ECLI:NL:PHR:2024:1080

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
24/00655
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:31 BWArt. 10:32 BWArt. 6 EVRMArt. 20 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling erkenning buitenlands huwelijk in echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen

In deze zaak staat centraal of partijen rechtsgeldig zijn gehuwd in de Eritrese Orthodoxe kerk te Soedan en of dit huwelijk in Nederland erkend kan worden. De vrouw vordert echtscheiding en nevenvoorzieningen, waarbij zij stelt dat het huwelijk op 7 oktober 2012 is gesloten. De man betwist dit, eerst de rechtsgeldigheid, later zelfs het bestaan van het huwelijk.

De rechtbank Amsterdam sprak de echtscheiding uit en erkende het huwelijk. In hoger beroep wijzigde de man zijn standpunt en stelde dat partijen nooit gehuwd zijn. Het hof gaf de vrouw een bewijsopdracht om het huwelijk aan te tonen en liet een deskundige onderzoek doen. De vrouw bracht aanvullende stukken in en deed een bewijsaanbod voor het horen van een priester, maar het hof wees dit af vanwege de lange duur van de procedure en het belang van voortvarende procesvoering.

De vrouw kwam in cassatie tegen de bewijsopdracht en de afwijzing van haar bewijsaanbod. De Procureur-Generaal concludeert dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door het gewijzigde standpunt van de man toe te laten en de bewijsopdracht te geven. Ook is geen schending van het equality of arms-beginsel vastgesteld. De conclusie is dat de cassatie wordt verworpen.

Uitkomst: De cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt in stand gelaten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00655
Zitting18 oktober 2024
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[de man]
(hierna: de man)

1.Inleiding

1.1
In deze procedure rijst in het kader van de hoofdzaak, echtscheiding met nevenvoorzieningen, de voorvraag of partijen (rechtsgeldig) zijn gehuwd in de Eritrese Orthodoxe kerk te [plaats] , Soedan. De man heeft aanvankelijk erkend dat dit huwelijk is gesloten, maar zich op het standpunt gesteld dat het huwelijk niet rechtsgeldig is en daarom in Nederland niet kan worden erkend. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof stelt de man zich voor het eerst op het standpunt dat partijen nimmer met elkaar in Soedan zijn gehuwd.
1.2
Het hof heeft de vrouw bewijs opgedragen van haar stelling dat partijen met elkaar in Soedan zijn gehuwd. Volgens het cassatiemiddel had het hof dit niet mogen doen, omdat de man niet heeft gegriefd tegen de feitelijke vaststelling in de beschikking van de rechtbank dat partijen in Soedan zijn gehuwd. Verder heeft het hof aanvullende stukken van de vrouw buiten beschouwing gelaten en is het hof voorbij gegaan aan het bewijsaanbod van de vrouw om een priester te horen. Ook daartegen wordt in cassatie opgekomen.
2.Feiten en procesverloop [1]
2.1
Partijen hebben de Eritrese nationaliteit. Zij zijn de (biologische) ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [plaats] , Soedan (hierna: de minderjarige).
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 3 december 2018, heeft de vrouw de rechtbank verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en nevenvoorzieningen te treffen met betrekking tot de minderjarige en het huurrecht van de echtelijke woning. Voor zover van belang, heeft de vrouw gesteld dat partijen op 7 oktober 2012 in de Eritrese Orthodoxe kerk te [plaats] , Soedan, zijn gehuwd.
2.3
De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Primair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de echtscheiding niet kan worden uitgesproken, omdat het in Soedan gesloten huwelijk van partijen niet rechtsgeldig is en daarom in Nederland niet kan worden erkend. Subsidiair heeft de man inhoudelijk verweer gevoerd tegen de verzochte toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning.
2.4
Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw bepaald en het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend.
2.5
De man is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn appelschrift heeft de man zijn standpunt uit de eerste aanleg over het in Soedan gesloten huwelijk herhaald. De man heeft het hof verzocht om de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek.
2.6
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
2.7
Op 7 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, in aanwezigheid van partijen en hun advocaten. Ter zitting heeft de man het standpunt ingenomen dat partijen nimmer met elkaar in Soedan zijn gehuwd. Volgens de man zijn partijen op 7 oktober 2012 in de Eritrese Orthodoxe kerk in [plaats] geweest voor de doop van hun zoon en niet voor het sluiten van een huwelijk.
