Conclusie
1.Aanleiding en overzicht
margin of appreciationvan de nationale wetgever in belastingzaken en (iii) feitenrechters over de effecten van ncnp-procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-zaken; en
no cure no pay(ncnp) gemachtigden als de bpm-proces-markt (95%).
overallbeoordeling van alle doelen en effecten van de WHpkv in het licht van de mensenrechtenverdragsrechtelijke discriminatie-verboden, mede gegeven het algemeenheidsbeginsel (een wet moet algemeen kunnen gelden), de
wide margin of appreciationvoor de EVRM-lidstaten in belastingzaken en de eisen van praktische uitvoerbaarheid.
niet-WOZ/bpm-gevallen zou mijns inziens voor zo’n non-zaak als deze alleen de lagere pkv volgens de nieuwe wet vergoed moeten worden. Ik geef u daarom in overweging om dat verschil in omgekeerde richting weg te nemen door ook als het initieel om een andere belasting zou gaan, in zo’n non-zaak als deze de lagere pkv toe te kennen. Dat kan mijns inziens op basis van de ‘bijzondere omstandigheden’-uitzondering in art. 2(3) Bpb.
wieer dan ongelijk behandeld wordt ten opzichte van wie. Niet duidelijk is of de gemachtigde op basis van ncnp-afspraken procedeert of anderszins op basis van zodanige afspraken dat de cassatie-pkv niet aan de belastingplichtige toekomt, maar aan de gemachtigde. Als zij slechts de gemachtigde toekomt, heeft de belastingplichtige geen enkel denkbaar belang bij deze cassatieprocedure en zou het cassatieberoep niet-ontvankelijk zijn.
Point d’interêt, point d’action. De enige belanghebbende is dan de gemachtigde, die echter geen zelfstandige partij kan zijn in een belastingprocedure over een beschikking op naam van de belastingplichtige en die – bij dergelijke pkv-afspraken in cassatie – ook niet (meer) de belastingplichtige vertegenwoordigt, die immers geen enkel belang (meer) heeft, noch inhoudelijk, noch procedureel, maar alleen zichzelf vertegenwoordigt. Nu op 1 januari 2024 ook het cessieverbod in art. 19a(5) Wet bpm is ingegaan, is denkbaar dat de belastingplichtige formeel nog belang heeft bij de (uitbetaling van de) pkv. [1] Maar als zij die geheel moet doorbetalen aan de gemachtigde, heeft zij nog steeds geen belang bij deze cassatieprocedure. Zij kan dan mijns inziens geen ‘victim’ zijn van enige discriminatie in de zin van art. 14 EVRM Pro of van enige andere schending in de zin van art. 34 EVRM Pro. Het onderscheid tussen gewone en verlaagde pkv treft dan niet de belastingplichtige, maar alleen het verdienmodel van de gemachtigde. Ik meen dat die aantasting, wat daarvan ook zij, noch door de gemachtigde (geen partij), noch door de belastingplichtige (geen belang) aan de orde gesteld kan worden in een cassatieprocedure voor de belastingrechter, die er niet is voor het verdienmodelbelang van gemachtigden, maar voor de fiscale belangen van belasting- en inhoudingsplichtigen. Als het alleen om het ondernemingsbelang van de gemachtigde gaat, waar het naar uitziet, dan moet deze zich mijns inziens wenden tot de (burgerlijke) restrechter.
manifestly without reasonable foundation).
tickettot mogelijkheden om pkv, ISV en dwangsommen uit te lokken. Alleen al uit het feit dat ncnp-bureaus nagenoeg de hele bpm-bezwaar- en beroepsmarkt (95%) in handen hebben, volgt noodzakelijkerwijs dat bezwaar en beroep in bpm-zaken een verdienmodel zijn dat haaks staat op de wensen van de wetgever om (i) belastingplichtigen een procesrisico-afweging te laten maken, (ii) de pkv in belastingzaken hoogstens een tegemoetkoming in de werkelijke kosten te doen zijn en (iii) een deel van de kosten van de in het gelijk gestelde partij voor diens rekening te laten als normaal maatschappelijk risico. Zonder overcompensatie is winst voor een
no cure no paygemachtigde immers per definitie onmogelijk.
manifestly without reasonable foundationzouden zijn. De maatregel is ook zeker geschikt om de gestelde doelen te bereiken.
