ECLI:NL:PHR:2024:1091

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
18 oktober 2024
Zaaknummer
22/02130
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 22 Ambtsinstructie politieArt. 27 lid 1 SrArt. 41 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring eenvoudige belediging ambtenaar en bezit cocaïne

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens eenvoudige belediging van een politieambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening en het bezit van circa zes gram cocaïne. Het hof achtte bewezen dat verdachte de ambtenaar meerdere malen beledigde met grove woorden en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij cocaïne bij zich had.

De verdediging voerde in cassatie vier middelen aan: het onderscheid tussen verzoek en vordering door politie bij het neerleggen van de telefoon, het niet reageren van het hof op een noodweerverweer, de bewezenverklaring van het bezit van cocaïne en het gebruik van handboeien bij transport. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de politieambtenaren tijdens hun rechtmatige bediening handelden en dat de uitlatingen als vordering konden worden opgevat gezien de context.

Het hof had het noodweerverweer gemotiveerd verworpen omdat het handelen van de politie niet wederrechtelijk was. De bewezenverklaring van het bezit van cocaïne was gebaseerd op een samenhangende beoordeling van omstandigheden waaruit bleek dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op aanwezigheid van cocaïne aanvaardde. Het gebruik van handboeien werd gerechtvaardigd geacht vanwege het recalcitrante gedrag van verdachte en de veiligheid tijdens het transport.

De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar zag geen reden tot vernietiging van het vonnis. Het cassatieberoep werd verworpen en de straf van een taakstraf van twintig uur, omgezet in tien dagen hechtenis, bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot een taakstraf van twintig uur, omgezet in tien dagen hechtenis, blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02130

Zitting22 oktober 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 8 juni 2022 door (de enkelvoudige strafkamer van) het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren (te vervangen door tien dagen hechtenis) met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr Pro.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onder 1 ten laste gelegde feit strafbaar is. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van handboeien gerechtvaardigd was.

De processuele feiten

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 heeft de raadsman van de verdachte als volgt verweer gevoerd:

De zaak begint met de gedachte dat verdachte een grote cocaïnedealer is, die 950 gram aan harddrugs bij zich heeft. De politie vraagt aan mijn cliënt of hij zijn identiteitsbewijs wil tonen. Vervolgens wordt hij in de gelegenheid gesteld om het dak van zijn auto dicht te doen. Daarna verricht de politie een aantal handelingen waarbij de politie niet tegen mijn cliënt zegt: je moet jouw telefoon aan mij geven of stoppen met het wissen van berichten. Op pagina 35 van het politiedossier is namelijk vermeld dat de politieagent aan mijn cliënt heeft verzocht om de telefoon neer te leggen en uit het voertuig te stappen. Deze handeling is prima, maar daar kan geen juridisch gevolg aan worden verbonden. Vervolgens heeft de politieagent nogmaals twee keer aan mijn cliënt gevraagd of hij zijn telefoon weg kan leggen. Mijn cliënt geeft daar geen gehoor aan. Ook dit is nog steeds een vraag en geen verzoek. De politie moet namelijk vorderen dat mijn cliënt de telefoon neerlegt en dat doet de politie niet. Vervolgens vindt de politie dat er aan de vraag een gevolg moet worden gegeven, namelijk door de telefoon uit de handen van mijn cliënt te slaan. De verbalisanten hadden dat echter alleen mogen doen, als zij daarvoor hadden gevorderd dat mijn cliënt de telefoon weg moest doen. Op het moment dat je na het stellen van vragen al geweldsmiddelen toepast, dan ben je onrechtmatig bezig. De politie is op dat moment niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Overigens heeft mijn cliënt op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht het recht om zijn goed te verdedigen. Als het hof van oordeel is dat hier sprake is van een belediging, dan is de verdediging van mening dat er sprake is van noodweer. Mijn cliënt was gerechtvaardigd om op te treden tegen de politieagenten. Het feit kan daarom niet bewezen worden verklaard en mijn cliënt dient vrijgesproken te worden.
Mijn cliënt dient ook van feit 2 vrijgesproken te worden. Het is wel heel kort door bocht om te zeggen dat er uit het dossier blijkt dat er diverse drugs bij mijn cliënt zijn gevonden en dat hij daarom schuldig is. Uit het dossier blijkt dat mijn cliënt tijdens zijn verhoor schrikt als hem wordt verteld dat het om cocaïne gaat en zegt hij dat hij het niet wist dat hij de zakjes had. Ik proef in de woorden van de advocaat-generaal en de voorzitter dat verdachte op de koop heeft toegenomen dat er cocaïne in zijn schuur zou liggen. Maar zo makkelijk gaat dat niet. Hij moet een zekere bewuste mate van wetenschap van de cocaïne hebben en dat is in dit geval niet vast te stellen. Hij wist niet van de aanwezigheid van de cocaïne af. Mijn cliënt dient daarom van dit feit vrijgesproken te worden.
Ten aanzien van de straf bepleit ik het volgende. Bij de aanhouding zijn er transportboeien om de handen van mijn cliënt gedaan, omdat hij dwars en ongehoorzaam zou zijn. Mijn cliënt was misschien ongehoorzaam maar hij werd niet voor ongehoorzaamheid aangehouden. De politie mag alleen handboeien bij iemand om doen als er een risico voor het gevaar van vluchten of voor veiligheid van personen bestaat. Vervolgens moet er dan ook gekeken worden naar de aard van het strafbare feit. In het geval van een belediging had de politie mijn cliënt nooit handboeien om mogen doen. Het is gewoon een reactie van de politie op de belediging geweest en dat is onrechtmatig. Derhalve dient er geen straf aan mijn cliënt te worden opgelegd. Ik stel mij subsidiair op het standpunt dat – indien het hof tot een bestraffing mocht komen – aan mijn cliënt een taakstraf van 15 uren, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, wordt opgelegd.”
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