2.8
Bij tussenbeschikking van 7 april 2020 heeft het hof Amsterdam de vrouw toegelaten tot bewijs van haar stelling dat partijen met elkaar zijn gehuwd op 7 oktober 2012 in de Eritrese Orthodoxe kerk te [plaats] .
2.9
In het kader van de bewijsopdracht heeft de vrouw bij brieven van 26 mei 2020 en 25 september 2020 en bij journaalbericht van 20 oktober 2020 stukken in het geding gebracht en toegelicht. De man heeft hierop gereageerd bij brieven van 23 juni 2020 en 22 december 2020.
2.1
Bij brief van 22 oktober 2020 heeft de griffier van het hof de vrouw, naar aanleiding van haar journaalbericht van 20 oktober 2020, laten weten dat op verdere stukken van de vrouw in beginsel geen acht meer zal worden geslagen.
2.11
De man heeft op 28 september 2021 stukken in het geding gebracht. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.12
Bij tussenbeschikking van 30 november 2021 heeft het hof geoordeeld dat een beperkt onderzoek door een onafhankelijk deskundige wenselijk is. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de voorgenomen vraagstelling en de voorgestelde deskundige.
2.13
Bij brief van 14 december 2021 heeft de vrouw het hof bericht dat zij instemt met het onderzoek door de deskundige. Bij brief van 14 december 2021 heeft de man het hof bericht dat hij instemt met de benoeming van de voorgestelde deskundige.
2.14
Bij tussenbeschikking van 18 januari 2022 heeft het hof een onderzoek bevolen door mevrouw M. Jongeneel, hoofd operationele en consulaire zaken van de Nederlandse ambassade te [plaats] , ter beantwoording van de vraag of zich in de dossiers van het registratiekantoor in de Eritrese Orthodoxe kerk te [plaats] een origineel document bevindt waaruit blijkt dat tussen partijen op 7 oktober 2012 een huwelijk is gesloten.
2.15
Bij bericht van 5 mei 2022 heeft de deskundige verslag gedaan van haar bevindingen. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
2.16
Bij brief van 3 juni 2022 heeft de vrouw op dit verslag gereageerd. De vrouw heeft aanvullende stukken in het geding gebracht en een bewijsaanbod gedaan voor het horen van [priester] van de vestiging Amstelveen-Amstelland van de Eritrese Orthodoxe Tewahdo Medhanie Alem kerk.
2.17
Bij brief van 3 juni 2022 heeft de man op het verslag van de deskundige gereageerd. De man heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen van aanvullende stukken door de vrouw en haar verzoek om een getuigenverhoor.
2.18
Op 10 oktober 2022 heeft de vrouw een aanvullend stuk in het geding gebracht.
2.19
Op 5 mei 2023 heeft de vrouw aanvullende stukken in het geding gebracht.
2.2
Bij eindbeschikking van 19 december 2023 [2] heeft het hof Amsterdam de beschikking van 26 juni 2019 van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen.
2.21
De vrouw is tijdig [3] in cassatie gekomen van de tussenbeschikkingen van het hof van 7 april 2020, 30 november 2021 en 18 januari 2022 alsmede van de eindbeschikking van het hof van 19 december 2023. De man heeft een verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
In deze zaak rijst in het kader van de verzochte echtscheiding en nevenvoorzieningen de voorvraag of partijen (rechtsgeldig) zijn gehuwd in Soedan en, zo ja, of dit huwelijk in Nederland kan worden erkend. [4] Het relevante kader voor de beantwoording van deze voorvraag (art. 10:33 BW Pro) is te vinden in de artikelen 10:31-32 BW. Kort gezegd komt dit op het volgende neer. [5]
3.2
Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht – met inbegrip van de regels van internationaal privaatrecht – van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig in Nederland erkend (art. 10:31 lid 1 jo Pro. lid 3 BW). Voor erkenning is niet vereist dat het huwelijk in Nederland is geregistreerd; erkenning vindt van rechtswege plaats. Op degene die stelt een rechtsgeldig huwelijk te zijn aangegaan in het buitenland, rust de bewijslast in geval van betwisting van deze stelling. Een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit (art. 10:31 lid 4 BW Pro). Dit wettelijke vermoeden van rechtsgeldigheid geldt behoudens tegenbewijs. [6] Aan een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (art. 10:32 BW Pro).