BNB2013/230 en HR
BNB2014/30 zag u in een (zéér) hoge mate van
overinclusiveness(= dispropotionaliteit) van de formeel-wettelijke maatregel geen reden om die maatregel disproportioneel en daarmee in strijd met het privilege/discriminatieverbod te achten. Mocht de rechter in een concreet geval menen dat toepassing van de WHpkv leidt tot een uitkomst die niet verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel vervat in het EVRM, dan kan de ‘bijzondere omstandigheden’-
escapevan art. 2(3) Bpb mijns inziens moeiteloos aldus worden uitgelegd dat in zo’n geval de rechter naar bevind van zaken (nl. van proportionaliteit) de uit de WHpkv voortvloeiende pkv verhoogt of verlaagt.
Structureellijkt mij met de WHpkv uit proportionaliteitsoogpunt niets mis en in geval van
incidenteleernstige onevenredigheden kan de rechter op basis van art. 2(3) Bpb maatwerk leveren.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.De algemene regeling van proceskostenvergoeding (pkv) in het bestuursrecht
Toetsing van het onderscheid in het Bbp tussen (i) fiscale en andere bezwaar-procedures en (ii) WOZ/bpm-procedures en andere fiscale procedures
7.Rechtspraak
8.Rapporten van onderzoeken naar ncnp-verdienmodellen in WOZ- en bpm-zaken
9.De in casu toe te kennen pkv
Prealabel; is er wel eenvictimvan een mensenrechtenschending?
overallbeoordeling van alle doelen en effecten van de WHpkv op basis de genoemde mensenrechtenverdragsrechtelijke bepalingen. Zoals u het treffend uitdrukte in de zaak HR
BNB2013/230 (zie 7.2-7.4 van de bijlage):
wieer dan wel ongelijk behandeld wordt ten opzichte van wie. Uit het dossier wordt mij niet duidelijk of de gemachtigde op basis van ncnp-afspraken procedeert of anderszins op basis van zodanige afspraken tussen hem en de belastingplichtige dat de door u toe te kennen pkv in cassatie niet aan de belastingplichtige toekomt, maar aan de gemachtigde. Als de vergoeding alleen ten goede kan komen aan de gemachtigde, heeft de belastingplichtige geen enkel belang bij deze cassatieprocedure en zou het cassatieberoep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
Point d’interêt, point d’action. De enige belanghebbende in deze cassatieprocedure is dan de gemachtigde, die echter geen zelfstandige partij kan zijn in een belastingprocedure over een beschikking op naam van de belastingplichtige en die – bij dergelijke pkv-afspraken in cassatie – ook niet (meer) de belastingplichtige vertegenwoordigt, die immers geen enkel belang (meer) heeft, noch inhoudelijk, noch procedureel, maar alleen zichzelf vertegenwoordigt.
De toets aan het volkenrechtelijke discriminatieverbod
manifestly without reasonable foundation).
kunnenwerken omdat ncnp-verdienmodellen op andere fiscale terreinen niet levensvatbaar zijn bij gebrek aan een regelmatig stromende massa aan éénvormig geautomatiseerd bestrijdbare (waarde)besluiten c.q. eigen aangiften waarmee structurele overcompensatie gegenereerd kan worden. Ik zie niet in waarom alle andere belastingplichtigen dan zij die belang hebben bij een lagere WOZ- of tweedehandsauto-waardering wél hun gemachtigde grotendeels zelf moeten betalen als WOZ- en bpm-belastingplichtigen dat niet hoeven. Als wij naar de WOZ- en bpm-belastingplichtigen kijken, moet de WHpkv mijns inziens eerder beschouwd worden als de beëindiging van een moeilijk te rechtvaardigen
privilege(gratis procederen op staatskosten, ook als het nergens over gaat) dan als een
discriminatievan die belastingplichtigen.