1. hij op 11 april 2018 te Leusden, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Mafkees” en “kankermongool” en “kankerlijer” en “kankerhomo”;
2. hij op 11 april 2018 te Leusden, gemeente Nijkerk, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer zes gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
6. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd:

Ten aanzien van feit 1
Uit de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte door de verbalisanten werd aangesproken nadat er een vermoeden was ontstaan dat de bestuurder van een grijze Mercedes voorzien van het kenteken [kenteken] , aan het dealen was, uit onderzoek bleek dat de grijze Mercedes op naam van verdachte stond, dat de verbalisant [verbalisant 3] de centralist hoorde zeggen dat verdachte al betrokken was geweest bij meerdere verdachte situaties en dat hij verdachte in de richting van de Mercedes zag lopen. Het hof acht de wijze van optreden door de verbalisanten rechtmatig, nu het een feit van algemene bekendheid is dat een mobiele telefoon bij het dealen in drugs gebruikt wordt en dat zowel aangever als zijn collega hadden gezien dat verdachte berichten op zijn telefoon aan het wissen was. De mededelingen van beide verbalisanten om hiermee te stoppen en de telefoon neer te leggen kunnen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk anders worden begrepen gelet op de context van de situatie dan een vordering daartoe. Het hof is van oordeel dat de verbalisanten op dat moment werkzaam waren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Van een wederrechtelijk handelen van beide verbalisanten is daarom geen sprake. De verweren van de raadsman worden verworpen.
Ten aanzien van feit 2
Het hof acht de stelling van verdachte dat hij niet van de cocaïne af wist niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet meer wist dat hij de zakjes nog in zijn bezit had en dat hij de zakjes ooit van iemand had gekregen. Verdachte heeft daarbij niet verklaard dat hij de zakjes niet herkende maar dacht dat er ketamine en speed in zat. Het hof is van oordeel dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat er in één van de zakjes cocaïne zou zitten. Gelet op het voorgaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
7. Hieraan zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

