ECLI:NL:PHR:2024:1093

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
20 oktober 2024
Zaaknummer
22/03799
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bewezenverklaring hennepteelt, diefstal elektriciteit en beschadiging elektriciteitswerk

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het telen van hennep, diefstal van elektriciteit door middel van verbreking en het opzettelijk beschadigen van een elektriciteitswerk en het verijdelen van een veiligheidsmaatregel. De hennepkwekerij werd op 17 maart 2019 aangetroffen in een woning waar verdachte verbleef. Er werden 486 hennepplanten gevonden en een illegale aftakking van elektriciteit die leidde tot brand.

De verdachte stelde cassatie in tegen het hofarrest en voerde twee middelen aan: een klacht over de bewezenverklaring van de diefstal en beschadiging elektriciteitswerk en een schending van de inzendtermijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had bewezen verklaard dat verdachte hennep teelde en elektriciteit stal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Echter, het hof had onvoldoende vastgesteld dat verdachte zelf de verbreking van het elektriciteitswerk en het verijdelen van de veiligheidsmaatregel had gepleegd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het deze feiten betrof en wees de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling. Andere gronden voor vernietiging werden niet gevonden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt deels vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de bewezenverklaring en strafoplegging omtrent diefstal door verbreking en beschadiging elektriciteitswerk.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03799

Zitting22 oktober 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 6 oktober 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 “
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 2 “
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking” en onder 3 “
opzettelijk een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaringen van feit 2 en feit 3. Het tweede middel ziet op een schending van de inzendtermijn.

De zaak

4. In deze zaak gaat het om een hennepkwekerij die op 17 maart 2019 is aangetroffen in een woning te [plaats] waar de verdachte vaak kwam en vanaf eind december 2018 zelf woonde. Op de zolderetage van deze woning werden 486 hennepplanten aangetroffen. Ook werd in het pand stroom afgenomen door middel van een illegale aftakking en is in de hennepkwekerij brand ontstaan in een houten compartiment waarin zich elektronisch schakelmateriaal bevond. De verdachte is veroordeeld voor (1) het telen van hennep, (2) de diefstal van elektriciteit door middel van verbreking, en (3) het opzettelijk beschadigen van een elektriciteitswerk en het verijdelen van een ten opzichte daarvan genomen veiligheidsmaatregel terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het eerste middel

5. Het eerste middel bevat klachten over de motivering van de bewezenverklaringen van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

