Conclusie
Nummer22/02130
Inleiding
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren (te vervangen door tien dagen hechtenis) met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr Pro.
De processuele feiten
De zaak begint met de gedachte dat verdachte een grote cocaïnedealer is, die 950 gram aan harddrugs bij zich heeft. De politie vraagt aan mijn cliënt of hij zijn identiteitsbewijs wil tonen. Vervolgens wordt hij in de gelegenheid gesteld om het dak van zijn auto dicht te doen. Daarna verricht de politie een aantal handelingen waarbij de politie niet tegen mijn cliënt zegt: je moet jouw telefoon aan mij geven of stoppen met het wissen van berichten. Op pagina 35 van het politiedossier is namelijk vermeld dat de politieagent aan mijn cliënt heeft verzocht om de telefoon neer te leggen en uit het voertuig te stappen. Deze handeling is prima, maar daar kan geen juridisch gevolg aan worden verbonden. Vervolgens heeft de politieagent nogmaals twee keer aan mijn cliënt gevraagd of hij zijn telefoon weg kan leggen. Mijn cliënt geeft daar geen gehoor aan. Ook dit is nog steeds een vraag en geen verzoek. De politie moet namelijk vorderen dat mijn cliënt de telefoon neerlegt en dat doet de politie niet. Vervolgens vindt de politie dat er aan de vraag een gevolg moet worden gegeven, namelijk door de telefoon uit de handen van mijn cliënt te slaan. De verbalisanten hadden dat echter alleen mogen doen, als zij daarvoor hadden gevorderd dat mijn cliënt de telefoon weg moest doen. Op het moment dat je na het stellen van vragen al geweldsmiddelen toepast, dan ben je onrechtmatig bezig. De politie is op dat moment niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Overigens heeft mijn cliënt op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht het recht om zijn goed te verdedigen. Als het hof van oordeel is dat hier sprake is van een belediging, dan is de verdediging van mening dat er sprake is van noodweer. Mijn cliënt was gerechtvaardigd om op te treden tegen de politieagenten. Het feit kan daarom niet bewezen worden verklaard en mijn cliënt dient vrijgesproken te worden.
1. hij op 11 april 2018 te Leusden, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Mafkees” en “kankermongool” en “kankerlijer” en “kankerhomo”;
Ten aanzien van feit 1
Ten aanzien van feit 1
Het eerste middel
Het hof acht de wijze van optreden door de verbalisanten rechtmatig, nu het een feit van algemene bekendheid is dat een mobiele telefoon bij het dealen in drugs gebruikt wordt en dat zowel aangever als zijn collega hadden gezien dat verdachte berichten op zijn telefoon aan het wissen was. De mededelingen van beide verbalisanten om hiermee te stoppen en de telefoon neer te leggen kunnen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk anders worden begrepen gelet op de context van de situatie dan[als]
een vordering daartoe.”
gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat de uitlatingen van de verbalisanten aan de verdachte – gelet op de omstandigheden van het geval – bezwaarlijk anders kunnen worden begrepen dan als een (meermalen) tot hem gerichte vordering om zijn mobiele telefoon neer te leggen, waaraan de verdachte geen gehoor gaf. Daarna sloeg een verbalisant de telefoon uit de handen van de verdachte (hetgeen de verdachte aanleiding gaf tot de ten laste gelegde scheldkanonnade). De klacht steunt uitsluitend op de stelling dat de verbalisanten de verdachte niet met zoveel woorden hebben ‘gevorderd’ om de telefoon neer te leggen, doch zulks enkel hebben ‘verzocht’.
uitsluitendals vordering (of bevel) mogen worden aangemerkt indien zij uitdrukkelijk in die (dwingende) bewoordingen zijn gedaan. Het hof heeft dat onderscheid miskend, aldus de steller van het middel. Bovendien heeft het hof – naar ik het middel begrijp: ten onrechte – geoordeeld dat bij de vraag of de uitlating van een opsporingsambtenaar als een ‘vordering’ moet worden beschouwd – tevens – de omstandigheden van het geval in aanmerking mogen worden genomen en geoordeeld dat het in dit verband (dus) niet strikt noodzakelijk is dat vaststaat dat de opsporingsambtenaar het woord ‘vordering’ of ‘bevel’ in de mond heeft genomen.