Ten aanzien van feit 1
1.Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht d.d. 26 november 2020, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als verklaring van verdachte:
Het klopt dat ik op 11 april 2018 in Leusden een agent heb beledigd door hem uit te schelden voor mafkees, kankermongool, kankerlijer en kankerhomo.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal aangiftevan politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaalnummer PL0900-2018100768-1, d.d. 11 april 2018 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , brigadier van politie (pagina’s 55 en 56 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als verklaring van [verbalisant 1] :
Ik doe aangifte van opzettelijke belediging. Ik zag en hoorde dat de woorden die verdachte sprak (...), kennelijk opzettelijk in mijn richting en voor mij bestemd, in het openbaar werden gesproken. Ik voel mij hierdoor beledigd. Ik was duidelijk in uniform gekleed en als zodanig herkenbaar als zijnde politieagent. Ik zag en hoorde het volgende:
Op woensdag 11 april 2018, omstreeks 17.30 uur, bevond ik mij op het Prins Clausplein te Leusden. Ik was aldaar bezig met mijn werk, samen met collega [verbalisant 3] , en voerden wij een controle voertuig, een Mercedes Benz, grijs van kleur en voorzien van het kenteken [kenteken] uit, naar aanleiding van een melding. Ik en mijn collega voerden de controle uit in het kader van de Opiumwet. Ik zag dat de auto geparkeerd stond op het Prins Clausplein in de nabijheid van winkels. Ik zag dat het voertuig geparkeerd stond voor een peuterspeelzaal. Ik zag dat het druk was met voetgangers en fietsers op (…) het trottoir en het fietspad.
Terwijl ik bezig was om het voertuig van binnen te controleren, zag ik dat de bestuurder van het voertuig op de bijrijdersstoel plaats nam. De bestuurder is [verdachte] genaamd. Ik zag dat de bestuurder een telefoon pakte en telefoon aan deed. Ik verzocht vervolgens de bestuurder om de telefoon neer te leggen en uit het voertuig te stappen. Ik zag dat de bestuurder hieraan niet voldeed en weer met zijn telefoon bezig was.
Vervolgens heb ik de bestuurder nogmaals twee keer gevraagd om de telefoon weg te leggen en uit het voertuig te stappen. Ik zag dat de bestuurder hieraan niet voldeed en vervolgens pakte in met mijn rechterhand de linkerhand van de bestuurder. Ik vroeg nogmaals om de telefoon weg te leggen en het voertuig te verlaten. Ik zag dat de bestuurder hieraan niet voldeed. Vervolgens tikte ik met mijn linkerhand de telefoon uit de rechterhand van de bestuurder. Ik zag en hoorde dat de bestuurder vervolgens tegen mij begon te schelden. Ik zag en hoorde dat de bestuurder het volgende tegen mij riep “Mafkees, doe normaal Mongool.” Vervolgens heb ik nogmaals tegen de bestuurder gezegd dat hij het voertuig moest verlaten. Ik zag en hoorde dat hij het volgende tegen mij riep; “Mafkees, Kankermongool, Kankerleijer, Kankerhomo” en woorden van gelijke strekking. Ik hoorde dat de bestuurder dit meerdere malen tegen mij riep.
Ik zag en hoorde dat de bestuurder mij in het openbaar en voor eenieder duidelijk hoorbaar beledigde. Ik voel mij in mijn eer aangetast. Dit ook mede ingegeven vanwege privézaken.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van bevindingenvan politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaalnummer PL0900-2018100768-8, d.d. 11 april 2018 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie (pagina’s 33 tot en met 35 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Op woensdag 11 april 2018 (...) werd ik, verbalisant [verbalisant 3] , door de dienstdoende centralist van het operationeel centrum, gestuurd naar het Maximaplein te Leusden. Aldaar zou er een voertuig geparkeerd staan waarbij het vermoeden bestond dat de bestuurder van dat voertuig zou dealen. Het voertuig betrof een grijze Mercedes en de melder kon zeggen dat de [cijfers] en de [letter] in het kenteken zaten.
Op genoemde dag en datum (...), kwam ik ter plaatse en zag ik, in een parkeervak een grijze Mercedes staan. Ik zag dat het voertuig voorzien was van het kenteken [kenteken] . Ik zag dat het voertuig geparkeerd stond voor sportschool te [A] en met de achterkant richting een speelplaats. Op deze speelplaats, een buitenschoolse opvang, waren op dat moment meerdere kinderen aan het spelen. Middels een informatie aanvraag bij het Operationeel Centrum hoorde ik dat het voertuig op naam stond van: [verdachte] . (...).
Het volgende moment keek ik weer richting het geparkeerde voertuig en zag ik, een licht getinte jongen met donker haar aan komen lopen. (...)