3.3
Blijkens rov. 5.7 en 5.8 van de tussenbeschikking van 7 april 2020 is het hof van dit kader uitgegaan bij de beoordeling van de aan de orde zijnde voorvraag. De vrouw heeft een kerkelijke huwelijksakte van 7 oktober 2012 in het geding gebracht, zodat het huwelijk van partijen vermoed wordt rechtsgeldig te zijn (art. 10:31 lid 4 BW Pro). De man heeft een verklaring van het Bureau Documenten van de IND in het gebracht gebracht, waarin in het kader van de asielprocedure is vastgesteld dat de huwelijksakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Tegen deze achtergrond heeft het hof de vrouw in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van haar stelling dat partijen in Soedan met elkaar zijn gehuwd.
3.4
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
3.5
Onderdeel 1valt de bewijsopdracht aan die het hof bij tussenbeschikking van 7 april 2020 de vrouw heeft opgelegd. Het middel voert, kort gezegd, het volgende aan. Het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door de vrouw toe te laten tot het bewijs van haar stelling dat partijen op 7 oktober 2012 in de Eritrese Orthodoxe kerk te [plaats] zijn gehuwd. De man heeft in zijn appelschrift niet gegriefd tegen de feitelijke vaststelling in rov. 2.1 en 2.4.3 van de beschikking van de rechtbank van 26 juni 2019 dat partijen op 7 oktober 2012 te [plaats] zijn gehuwd. Hiermee staat het huwelijk van partijen in appel vast. Het hof heeft de vrouw dan ook ten onrechte bewijs opgedragen van het bestaan van dit huwelijk. Gelet op de tweeconclusieregel had het hof geen rekening mogen houden met de eerst ter zitting van het hof naar voren gebrachte stelling van de man dat partijen nimmer met elkaar in Soedan zijn gehuwd. Tot zover de klacht.
3.6
Uit de gedingstukken blijkt dat partijen in eerste aanleg het erover eens waren dat tussen partijen op 7 oktober 2012 te [plaats] een kerkelijk huwelijk is gesloten. Ik wijs op het inleidende verzoekschrift van de vrouw, onder 1 (‘Partijen zijn op 7 oktober 2012 te [plaats] gehuwd naar ter plaatse erkend Eritrees orthodox kerkelijk recht’) en het verweerschrift van de man, onder 2 (‘(…) Hij erkent tevens dat partijen op 7 oktober 2012 te [plaats] zijn gehuwd naar Eritrees kerkelijk recht (…)’). Op grond van deze standpunten, zoals ook weergegeven in rov. 2.4.2 en 2.4.3 van de beschikking van de rechtbank van 26 juni 2019, heeft de rechtbank in rov. 2.1 van voormelde beschikking als vaststaand feit vermeld: ‘Partijen zijn met elkaar gehuwd op 7 oktober 2012 te [plaats] , Soedan. (…)’.
3.7
In eerste aanleg spitste het partijdebat zich toe op de vraag of het op 7 oktober 2012 te [plaats] gesloten huwelijk van partijen in Nederland kan worden erkend op grond van art. 10:31 BW Pro. Volgens de vrouw zijn partijen rechtsgeldig gehuwd in Soedan en komt dit huwelijk voor erkenning in Nederland in aanmerking. De man betwist de rechtsgeldigheid van het huwelijk, zodat van erkenning in Nederland geen sprake kan zijn. In de beschikking van 26 juni 2019 is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat partijen rechtsgeldig zijn gehuwd en dat dit huwelijk in Nederland kan worden erkend op grond van art. 10:31 BW Pro (rov. 2.4.4 t/m 2.4.8).