De bewijsconstructie van het hof

6. Ten laste van de verdachte is door het hof onder 2 en 3 bewezen verklaard dat:
“2. hij in de periode van 30 december 2018 tot en met 17 maart 2019 te [plaats] een hoeveelheid elektriciteit, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan Stedin Netbeheer B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
3. hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 17 maart 2019 in [plaats] het elektriciteitsnetwerk van de [a-straat 1] heeft beschadigd en een ten opzichte van een zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld terwijl daarvan gevaar voor goederen te duchten was, immers heeft verdachte:
- een of meer zegels van de hoofdaansluitkast verbroken ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening en
- een of meer hoofdzekeringen bij te plaatsen in de hoofdaansluitkast en
- de hoofdzekering te verzwaren (waardoor er een grotere hoeveelheid elektrisch vermogen afgenomen kon worden) en
- een illegale elektriciteitsaansluiting aangebracht die buiten de meter om een in die woning aanwezige en in werking zijnde hennepplantage van elektriciteit voorzag.”
7. Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd. De door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen luiden als volgt:
“1.Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2019080619-2, pagina's 22 t/m 47 bij het proces-verbaal met nummer PL1700 2019080619, inhoudendeals relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Na het binnentreden zagen wij op de tweede verdieping, de zolderetage, een ruimte waarin de rookontwikkeling had plaatsgevonden. Wij zagen dat deze ruimte zwart geblakerd was door de rookontwikkeling. Wij zagen dat in deze ruimte goederen aanwezig waren, welke bestemd waren voor het vervaardigen van softdrugs. Wij zagen dat in deze ruimte assimilatielampen aan het plafond hingen en dat er vele potten, gevuld met aarde en kleine hennepplanten stonden:
In totaal stonden er 486 hennepplanten. De gemiddelde hoogte van de hennepplanten was ongeveer 15 centimeter.
Door Stedin werd gezien dat de aanwezige kweekpotten voorzien waren van een dikke witte aanslag, welke ontstaat indien de hennepteelt zich in de laatste week bevindt waarbij er geen water meer wordt gegeven en hierdoor de kalkafzetting van de aanwezige potten plaatsvindt. Stedin zag dat deze aanslag zodanig was dat dit niet van de aanwezige hennepoogst afkomstig was. Ook zag Stedin een hoeveelheid vuilniszakken staan gevuld met restkluiten van hennepplanten. De periode van een volledige hennepoogst is 76 dagen in dit geval is het een volledige hennepoogst van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van 7 dagen. De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is zondag 17 maart 2019 onderzocht door [betrokkene 1], fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder Stedin netwerkbeheer, in aanwezigheid van de ter plaatse gekomen politieambtenaren. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat de stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door [betrokkene 1], fraude inspecteur bij de netwerkbeheerder Stedin netwerkbeheer B.V. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek uil een illegale aftakking beslaande uit twee elektriciteitskabels. Door de netwerkbeheerder Stedin Netwerkbeheer B.V. werd ter plaatse aangifte gedaan van diefstalstroom. Uit het rapport van de vermelde fraude-inspecteur bleek dat de aangelegde installatie gevaar opleverde voor personen en/of goederen.
2.Het proces-verbaal van bevindingen van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700 2019080619-17, pagina’s 15 t/m 19 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2019080619. Inhoudende alsrelaas van de [verbalisant 1]:
Op maandag 18 maart 2019 werd door een buurtbewoner, genaamd [getuige 1], een Volkswagen Golf, voorzien van het [kenteken], gezien, waarvan hij de bestuurder en het kenteken vaker voor de deur had gezien van [a-straat 1]. Door een politie eenheid werd vervolgens bovengenoemd voertuig gecontroleerd. De bestuurder bleek te zijn genaamd [verdachte], geboren [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats].
3.Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL 1700-2019080619-21, pagina’s 89 en 90 bij het proces-verbaal met nummer PL 1700-2019080619, inhoudende alsverklaring van [getuige 1]:
Half/eind november 2018 hoorde ik van [betrokkene 2] dat hij weer naar Suriname ging en stelde gelijk zijn nieuwe huurder aan mij voor. [betrokkene 2] vertelde dat hij naar Suriname ging en dat de nieuwe huurder in het weekend van 3 december 2018 daar zou gaan verblijven. Hij stelde de nieuwe huurder voor als een kennis van hem. Ik zag dat het een man was met een Indisch uiterlijk, ongeveer 40 jaar, vadsig postuur, sluik zwart haar, halflang. Hij was ongeveer een kop kleiner dan ik en ik ben 1.93 meter lang. Ik schat hem tussen de 1.75/1.80 meter lang. De man sprak vloeiend Nederlands. Ik heb de man dan ook een handje gegeven. Deze man heb ik ook dagelijks in de woning gezien. Meestal zag ik hem in de avonduren rond 21:30 uur/22:00 uur. Deze man reed in een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf en voorzien van het [kenteken]. Ik zag verder nooit iemand anders in die woning.
4.Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1 700-2019080619-20, pagina’s 95 en 96 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2019080619, inhoudende alsverklaring van [getuige 2]:
[betrokkene 2] verbleef van ongeveer mei 2018 tot en met december 2018 in zijn woning en is daarna weer teruggegaan naar Suriname. In deze periode zag ik dat ongeveer 2 a 3 keer per week een Aziatische man bij [betrokkene 2] langs kwam. De Aziatische man kwam altijd alleen, bleef dan ongeveer 2 uur bij [betrokkene 2] binnen en vertrok daarna ook weer alleen. Ik kan deze man als volgt omschrijven:
- Ongeveer 40 jaar;
- Kort donkerkleurig haar;
- Ongeveer 1.70 meter lang.
De Aziatische man kwam zeker 2 a 3 keer per week nog in de woning nadat [betrokkene 2] al weg was. Dit was dan in de maanden januari, februari en maart 2019.
5.Een geschrift, te weten de rapportage diefstal energie van Stedin Netbeheer B.V., pagina’s 49 t/m 65 bij het proces-verbaal met nummer PLI 700-2019080619, inhoudende:
Diefstal is gepleegd in de periode van 30-12-2018 t/m 17-03-2019.