Ik confronteerde hem ermee en vroeg hem nogmaals of de grijze Mercedes, die geparkeerd stond op het Prins Clausplein, van hem was. Ik hoorde dat hij hier, uiteindelijk, bevestigend op antwoordde.
Middels controle vragen; te weten volledige naam, geboortedatum, adres en postcode, waarop hij snel en correct antwoorde, vermoedde ik te maken het hebben met de tenaamgestelde van het voertuig [verdachte] .
Gezien de antecedenten van de tenaamgestelde, het feit dat ik alleen was en nog een getuige moest bellen besloot ik mijn collega [verbalisant 1] ter plaatse te vragen bij de controle.
Op het moment dat collega [verbalisant 1] op de bestuurdersstoel plaatsnam (…). Ik zag dat [verdachte] op de bijrijdersstoel plaatsnam en de sleutel in het contact stak. Ik zag dat [verdachte] de mobiele telefoon die in het middenconsole lag meteen pakte. Ik zag dat hij de telefoon opende en berichten begon te verwijderen. Ik vertelde hem hierop de telefoon neer te leggen en uit te stappen. Ik zag dat hij door bleef gaan met het wissen van berichten. Ik hoorde collega [verbalisant 1] hem nogmaals vragen de telefoon uit te zetten. Ik zag dat [verdachte] hier wederom geen gehoor aan gaf. Ik zag [verbalisant 1] met zijn platte hand de telefoon bij [verdachte] uit zijn handen slaan en dat deze op de auto mat viel. Ik hoorde [verdachte] hierop zeggen; Wat doe je joh mongool, kankermongool die je bent? Of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat [verdachte] uitstapte en zijn scheldwoorden, zoals hierboven omschreven, nogmaals herhaalde.
Ten aanzien van feit 2
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnemingvan politie Eenheid Midden-Nederland, documentcode 20180413.1102.12421, d.d. 13 april 2018 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie (pagina 8 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Op donderdag 12 april 2018 (...) werd door de rechter-commissaris (...) voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in een woning gelegen aan [a-straat 1] [plaats] .
Als bijlagen gaan bij dit proces-verbaal: Kennisgevingen van inbeslagneming.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaaktekennisgeving van inbeslagnemingvan politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaal nummer PL0900-2018100768-43, opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum en tijd: 12 april 2018 (...)
Reden: bezit harddrugs (lijst 1)
Grondslag: art. 94 lid 1 Sv Pro - de waarheid aan de dag brengen.
Volgnummer 1
Goednummer: PL0900-2018100768-2176526
Categorie omschrijving: Medicamenten/hulpmiddelen
Object: verdovende middelen
Kleur: [verbalisant 8] Land: Nederland
Bijzonderheden: Pakje pall mall sigaretten met drie zakjes met [verbalisant 8] poeder.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaal nummer PL0900-2018100768-50, d.d. 23 april 2018 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6] , brigadier van politie en [verbalisant 7] , agent van politie (pagina's 16 tot en met 20 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisanten:
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
(...)
Goednummer: PL0900-2018100768-2176526
SIN: AALK9134NL
Relatie met SIN: AAKR21 10NL
Object: verdovende middelen
Kleur: [verbalisant 8]
Land: Nederland
Bijzonderheden: Pakje pall mall sigaretten met drie zakjes met [verbalisant 8] poeder
(…)
4.Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag d.d. 30 april 2018, nummer 2018.04.18.028, opgemaakt door de beëdigd deskundige A.G.A. Sprong, NFI-deskundig forensische drugsanalyse, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van rapporteur:
resultaten en conclusie
(…)
Cocaïne (...) zijn vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van verhoor verdachtevan politie Eenheid Midden-Nederland, documentnummer 20180423.1100.12421, d.d. 23 april 2018 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie en [verbalisant 8] , hoofdagent van politie (pagina’s 21 tot en met 38 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als weergave van het verhoor:
PI: In de garage zijn in een pakje sigaretten drie zakjes met daarin een witte poedersubstantie aangetroffen. Wat kan jij daarover verklaren?
V: Hebben jullie het al getest?
PI: waarom lag het in jouw garage?
V: Ik wist niet meer dat het ik het had. Ik heb ooit eens gekregen.
6.Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht d.d. 26 november 2020, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als verklaring van verdachte:
Ik denk dat ik die zakjes met poeder een keer heb gekregen. Ik kreeg poeder. Ik wist niet meer dat die zakjes nog in mijn garage lagen.