Gelijke gevallen?
tickettot mogelijkheden om pkv, ISV en dwangsommen uit te lokken, en die inspanningen en verrichtingen dus niet in de eerste plaats gestuurd worden door het fiscale belang van de belastingplichtige. Ncnp-verdienmodellen komen op die andere fiscale terreinen niet of nauwelijks voor omdat procedures op die andere terreinen niet volstrekt overwegend en massaal (elk jaar weer en bij elke ingevoerde auto weer) zien op één onontkoombaar discutabele en daarmee in elke zaak met kans op succes aanvechtbare grootheid, nl. de waarde van een onroerende zaak met al dan niet een extra badkamer of van een tweedehands motorvoertuig met gebruikssporen en/of schade. Ik werk dat uit.
chablone-werkwijze van bpm-ncnp-gemachtigden brengt mee dat de gewone pkv op basis van alleen het Bpb de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft, aldus de wetgever (zie 6.13 bijlage). Die zeer beperkte inspanningen en kosten van ncnp- gemachtigden in bpm-procedures zijn niet vastgesteld met onweerlegbaar empirisch onderzoek, maar volgen volgens de wetgever uit de gegevens dat (i) ruim 95% van de bpm-procedures door ncnp-gemachtigden wordt gevoerd, (ii) deze gemachtigden een zeer groot aantal zaken doen met beperkte bezetting, (iii) 90% van de bpm-bezwaarschriften afkomstig is van drie ncnp-gemachtigden waarvan de grootste 60% van alle bpm-bezwaren en -beroepen doet, (iv) het WODC-onderzoek 2021 (zie 6.13 bijlage) concludeert dat de verrichtingen van bpm-ncnp-gemachtigden gericht lijken op profiteren van bestaande wet- en regelgeving, (v) de belastingdienst waarneemt dat die gemachtigden in de regel standaardgrieven indienen en (vi) feitenrechters met regelmaat overwegen dat bpm-proceshandelingen een uniform karakter hebben en de argumenten per geschil in hoge mate overeenkomen (zie 7.20 e.v. bijlage). Er bestaat volgens de medewetgever een grote massa vergelijkbare bpm-zaken waardoor ncnp-bureaus geautomatiseerd met
copy-pastekunnen werken. Daar komt bij dat een bpm-zaak gemiddeld een relatief gering financieel belang betreft, dat de bpm een aangiftebelasting is, waardoor massaal tegen de eigen aangifte kan worden geprocedeerd en dat de kans op succes relatief hoog is door de onzekerheidsmarge die nu eenmaal gepaard gaat met waardevaststelling van een voertuig, aldus nog steeds de wetgever (zie 6.19 bijlage).
kansop
hoogstensbetaling van pkv en ISV structureel procedures te voeren in geschillen over vennootschapsbelasting, erfbelasting, loonheffing of hondenbelasting, op welke terreinen geen sprake kan zijn van een regelmatig stromende grote eenvormige massa aan vrijwel identieke (waardebepalings)gevallen waarbij bezwaarindiening zodanig geautomatiseerd kan worden dat de klanten het in wezen zelf doen door het webformulier op de website van de ncnp-gemachtigde in te vullen en op
sendte drukken, en (hoger) beroepen kunnen bestaan uit voorgebakken standaard-tekstblokken. Maar het zou niet misstaan hebben als de regering dat ook zou hebben opgemerkt en toegelicht in de MvT. Uit het WODC-rapport uit 2024 (zie 8.6 bijlage) volgt overigens inderdaad dat op andere fiscale terreinen dan bpm en WOZ (en WAHV-boeten en parkeerbelastingen) het ncnp-aandeel onder beroepsgemachtigden verwaarloosbaar of nihil is en dat het op die andere terreinen in verband met de andere aard van mogelijke geschillen ondenkbaar is dat één ncnp-beroepsgemachtigde 60% van alle bezwaar- en beroepsprocedures voor zijn rekening neemt of dat 90% van alle bezwaren ingediend worden door slechts drie ncnp-kantoren.
de belastingplichtigeniet meer dan ‘tegemoet’ te komen in diens werkelijk door hem gemaakte kosten van bezwaar en beroep met het oog op de rechtsbescherming tegen
materieelonjuiste besluiten of uitspraken.