Bij controle van de netcomponenten (hoofdleiding, aansluiting en meetinrichting) van Stedin Netbeheer B.V. en de elektrische installatie in de meterkast van dat pand zag ik dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Voorts zag ik dat er in de hoofdaansluitkast op de plaats waar door personeel van een provider een (1) hoofdzekering was geïnstalleerd en nu hoofdzekeringen waren bijgeplaatst. Door deze hoofdzekeringen bij te plaatsen kan er een grotere hoeveelheid elektrisch vermogen afgenomen worden. Ik zag dat de hoofdzekering(en) die bij het aansluiten van het pand op het elektriciteitsnet van Stedin Netbeheer B.V. aangebracht door personeel van een provider verzwaard waren. Door deze hoofdzekering(en) te verzwaren kan er een grotere hoeveelheid elektrisch vermogen afgenomen worden. Ik zag dat er aan de bovenzijde van de hoofdzekering(en) een illegale aansluiting was bijgeplaatst en aangesloten. Deze illegale aansluiting zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze illegale aansluiting werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Deze illegale aansluiting was destijds bij het aansluiten van het pand op het elektriciteitsnet van Stedin Netbeheer B.V. niet in opdracht van Stedin Netbeheer B.V. geïnstalleerd. Bij het volgen van die illegale aansluiting zag ik dat deze uitkwam in een onderverdeling van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerij ongemeten van elektriciteit werd voorzien. Uit bovenstaande bevindingen bleek dat met het aanbrengen van de illegale aansluiting er nadeel is ontstaan voor Stedin Netbeheer B.V. door een niet geregistreerd elektriciteitsverbruik. Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Stedin Netbeheer B.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 23.839 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepkwekerij en eventueel huishoudelijk verbruik. Het totaalbedrag dat de contractant hierdoor aan Stedin Netbeheer B.V. verschuldigd is, bedraagt 2.512,13 euro. Niemand had het recht of de toestemming van Stedin Netbeheer B.V. om het zegel te verbreken of wijzigingen in de bedrading aan te brengen. Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van Stedin Netbeheer B.V. op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.
6.Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PLI 700-2019080619-4, pagina’s 72 t/m 75 bij het proces-verbaal met nummer PL1700 2019080619, inhoudende alsrelaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
Wij zagen een compleet gemeubileerde woning waarbij de tweede etage was omgebouwd tot een hennepkwekerij. In het midden bevond zich hier een, met gips afgetimmerde houten compartiment waardoor een U-vormige ruimte was ontstaan. In dit houten compartiment bevonden zich de watervoorzieningen en kweekmaterialen zoals jerrycans, voedingsstoffen voor planten en dergelijke. In dit compartiment bevond zich tevens het elektronisch schakelmateriaal ten behoeven de hennepkwekerij. Wij zagen dat er in het houten compartiment brand was geweest. Wij zagen dat de houten plaat waar het elektronisch schakelmateriaal zich bevond verbrand was. Wij zagen, hoog op de houten plaat van het schakelmateriaal, een inbranding die verder was verbrand dan de rest van het hout. Op de houten plaat herkenden wij nog enkele vormen van elektronisch materiaal wat zich hier had bevonden. Kennelijk had de brandhaard, de plaats van het ontstaan van de brand, zich op dit bord bevonden. Vermoedelijk is dit brandend schakelmateriaal van het bevestigingsbord afgevallen en heeft hierdoor de lagergelegen delen doen ontbranden.
De oorzaak van de brand heeft zich in de technische installatie van de hennepkwekerij bevonden.”
8. De politierechter heeft, voor zover relevant, het volgende overwogen omtrent het bewijs:
“3.3 De beoordeling
Vast staat dat er op tweede verdieping van de woning aan de [a-straat] een hennepkwekerij is aangetroffen en dat er in dat verband is gerommeld met de elektrische installatie in de woning.
De politierechter heeft zijn twijfels bij de huurovereenkomst tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3], bij het bestaan van deze laatstgenoemde persoon en bij de wijze waarop de huurovereenkomst tot stand is gekomen. De politierechter heeft niet vast kunnen stellen dat verdachte iets te maken heeft met die huurovereenkomst. Wel is de politierechter van oordeel dat niet aannemelijk is dat er in de ten laste gelegde periode een andere huurder is geweest, gelet op de totstandkoming van de huurovereenkomst en het kennelijke gebruik van valse papieren daarbij, de verklaring van de [getuige 1] waaruit volgt dat de verdachte werd voorgesteld als de nieuwe huurder en de kennelijk frequente aanwezigheid en langere verblijfsduur van de verdachte in de woning, zoals volgt uit de getuigenverklaringen, zonder dat de verdachte daarvoor een aannemelijke verklaring heeft. Noch de frequentie, noch de verblijfsduur verhoudt zich met de stelling van de verdachte dat hij alleen in de woning kwam om pakketjes en huur op te halen. Bovendien is er in de betreffende periode nooit iemand anders bij de woning gezien.
De raadsvrouw is van mening dat de getuigenverklaringen geringe bewijswaarde hebben. De politierechter heeft evenwel geen reden om aan de betrouwbaarheid van die getuigenverklaringen te twijfelen.
Bovendien is ook de laptop van verdachte aangetroffen in de woning. De verdachte heeft daar een verklaring voor gegeven, maar ook dat lijkt erop te wijzen dat verdachte meer in de woning deed dan alleen kijken of er pakketjes lagen en kijken of er huurgeld lag.
Dit alles bij elkaar genomen brengt de politierechter tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte in de woning is geweest en dat hij betrokken is geweest bij in ieder geval het onderhoud van de hennepkwekerij. Dat de verdachte betrokken is geweest bij de opbouw acht de politierechter niet bewezen en dit wordt hem ook niet verweten. Ook acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het aftappen van de elektriciteit.
3.3
De conclusie
Het tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen.”
9. De bewijsmiddelen van de politierechter zijn door het hof als volgt aangevuld:
“Het hof vult de door de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aan met de volgende waarneming van het gerechtshof, waargenomen ter terechtzitting in hoger beroep:
‘De voorzitter deelt mede dat het voor het hof zichtbaar is dat de verdachte van Aziatische afkomst is hetgeen de verdachte ook bevestigt.’”