Het eerste middel

Het middel en de toelichting erop
8. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit is gekomen, althans dat ‘s hofs oordeel onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
9. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat er een verschil is tussen ‘verzoeken’ van de politie en ‘vorderingen’ van de politie en dat alleen vorderingen grondslag vinden in de wet. Op het moment dat de verdachte geen gevolg gaf aan het ‘verzoek’ van de verbalisant om zijn telefoon neer te leggen, was er voor de verbalisant geen bevoegdheid om de verdachte zijn telefoon met geweld afhandig te maken. Dit zou anders zijn geweest indien de verdachte ‘gevorderd’ werd de telefoon neer te leggen of af te geven. Dat is echter niet gebeurd, aldus de steller van het middel.
Het oordeel van het hof
10. Het hof heeft hieromtrent (en ik herhaal) het volgende overwogen:

Het hof acht de wijze van optreden door de verbalisanten rechtmatig, nu het een feit van algemene bekendheid is dat een mobiele telefoon bij het dealen in drugs gebruikt wordt en dat zowel aangever als zijn collega hadden gezien dat verdachte berichten op zijn telefoon aan het wissen was. De mededelingen van beide verbalisanten om hiermee te stoppen en de telefoon neer te leggen kunnen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk anders worden begrepen gelet op de context van de situatie dan[als]
een vordering daartoe.
De bespreking van het middel
11. Ik begrijp het middel aldus dat het klaagt over de bewezenverklaring van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid van (‘eenvoudige’) belediging, te weten dat die belediging ten aanzien van een ambtenaar heeft plaatsgehad “
gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat de uitlatingen van de verbalisanten aan de verdachte – gelet op de omstandigheden van het geval – bezwaarlijk anders kunnen worden begrepen dan als een (meermalen) tot hem gerichte vordering om zijn mobiele telefoon neer te leggen, waaraan de verdachte geen gehoor gaf. Daarna sloeg een verbalisant de telefoon uit de handen van de verdachte (hetgeen de verdachte aanleiding gaf tot de ten laste gelegde scheldkanonnade). De klacht steunt uitsluitend op de stelling dat de verbalisanten de verdachte niet met zoveel woorden hebben ‘gevorderd’ om de telefoon neer te leggen, doch zulks enkel hebben ‘verzocht’.
12. Gelet op de in de toelichting aangevoerde (weinige) argumenten, begrijp ik het middel als een rechtsklacht die berust op de opvatting dat uitlatingen (afkomstig van opsporingsambtenaren)
uitsluitendals vordering (of bevel) mogen worden aangemerkt indien zij uitdrukkelijk in die (dwingende) bewoordingen zijn gedaan. Het hof heeft dat onderscheid miskend, aldus de steller van het middel. Bovendien heeft het hof – naar ik het middel begrijp: ten onrechte – geoordeeld dat bij de vraag of de uitlating van een opsporingsambtenaar als een ‘vordering’ moet worden beschouwd – tevens – de omstandigheden van het geval in aanmerking mogen worden genomen en geoordeeld dat het in dit verband (dus) niet strikt noodzakelijk is dat vaststaat dat de opsporingsambtenaar het woord ‘vordering’ of ‘bevel’ in de mond heeft genomen.
13. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover daarin wordt geklaagd dat het hof het onderscheid tussen ‘vragen’ en ‘vorderen’ heeft miskend. Het is vrij evident dat het hof dit onderscheid op zichzelf onder ogen heeft gezien.
14. Het middel is ook tevergeefs voorgesteld voor zover het de (rechts)klacht behelst dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de uitlatingen van de opsporingsambtenaren hetzij als een ‘verzoek’, hetzij als een ‘vordering’ moeten worden opgevat, de omstandigheden van het geval (“
de context van de situatie”) in aanmerking heeft genomen. Hoewel bij die vraag in z’n algemeenheid de bewoordingen waarin de uitlatingen van de opsporingsambtenaren zijn vervat van grote betekenis zijn, mag de context waarin zij zijn gedaan niet uit het oog worden verloren. De mate van indringendheid waarmee een uitlating is gedaan (stemverheffing, dwingende blik) is bijvoorbeeld van belang bij de beoordeling of een uitlating als ‘leg die telefoon neer’ (ofschoon daarin een afgeleide van de woorden ‘vorderen’ of ‘bevelen’ niet voorkomt) toch als een vordering of als een (ambtelijk) bevel moet worden beschouwd, en of degene tot wie die uitlating zich richtte zulks ook als zodanig moet hebben verstaan. [1]
15. Allerlei andere vragen die door deze casus worden opgeroepen, behoeven vanwege de inhoud van, en de toelichting op het middel, geen bespreking.
16. Het middel faalt.

