a-straat] aanging, al was geconfronteerd met een hennepkwekerij in een door hem verhuurde garage aan de [b-straat 1] te [plaats] . De wijze waarop beide huurovereenkomsten tot stand kwamen, vertoont volgens het hof belangrijke gelijkenissen: “In beide gevallen wilde een voor de verdachte onbekende derde het object huren en stond de verdachte hier afwijzend tegenover. Pas nadat een voor hem bekende had medegedeeld dat het te vertrouwen was, is de verdachte de huurovereenkomst aangegaan. In beide gevallen zou het gehuurde object gebruikt worden voor de opslag voor verhuizing en meubels en diende het object om hieraan te kunnen voldoen, verbouwd te worden. Tot slot werden de huurpenningen in beide gevallen contant betaald”. In beide ruimtes werd inderdaad het één en ander verbouwd en aangepast. Sinds de ontdekking van de hennepkwekerij was de verdachte volgens het hof dan ook een gewaarschuwd man. In het licht van de gebezigde bewijsmiddelen en tegen deze achtergrond komt het hof tot de conclusie dat de verdachte door alsnog over te gaan tot het verhuren van de schuur aan de [a-straat] , zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de door hem verhuurde schuur een overtreding van de Opiumwet zou plaatsvinden en hij die kans ten tijde van het verhuren ook bewust heeft aanvaard. Daarbij komt dat het hof uitvoerig heeft uiteengezet waarom naar zijn oordeel een aantal aspecten van de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is geworden. [6]
13. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof niet gehouden was tot een nadere specificering van het delict waartoe de verdachte gelegenheid heeft verschaft. In de hoedanigheid van medeplichtige – in de zin van het opzettelijk gelegenheid tot het plegen van het bedoelde misdrijf verschaffen (feit 1) respectievelijk het gelegenheid tot het plegen van het bedoelde feit trachten te verschaffen (feit 2) – ligt al een zekere afstand (losser verband) tot die delicten besloten. In de onderhavige zaak kan bovendien uit de bewijsvoering van het hof worden opgemaakt dat het feitelijk bewerken en vervaardigen van de amfetamine achter gesloten deuren plaatsvond en aan het zicht van de verdachte was onttrokken. Om wat voor drugs het precies ging, was dan voor de verdachte niet waarneembaar. In cassatie wordt niet betwist dat, zoals het hof met betrekking tot de beide tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten heeft overwogen, de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de door hem verhuurde schuur een “overtreding van de Opiumwet” zou plaatsvinden en dat hij die kans ten tijde van het verhuren bewust heeft aanvaard. Daarin ligt besloten het oordeel van het hof dat de verdachte de mogelijkheid dat het (dit keer) om een ‘lijst I verdovend middel’ als amfetamine ging, in het kader van het voorwaardelijk opzet op de koop toe heeft genomen en dit dus voor zijn eigen risico komt. Dat oordeel acht ik gelet op de concrete omstandigheden van het onderhavige geval, zoals blijkt uit ’s hofs bewijsvoering, niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd.
14. Voorts meen ik dat de wijze waarop het hof in zijn bewijsoverwegingen het gegeven van de eerder aangetroffen hennepkwekerij in een door de verdachte verhuurde garage heeft betrokken in de vorming van vorengenoemd oordeel, geen strijd oplevert met de door de stellers van het middel belichte onschuldpresumptie. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat de verdachte bekend was met het risico van het verhuren van een schuur of garage onder de omstandigheden waarvan in deze zaak sprake is; de verdachte was in dat opzicht inderdaad een gewaarschuwd man. Dat het hof daarbij overeenkomsten tussen beide voorvallen heeft benoemd, acht ik geenszins onbegrijpelijk.
15. Geen van de klachten treft doel.
Het tweede middel
16. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRMPro in de cassatiefase is overschreden nu de stukken door het hof te laat zijn ingezonden.
17. Namens de verdachte is op 15 februari 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 23 oktober 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden, die geldt in zaken waarin de verdachte niet in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of niet het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, met ruim een jaar overschreden. Dat dient te leiden tot strafvermindering. [7]
18. Het middel slaagt.
IV. Slotsom
19. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
20. Ambtshalve merk ik op dat ook de behandeltermijn van twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, hetgeen eveneens een grond voor strafvermindering vormt.
21. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
4.Deze maakt als bewijsmiddel 44 onderdeel uit van de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, maar heb ik hier niet opgenomen. De relevante inhoud daarvan is weergegeven in de bewijsoverwegingen van het hof (niet bestreden door de stellers van het middel).
5.Zie bewijsmiddel 54.
6.De desbetreffende overwegingen van het hof zijn hierboven in randnummer 5 weergegeven. Daarover wordt in de schriftuur niet geklaagd.