De toelichting op het eerste middel

10. Het eerste middel, mede bezien in het licht van de toelichting, houdt twee deelklachten in. Ten eerste wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van het onder 2 (stroomdiefstal) en 3 (beschadigen elektriciteitswerk en verijdelen veiligheidsmaatregel) ten laste gelegde ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet betrokken is geweest bij de opbouw van de hennepkwekerij. Ten tweede is de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde onvoldoende gemotiveerd omdat de diefstal van elektriciteit zelfstandige aandacht verdient in de bewijsvoering.

De bespreking van het eerste middel

11. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 30 december 2018 tot en met 17 maart 2019 als enige betrokken was bij – het ‘onderhoud’ van – de hennepkwekerij in de woning aan de [a-straat] te [plaats]. Het hof acht dan ook – in navolging van de politierechter – bewezen dat de verdachte toen en daar opzettelijk hennep heeft geteeld. Dit oordeel wordt in het middel en in de toelichting erop niet uitdrukkelijk met klachten bestreden, zodat daarvan in het vervolg kan worden uitgegaan.
12. Aangezien het hof in navolging van de politierechter tevens – in cassatie onweersproken – heeft vastgesteld dat in de woning in deze periode ten behoeve van de bewezen verklaarde hennepteelt elektriciteit buiten de meter om werd afgenomen, heeft het hof kunnen vaststellen dat de verdachte toen en daar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening elektriciteit heeft weggenomen. Voor zover het middel over deze vaststelling klaagt, faalt het.
13. Wel is het middel terecht voorgesteld wat betreft de klacht over het bewijs van de strafverzwarende omstandigheid van de bewezen verklaarde diefstal (de verbreking van het elektriciteitswerk) en het bewijs van de onder 3 bewezen verklaarde beschadiging van een elektriciteitswerk en verijdeling van een ten opzichte daarvan genomen veiligheidsmaatregel. Het hof heeft hieromtrent niets vastgesteld, terwijl het daderschap van de verdachte in zoverre niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. [1] , [2] Dat de verdachte betrokken was bij de opbouw van de hennepkwekerij is immers – zoals de politierechter ook met zoveel woorden heeft overwogen – niet komen vast te staan.
14. Een bespreking van het tweede middel blijft gelet op het voorgaande achterwege.

Slotsom

15. Het eerste middel slaagt.
16. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen onder 2 en 3 en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2325. In de zaak die ten grondslag lag aan dit arrest ging het om de volgende feiten. Er woedde een brand in de schuren van een woning van de verdachte. In die schuren werden goederen aangetroffen die duidden op de recente aanwezigheid van een hennepkwekerij. De brand was ontstaan door een illegale aansluiting in een meterkast in de woning van de verdachte en verspreidde zich via de bedrading tot buiten de woning. Voor die meterkast stond een zware kast die enkel met twee personen verplaatst kon worden, zo heeft de verdachte verklaard. Het hof kwam tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk beschadigen van een elektriciteitswerk en het verijdelen van een ten opzichte daarvan genomen veiligheidsmaatregel. Ten aanzien van het daderschap van de verdachte overwoog het hof dat de verdachte het ten laste gelegde feit met een of meer anderen had gepleegd en daarbij nam het hof in aanmerking dat de verdachte had verklaard dat de zware kast enkel met twee personen verplaatst kon worden en dat hij had verklaard zelf niet ‘deskundig’ te zijn (in – neem ik aan – het aanleggen van elektrische installaties). Volgens de Hoge Raad kon de bewezenverklaring niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsvoering en was de uitspraak dus niet toereikend gemotiveerd.
2.Vgl. HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:16,