Het tweede middel

De klacht en de toelichting erop
17. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het
onder 1ten laste gelegde feit strafbaar is, althans dat ‘s hofs oordeel hieromtrent onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
18. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof onterechte niet op het door de verdediging aangevoerde ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunt’ is ingegaan. De steller van het middel verwijst hierbij naar hetgeen namens de verdachte “
(subsidiair)” ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd:

Overigens heeft mijn cliënt op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht het recht om zijn goed te verdedigen. Als het hof van oordeel is dat hier sprake is van een belediging, dan is de verdediging van mening dat er sprake is van noodweer. Mijn cliënt was gerechtvaardigd om op te treden tegen de politieagenten.
De bespreking van het middel
19. Geklaagd wordt over het gebrek aan respons op een door de verdediging ter terechtzitting ingenomen ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’. Daarbij doelt de steller van het middel blijkens de door hem gebruikte bewoordingen op (een verzuim van) de motiveringsverplichting die is neergelegd in artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Ik wijs de steller van het middel er echter op dat een ter terechtzitting – volgens de regelen der kunst – gedaan beroep op noodweer rechtens moet worden aangemerkt als een ‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’ als bedoeld in artikel 358 lid 3 Sv Pro. Op grond van deze bepaling is de rechter gehouden om op dergelijke verweren te beslissen, en op grond van artikel 359 lid Pro 2,
eerstevolzin, Sv is de rechter gehouden om zijn beslissing van een motivering te voorzien, een en ander op straffe van nietigheid. Deze bepalingen zijn in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. De steller van het middel doet de verdediging dus enigszins tekort door in het middel te verwijzen naar een beoordelingskader dat voor de verdediging strenger is. Aan een ter terechtzitting ingenomen standpunt plegen hogere eisen te worden gesteld wil dit als ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ (als bedoeld in artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv) kunnen worden aangemerkt, dan aan een ter terechtzitting gevoerd verweer, wil dit als ‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’ (als bedoeld in artikel 358 lid 3 Sv Pro) kunnen worden aangemerkt.
20. Wat hier ook van zij, het hof heeft m.i. wel degelijk gereageerd op het door de steller van het middel bedoelde noodweerverweer. In de aantekening van het mondelinge arrest dat is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 2022 heeft het hof namelijk overwogen (zie volledig citaat in randnummer 6 hierboven) dat “
de verwerenvan de raadsman worden verworpen”, zulks op de grond “
dat de verbalisanten op dat moment werkzaam waren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening” en dat “
van een wederrechtelijk handelen van beide verbalisanten daarom geen sprake is”. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de ‘aanranding’ van verdachtes goed (aangenomen dat dat het is) niet als ‘wederrechtelijk’ kan worden aangemerkt, zodat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. De klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op een noodweerverweer mist dus feitelijke grondslag.
21. Over de vraag waarom dit oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn, worden in cassatie (behoudens voor zover besproken naar aanleiding van het eerste middel) geen klachten opgeworpen.
22. Het middel faalt.