3.8
In zijn appelschrift heeft de man grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen op 7 oktober 2012 te [plaats] rechtsgeldig zijn gehuwd. Zie het appelschrift, p. 1 (‘De rechtbank is ten onrechte van oordeel dat er tussen partijen sprake is van een rechtsgeldig in Nederland erkend huwelijk (…)’), p. 2 (‘De man stelt dat geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk’) en p. 4 (‘De man stelt zich op het standpunt dat hij met het vorenstaande voldoende heeft aangetoond dat er geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen (…)’). Zie ook rov. 5.4 van de bestreden tussenbeschikking van 7 april 2020.
3.9
Tijdens de mondelinge behandeling op 7 februari 2020 bij het hof krijgt de zaak een andere wending, wanneer de man blijkens het proces-verbaal van de zitting (p. 1-2) het volgende opmerkt:
‘Op uw vraag of ik op 7 oktober 2012 in een kerk ben geweest om een huwelijkssluiting of -ceremonie te doen antwoord ik dat ik (…) daar niet geweest ben voor een huwelijkssluiting of -ceremonie. Het was een doopceremonie van mijn zoon. Op 26 augustus 2012 is mijn zoon geboren in Soedan. Op 7 oktober 2012 vond de doopceremonie plaats. (…) We zijn echter helemaal niet getrouwd op 7 oktober 2012. (…) Op uw vraag of ik op een andere manier kerkelijk getrouwd ben antwoord ik dat dat niet het geval is. (…) U houdt mij voor dat dit allemaal een nieuwe lezing lijkt. Ik antwoord daarop dat ik toen ziek was. Mijn vorige advocaat heeft zijn werk niet goed gedaan en toen ben ik bij mijn huidige advocaat terechtgekomen.’
3.1
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft, onder andere, gesteld dat partijen op 7 oktober 2012 in de Eritrese Orthodoxe kerk te [plaats] zijn gehuwd en dat op dezelfde dag ook de doop van de minderjarige heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de vrouw benoemd dat de man tot aan de procedure in hoger beroep nimmer het standpunt heeft ingenomen dat partijen niet met elkaar zijn gehuwd (zie rov. 5.5 van de tussenbeschikking van 7 april 2020).
3.11
Uit het voorgaande blijkt dat de man tot aan de mondelinge behandeling bij het hof aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd dat partijen niet rechtsgeldig zijn gehuwd in Soedan, terwijl hij voor het eerst op de zitting bij het hof zijn verweer heeft gestoeld op een nieuwe feitelijke grondslag, namelijk dat tussen partijen nimmer een huwelijk is gesloten. De man ontkent ter zitting dat partijen op 7 oktober 2012 in de kerk in [plaats] zijn geweest voor de huwelijkssluiting; volgens hem hebben partijen de kerk bezocht voor de doop van de minderjarige.
3.12
Cruciaal is hoe de vrouw op dit gewijzigde standpunt van de man heeft gereageerd. Uit rov. 5.5 van de tussenbeschikking van 7 april 2020 maak ik op dat de vrouw dit gewijzigde standpunt ter zitting heeft benoemd en vervolgens zonder voorbehoud inhoudelijk verweer daartegen heeft gevoerd. Ik lees daarin geen verweer van de vrouw dat de man met dit gewijzigde standpunt in strijd heeft gehandeld met de tweeconclusieregel. Ook het proces-verbaal van de zitting van 7 februari 2020 biedt daarvoor geen steun; integendeel blijkt uit het proces-verbaal dat de vrouw zonder voorbehoud inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen het gewijzigde standpunt van de man. Ik meen dat de vrouw hiermee ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat het gewijzigde standpunt van de man over de huwelijksvoltrekking op 7 oktober 2012 te [plaats] alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. [7]
3.13
In het verdere verloop van de procedure heeft de vrouw zich ook daarnaar gedragen, door niet alleen uitvoering te geven [8] aan de haar opgelegde bewijsopdracht in de tussenbeschikking van 7 april 2020 (‘laat de vrouw toe tot het bewijs van haar stelling dat partijen met elkaar zijn gehuwd op 7 oktober 2012 in de Eritrese Orthodoxe Kerk te [plaats] , Soedan’), maar ook in te stemmen [9] met het door het hof bevolen deskundigenonderzoek in de tussenbeschikking van 18 januari 2022 (‘bevindt zich in de dossiers van het registratiekantoor in de Eritrese Orthodoxe Kerk te [plaats] , Soedan, een origineel document waaruit blijkt dat tussen [de man] en [de vrouw] op 7 oktober 2012 een huwelijk is gesloten?’).
