Conclusie
1.Inleiding en overzicht
de kostendie in rekening zijn gebracht
bij een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
gemeenschappelijke bijlage(de Bijlage).
Het Hofheeft geoordeeld dat de kosten naheffing niet op een te hoog bedrag zijn vastgesteld gelet op de voorschriften in art. 2 Besluit Pro gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb). Weliswaar zijn bepaalde kostenposten ten onrechte in aanmerking genomen bij de berekening, maar uitgaande van de terecht in aanmerking genomen kosten, komt de berekening nog steeds uit op een hoger bedrag (te weten € 71,24) dan dat ingevolge de Verordening wordt berekend.
drie klachtenaangevoerd.
eerste klacht) Onjuist is de opvatting van belanghebbende dat voor de bepaling welke kosten in aanmerking mogen worden genomen bij de berekening van het bedrag aan kosten naheffing, het een afzonderlijk vereiste is dat kosten zijn gemaakt ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag (4.1-4.2).
tweede klacht) Het Hof gaat terecht uit van de opvatting dat de formulering ‘voor zover’ in art. 2(1) Bgpb niet eraan in de weg staat dat indien kosten meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, de kosten geheel in de kostenberekening mogen worden betrokken (4.9-4.10).
derde klacht) De opvatting van belanghebbende dat nu het door de gemeente geraamde kostenbedrag (€ 98,24) hoger is dan het bedrag dat de gemeente volgens het Hof mocht ramen (€ 71,24), de Verordening onverbindend had moeten worden verklaard, is onjuist, nu het in de Verordening vastgestelde bedrag (€ 65,30) nog altijd lager is dan dat laatste bedrag (4.11-4.12).
vooropstellinghet juridisch kader uiteen te zetten voor de beoordeling of een in een belastingverordening opgenomen bedrag aan kosten naheffing is vastgesteld conform de regels van art. 2 Bgpb Pro. Naast duidelijkheid over (a) hoe de aanhef van art. 2 Bgpb Pro moet worden uitgelegd (en dan in het bijzonder de passage “de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen”), is naar mijn indruk de rechtspraktijk in het bijzonder gebaat bij duidelijkheid over (b) de bewijslastverdeling en (c) de gevolgen van overschrijding van de verhaalbare-kostenlimiet.
ongegrond.
2.Uitgangspunten in cassatie en oordeel Hof
Uitgangspunten in cassatie
3.Het geding in cassatie
eersteklacht richt zich tegen het oordeel van het Hof zoals dat tot uitdrukking komt in rov. 4.3.1-4.3.5 en de daaropvolgende toepassing daarvan in 4.5.2 en 4.5.3. Dit oordeel komt erop neer dat voor de vraag of bepaalde kosten door gemeenten in de raming mogen worden meegenomen, voldoende is dat die kosten gedeeltelijk samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Dit oordeel getuigt van een onjuiste, te ruime, lezing van art. 234(5) Gemeentewet in samenhang met art. 2 Bgpb Pro, aldus nog steeds de klacht.
tweedeklacht richt zich tegen het oordeel van het Hof in rov. 4.3.4 dat de formulering ‘voor zover’ in art. 2(1) Bgpb geen beperking oplevert voor de mate waarin kosten mogen worden doorberekend.
derdeklacht richt zich tegen het oordeel van het Hof in – naar ik begrijp – rov. 4.5.6 en 4.5.8 dat de kosten naheffing in de Verordening niet op een te hoog bedrag zijn vastgesteld en dat bij belanghebbende dus niet te veel kosten in rekening zijn gebracht. De klacht houdt in dat nu bij de raming kosten in aanmerking zijn genomen die niet onder de reikwijdte van art. 2(1) Bgpb vallen, de onrechtmatigheid van de Verordening is gegeven en de Verordening onverbindend had moeten worden verklaard. De klacht wijst erop dat sprake is van een zodanige afwijking tussen het door de gemeente geraamde kostenbedrag (€ 98,24) en het bedrag dat de gemeente volgens het Hof mocht ramen (€ 71,24) dat dit in alle redelijkheid niet zonder consequenties kan blijven.
4.Beoordeling van de klachten
De eerste klacht
nietzo dat voor het geval de rechtsopvatting van het Hof wel juist zou zijn, belanghebbende (subsidiair) de (impliciete) oordelen van het Hof over de desbetreffende kostenposten bestrijdt. Ik lees in de toelichting bijvoorbeeld
nietde klacht dat de kosten van het aanbrengen van bebordingen hooguit zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.