Het derde middel

Het middel en de toelichting erop
23. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring van het
onder 2ten laste gelegde feit is gekomen, althans dat ‘s hofs oordeel onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
24. Volgens de steller van het middel is onduidelijk welke omstandigheden in onderling verband en samenhang door het hof zijn betrokken bij het oordeel “
dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in een van de zakjes cocaïne zou zitten”.
25. Daarnaast voert de steller van het middel aan dat, hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij weleens speed of amfetamine gebruikt en dat hij niet de enige is die toegang heeft tot de garage, hij niet de aanmerkelijke kans op de koop heeft toegenomen dat hij cocaïne verkreeg toen hij uit was op de aanschaf van speed en amfetamine. De omstandigheid dat meerdere personen toegang hebben (gehad) tot de garage waarin de cocaïne is aangetroffen, is juist een omstandigheid die (in onderling verband en samenhang) tot de conclusie leidt dat de verdachte géén wetenschap van de aanwezigheid van cocaïne heeft gehad, aldus de steller van het middel.
Het oordeel van het hof
26. Ten aanzien hiervan heeft het hof overwogen (en ik herhaal):

Ten aanzien van feit 2
Het hof acht de stelling van verdachte dat hij niet van de cocaïne af wist niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet meer wist dat hij de zakjes nog in zijn bezit had en dat hij de zakjes ooit van iemand had gekregen. Verdachte heeft daarbij niet verklaard dat hij de zakjes niet herkende maar dacht dat er ketamine en speed in zat. Het hof is van oordeel dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat er in één van de zakjes cocaïne zou zitten. Gelet op het voorgaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
De bespreking van het middel
27. Uit de bovenstaande overweging van het hof maak ik op dat het hof uit omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft afgeleid dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het aanwezig hebben van cocaïne heeft aanvaard. Dat betreft de volgende omstandigheden:
- de verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet meer wist dat hij de zakjes (met o.a. cocaïne) nog in zijn bezit had (zie bewijsmiddel 5);
- de verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de zakjes (met o.a. cocaïne) ooit heeft gekregen (zie bewijsmiddel 6) ofwel heeft gekocht (zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022);
- de verdachte heeft (blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022) verklaard dat hij dacht dat er amfetamine in de aangetroffen zakjes zat.
28. Gelet hierop acht ik de klacht dat onduidelijk is welke omstandigheden in onderling verband en samenhang door het hof zijn betrokken bij het oordeel “
dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in een van de zakjes cocaïne zou zitten” tevergeefs voorgesteld. Immers blijkt uit het voorgaande dat het hof wel degelijk te kennen heeft gegeven welke omstandigheden bij het uiteindelijke oordeel zijn betrokken.
29. Daarnaast merk ik nog op dat de rechter die over de feiten oordeelt vrij is in de keuze en waardering van de feiten en omstandigheden die hij op basis van het beschikbare bewijsmateriaal al dan niet voor zijn oordeel van belang acht. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad slechts onderzoeken of de conclusies die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, begrijpelijk zijn. [2]
30. Het hof heeft in dit geval geoordeeld dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich cocaïne bevond in de zakjes die in zijn garage zijn aangetroffen. Ik begrijp het oordeel van het hof zo dat zich onder de omstandigheden van het geval een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (oftewel: een aanmerkelijke kans) heeft voorgedaan dat er naast de andere door de verdachte (naar eigen zeggen) gekregen c.q. aangeschafte drugs, ook cocaïne in het spel was. Door onder die omstandigheden dergelijke waar in zijn garage te bewaren, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van cocaïne bewust aanvaard en zich dus schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Opiumwet, aldus het hof. Dat oordeel is, in aanmerking genomen de door het hof in de bewijsmiddelen (zie randnummer 7) en zijn bewijsoverweging vastgestelde, in onderling verband en samenhang beschouwde, feiten en omstandigheden (zie randnummer 6), m.i. niet onbegrijpelijk.
31. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Het vierde middel