3.14
Anders dan het middel stelt is het hof derhalve niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door bij tussenbeschikking van 7 april 2020 de vrouw een bewijsopdracht te geven omtrent het huwelijk in [plaats] .
3.15
Waar het middel (p. 9, onderaan) nog opmerkt dat de vrouw het met het zeer vage en oncontroleerbare deskundigenbericht niet eens is, lees ik daarin geen klacht. Het middel geeft niet aan waarom het hof het deskundigenbericht niet aan zijn beslissing ten grondslag mocht leggen.
3.16
Onderdeel 1 faalt.
3.17
Onderdeel 2is gericht tegen rov. 2.8 van de eindbeschikking van 19 december 2023. Volgens het middel heeft het hof de eisen van een behoorlijke rechtspleging niet in acht genomen door de aanvullende stukken van de vrouw van 10 oktober 2022 en 5 mei 2023 buiten beschouwing te laten en haar bewijsaanbod van 3 juni 2022 te passeren, terwijl het hof wel rekening heeft gehouden met de aanvullende stukken van de man van 28 september 2021 die buiten de gestelde termijn zijn binnengekomen. Deze gang van zaken zou onverenigbaar zijn met de eisen van ‘equality of arms’ (art. 6 EVRM Pro). Verder voert het middel aan dat ’s hofs oordeel dat de goede procesorde zich verzet tegen het toelaten van de aanvullende stukken en het bewijsaanbod van de vrouw nu de procedure al zo lang duurt, onbegrijpelijk is omdat de lange duur van de procedure aan het hof zelf te wijten is. Ook zou ’s hofs oordeel onbegrijpelijk zijn omdat niet kenbaar is meegewogen dat het hof de laatste feitelijke instantie voor de vrouw is, de man in een zeer laat stadium op de zitting bij het hof een geheel nieuw standpunt over het huwelijk heeft ingenomen en sommige aanvullende stukken vertaald moesten worden.
3.18
Als ik het goed begrijp klaagt het middel niet als zodanig tegen het toelaten van de aanvullende stukken van de man van 28 september 2021, maar voert het middel dit aan om te betogen dat de vrouw geen gelijke kansen heeft gehad voor het inbrengen van aanvullende stukken. Ik wijs erop dat de aanvullende stukken van de man van 28 september 2021 zijn ingebracht als tegenbewijs in het kader van het door de vrouw geleverde bewijs omtrent het bestaan van een (rechtsgeldig) huwelijk, terwijl de aanvullende stukken van de vrouw van 10 oktober 2022 en 5 mei 2023 zijn ingebracht naar aanleiding van het deskundigenbericht van mevrouw M. Jongeneel. Beide partijen hebben van het hof de gelegenheid gehad om te reageren op de inhoud van het deskundigenbericht. Bij brief van 3 juni 2022 hebben partijen over en weer van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Hiermee zijn de eisen van ‘equality of arms’ in acht genomen ten aanzien van het deskundigenbericht.
3.19
Ook overigens zie ik niet in dat het hof de eisen van ‘equality of arms’ ten nadele van de vrouw zou hebben geschonden. In het kader van de haar opgelegde bewijsopdracht heeft de vrouw bij berichten van 26 mei 2020, 25 september 2020 en 20 oktober 2020 verschillende stukken in het geding gebracht en toegelicht. De man heeft hierop gereageerd bij berichten van 23 juni 2020 en 22 december 2020. Bij brief van 22 oktober 2020 heeft de griffier van het hof de vrouw laten weten dat ‘(…) op verdere stukken van de zijde van de vrouw in beginsel geen acht meer zal worden geslagen’, kennelijk vanuit de gedachte dat de vrouw ruim de gelegenheid heeft gehad om stukken in het geding te brengen. Bij deze stand van zaken heeft het hof in rov. 2.8, zonder schending van de eisen van ‘equality of arms’, kunnen oordelen dat beide partijen ruim de gelegenheid hebben gehad om bewijs en tegenbewijs te leveren en daarop over en weer ook nog eens reacties te geven. Hierbij mocht het hof rekening houden met het belang om tot een afronding te komen van de procedure in hoger beroep die al sinds september 2019 loopt. Het hof heeft hiermee blijk gegeven van de op hem rustende verantwoordelijkheid om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure (art. 20 lid 1 Rv Pro). Kennelijk heeft het hof ook laten meewegen, zo kan uit rov. 2.8 worden afgeleid, dat de vrouw heeft nagelaten duidelijk te maken waarom zij de aanvullende stukken van 10 oktober 2022 en 5 mei 2023 niet eerder in het geding heeft kunnen brengen.