de context van de situatie”) in aanmerking heeft genomen. Hoewel bij die vraag in z’n algemeenheid de bewoordingen waarin de uitlatingen van de opsporingsambtenaren zijn vervat van grote betekenis zijn, mag de context waarin zij zijn gedaan niet uit het oog worden verloren. De mate van indringendheid waarmee een uitlating is gedaan (stemverheffing, dwingende blik) is bijvoorbeeld van belang bij de beoordeling of een uitlating als ‘leg die telefoon neer’ (ofschoon daarin een afgeleide van de woorden ‘vorderen’ of ‘bevelen’ niet voorkomt) toch als een vordering of als een (ambtelijk) bevel moet worden beschouwd, en of degene tot wie die uitlating zich richtte zulks ook als zodanig moet hebben verstaan. [1]
Het tweede middel
onder 1ten laste gelegde feit strafbaar is, althans dat ‘s hofs oordeel hieromtrent onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
(subsidiair)” ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd:
Overigens heeft mijn cliënt op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht het recht om zijn goed te verdedigen. Als het hof van oordeel is dat hier sprake is van een belediging, dan is de verdediging van mening dat er sprake is van noodweer. Mijn cliënt was gerechtvaardigd om op te treden tegen de politieagenten.”
eerstevolzin, Sv is de rechter gehouden om zijn beslissing van een motivering te voorzien, een en ander op straffe van nietigheid. Deze bepalingen zijn in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. De steller van het middel doet de verdediging dus enigszins tekort door in het middel te verwijzen naar een beoordelingskader dat voor de verdediging strenger is. Aan een ter terechtzitting ingenomen standpunt plegen hogere eisen te worden gesteld wil dit als ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ (als bedoeld in artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv) kunnen worden aangemerkt, dan aan een ter terechtzitting gevoerd verweer, wil dit als ‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’ (als bedoeld in artikel 358 lid 3 Sv Pro) kunnen worden aangemerkt.
de verwerenvan de raadsman worden verworpen”, zulks op de grond “
dat de verbalisanten op dat moment werkzaam waren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening” en dat “
van een wederrechtelijk handelen van beide verbalisanten daarom geen sprake is”. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de ‘aanranding’ van verdachtes goed (aangenomen dat dat het is) niet als ‘wederrechtelijk’ kan worden aangemerkt, zodat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. De klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op een noodweerverweer mist dus feitelijke grondslag.
Het derde middel
onder 2ten laste gelegde feit is gekomen, althans dat ‘s hofs oordeel onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in een van de zakjes cocaïne zou zitten”.
Ten aanzien van feit 2
dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in een van de zakjes cocaïne zou zitten” tevergeefs voorgesteld. Immers blijkt uit het voorgaande dat het hof wel degelijk te kennen heeft gegeven welke omstandigheden bij het uiteindelijke oordeel zijn betrokken.
Het vierde middel
1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.
Ten aanzien van de straf bepleit ik het volgende. Bij de aanhouding zijn er transportboeien om de handen van mijn cliënt gedaan, omdat hij dwars en ongehoorzaam zou zijn. Mijn cliënt was misschien ongehoorzaam maar hij werd niet voor ongehoorzaamheid aangehouden. De politie mag alleen handboeien bij iemand om doen als er een risico voor het gevaar van vluchten of voor veiligheid van personen bestaat. Vervolgens moet er dan ook gekeken worden naar de aard van het strafbare feit. In het geval van een belediging had de politie mijn cliënt nooit handboeien om mogen doen. Het is gewoon een reactie van de politie op de belediging geweest en dat is onrechtmatig. Derhalve dient er geen straf aan mijn cliënt te worden opgelegd. (…)”
Het hof overweegt daarbij dat er bij de strafoplegging geen rekening is gehouden met hetgeen wat de raadsman naar voren heeft gebracht over het aanbrengen van de transportboeien bij verdachte, nu uit het dossier is gebleken dat verdachte bij de aanhouding recalcitrant was en de verbalisanten naar aanleiding van dit gedrag van verdachte naar het oordeel van het hof terecht voor de veiligheid tijdens het transport van verdachte de keuze hadden gemaakt om verdachte te boeien.”