Het middel en de toelichting erop
32. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van handboeien gerechtvaardigd was, althans dat ‘s hofs oordeel daaromtrent onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
33. Volgens de steller van het middel is géén sprake van een van de gronden genoemd in artikel 22 Ambtsinstructie Pro voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Kennelijk abusievelijk verwijst de steller van het middel in dit verband naar de thans geldende bepaling. [3] Artikel 22 van Pro de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.
2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.
3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:
a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of
b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.
Het verweer en het oordeel van het hof
34. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 is namens de verdachte het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van de straf bepleit ik het volgende. Bij de aanhouding zijn er transportboeien om de handen van mijn cliënt gedaan, omdat hij dwars en ongehoorzaam zou zijn. Mijn cliënt was misschien ongehoorzaam maar hij werd niet voor ongehoorzaamheid aangehouden. De politie mag alleen handboeien bij iemand om doen als er een risico voor het gevaar van vluchten of voor veiligheid van personen bestaat. Vervolgens moet er dan ook gekeken worden naar de aard van het strafbare feit. In het geval van een belediging had de politie mijn cliënt nooit handboeien om mogen doen. Het is gewoon een reactie van de politie op de belediging geweest en dat is onrechtmatig. Derhalve dient er geen straf aan mijn cliënt te worden opgelegd. (…)
35. Het hof heeft ten aanzien van dit – kennelijk met het oog op artikel 359a lid 1, aanhef en onder a, Sv gevoerde en tot strafvermindering strekkende – verweer als volgt overwogen:

Het hof overweegt daarbij dat er bij de strafoplegging geen rekening is gehouden met hetgeen wat de raadsman naar voren heeft gebracht over het aanbrengen van de transportboeien bij verdachte, nu uit het dossier is gebleken dat verdachte bij de aanhouding recalcitrant was en de verbalisanten naar aanleiding van dit gedrag van verdachte naar het oordeel van het hof terecht voor de veiligheid tijdens het transport van verdachte de keuze hadden gemaakt om verdachte te boeien.”
Een nadere toelichting van het middel
36. Volgens de steller kan uit het enkele gegeven dat de verdachte zich recalcitrant gedroeg niet worden afgeleid dat er redelijkerwijs gevaar voor ontvluchting of gevaar voor de veiligheid van hemzelf, dan wel de betrokken ambtenaar of derden te duchten viel. Daar is meer voor nodig, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het middel
37. Vooropgesteld zij het volgende. Wanneer sprake is van gevaar, maakt de ambtenaar de professionele inschatting of het aanleggen van handboeien noodzakelijk is. Het standaard aanleggen van handboeien is in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De omstandigheden die een rol spelen in de professionele afweging zijn de persoon van degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd (gedrag, postuur, leeftijd, ernst van het feit waarvoor de persoon is aangehouden), de inrichting van de dienstauto waarin de persoon wordt vervoerd, de situatie waarin wordt vervoerd of verplaatst en andere mogelijkheden die de veiligheid van het transport kunnen waarborgen. [4]
38. Het hof heeft in casu vastgesteld dat uit het dossier is gebleken dat de verdachte bij de aanhouding ‘recalcitrant’ was en de verbalisanten naar aanleiding van dit gedrag terecht voor de veiligheid tijdens het transport de keuze hebben gemaakt om de verdachte te boeien. Zodoende heeft het hof kennelijk en m.i. niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verbalisanten, die ermee rekening konden en moesten houden dat het vervoer van de verdachte mogelijk gevaar zou opleveren voor de inzittenden van de politieauto, de beslissing om de verdachte ten behoeve van het vervoer te boeien in de gegeven omstandigheden in redelijkheid hebben kunnen nemen.
39. Het middel faalt.

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie

40. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 13 juni 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro geschonden. In het licht van de opgelegde taakstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [5]

Slotsom

41. Alle middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
42. Mede in het licht van hetgeen ik in randnummer 40 heb opgemerkt, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6178,
2.Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2023,
3.Zie
4.Zie ook M. van der Steeg in:
5.Zie HR 26 maart 2024,