3.2
Voor het bewijsaanbod van de vrouw van 3 juni 2022 voor het horen van [priester] als getuige, geldt min of meer hetzelfde. In rov. 2.8 heeft het hof een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het belang van de vrouw bij het horen van deze getuige (het belang van waarheidsvinding in rechte) en anderzijds het belang van een voortvarende procesvoering. Gelet op de ruime mogelijkheden die de vrouw heeft gehad in het kader van haar bewijsopdracht, heeft het hof in het licht van de op hem rustende verantwoordelijkheid om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure, geoordeeld dat de vrouw in deze – gevorderde – fase van de procedure niet meer kan worden toegelaten tot het leveren van nader bewijs. Dit oordeel is niet onjuist en de motivering van het hof schiet niet te kort. [10]
3.21
Voor zover het middel aanvoert dat de lange duur van de procedure aan het hof zelf is te wijten, geldt het volgende. Het klopt dat de procedure in hoger beroep lang heeft geduurd (de man is op 25 september 2019 in hoger beroep gekomen en de eindbeschikking is van 19 december 2023), maar daar is een verklaring voor: de sterk uiteenlopende standpunten van partijen over de vraag of zij (rechtsgeldig) zijn gehuwd in [plaats] , de daaropvolgende bewijsopdracht aan de vrouw en het deskundigenonderzoek alsmede de diverse gelegenheden die partijen hebben gehad om op elkaars standpunten te reageren. Maar zelfs als met het middel zou worden aangenomen dat het hof een aandeel heeft gehad in de lange duur van de procedure, geldt dat beide partijen ruim de gelegenheid hebben gehad voor het leveren van bewijs en tegenbewijs en het reageren op elkaars standpunten en stukken.
3.22
Ook de klacht dat het hof niet kenbaar heeft meegewogen dat het hof de laatste feitelijke instantie voor de vrouw is, de man in een zeer laat stadium op de zitting bij het hof een geheel nieuw standpunt over het huwelijk heeft ingenomen en sommige aanvullende stukken vertaald moesten worden, zal de vrouw niet kunnen baten. In de belangenafweging die het hof in rov. 2.8 heeft gemaakt, ligt besloten dat het hof met deze omstandigheden – al dan niet impliciet – rekening heeft gehouden. Hierbij heeft het hof laten meewegen dat partijen ruim de gelegenheid hebben gehad voor het leveren van bewijs en tegenbewijs en het reageren op elkaars standpunten en stukken. Uiteindelijk heeft het hof het belang van een voortvarende procesvoering zwaarder laten wegen. Dat oordeel is alleszins begrijpelijk.
3.23
Onderdeel 2 faalt.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan de tussenbeschikking van het hof Amsterdam van 7 april 2020, rov. 3. Voor het procesverloop, zie de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2019, rov. 1, de tussenbeschikkingen van het hof Amsterdam van 7 april 2020, rov. 1-2, van 30 november 2021, rov. 1, en van 18 januari 2022, rov. 1, en de eindbeschikking van het hof Amsterdam van 19 december 2023, rov. 1.
2.Hof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3708.
3.De procesinleiding is op 26 februari 2024 via het webportaal ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
4.Het belang van deze voorvraag lijkt voor partijen vooral te zijn gelegen in de nevenvoorziening met betrekking tot de toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning. Zie procesinleiding in cassatie, p. 4, tweede alinea, en p. 1 en 2 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Amsterdam op 10 mei 2019.
5.Zie nader
7.Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1758,
8.Zie 2.9 van mijn conclusie.
9.Zie 2.13 van mijn conclusie.
10.Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5065,