BNB2013/230 (zie 7.2-7.4 bijlage):
BNB2013/230 en in de in 7.12 van de bijlage geciteerde zaak HR
BNB2014/30 heeft u bepaald grovere, om niet te zeggen ongeschikte, keuzen van de wetgever aanvaard als niet van redelijke grond ontbloot. In de in 7.14 van de bijlage geciteerde zaak HR
BNB2010/3 achtte u zelfs
verondersteldeveronderstellingen van de wetgever voldoende rechtvaardiging voor ongelijke behandeling, bij formele wet, van vergelijkbare belastingplichtigen.
Objectieve en redelijke rechtvaardiging? Geschikt?
inhoudelijk(deels) gegrond wordt verklaard (het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd), aan wie 25% van de gewone Bpb-pkv wordt vergoed. Dit verschil heeft ook als doel om te voorkomen dat uitsluitend wordt doorgeprocedeerd op formele gronden terwijl dat niet in het belang is van de belastingplichtige, met name om de parasitaire technieken van uitlokking van procedurele foutjes en procesvertragingen met het oog op ISV wegens overschrijding van de redelijke termijn tegen te gaan (zie 6.26bijlage).
BNB2022/106, om ingrijpen van de formele wetgever riepen. Uit dat arrest volgt dat voor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ook bij niet-formele wetgeving niet vereist is dat de juistheid van een veronderstelling waarop een pkv-onderscheid wordt gebaseerd, empirisch moet zijn vastgesteld of later feitelijk moet komen vast te staan, maar slechts dat zij zo realistisch is dat de wetgever deze in redelijkheid aan de regeling ten grondslag kon leggen en dat die veronderstelling het gemaakte onderscheid steunt. Aan die vereisten, die blijkens de in 7.2 en 7.12 van de bijlage geciteerde zaken HR
BNB2013/230 en HR
BNB2014/30 bovendien in veel zwakkere mate aan formele wetgeving worden gesteld, lijkt mij in het geval van de WHpkv met vlag en wimpel voldaan. Het onderscheid dat de WHpkv maakt, lijkt mij ook zeer geschikt om die gerechtvaardigde doelen te bereiken en de daaronder liggende veronderstellingen van de wetgever lijken mij, voor zover die niet (volledig) berusten op het door hem genoemde onderzoeks- en ervaringsmateriaal en bevestigd worden door de rechtspraak en het latere 2024-WODC-rapport, bepaald realistisch. Ook als dat anders zou zijn, volgt uit HR
BNB2013/230 (zie 7.2bijlage) dat u bij de toets van formele wetgeving aan het EVRM-discriminatieverbod nauwelijks eisen stelt aan het realiteitsgehalte van de veronderstelling waarop de formele wetgever het onderscheidende criterium (in die zaak: 150 km van de grens) baseert. Volgens HR
BNB2014/30 (zie 7.12 bijlage) houdt het discriminatieverbod niet in dat een maatregel die met het oog op een in de praktijk ervaren probleem onderscheid maakt tussen gelijke of in relevante opzichten vergelijkbare gevallen, slechts toelaatbaar is als het bestaan en de omvang van dat probleem en de effectiviteit van de gekozen oplossing empirisch zijn vastgesteld. Gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid mag de fiscale wetgever een dergelijk onderscheid volgens u ook baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de effectiviteit van de daarvoor gekozen oplossing, tenzij die veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat het evident onredelijk is ze aan het onderscheid ten grondslag te leggen. Dat lijkt mij met betrekking tot de onderbouwing van de WHpkv geenszins het geval. Mijns inziens kan niet gezegd worden dat, voor zover de wetgever zich heeft gebaseerd op veronderstellingen omtrent de noodzaak en de doelmatigheid van de WHpkv, die veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat zij evident onredelijk zouden zijn.
manifestly without reasonable foundationzouden zijn. De maatregel is ook zeker geschikt om de gestelde doelen te bereiken.
Proportioneel?
BNB2013/230 (zie 7.2 bijlage) en HR
BNB2014/30 (zie 7.12) zag u in een (zeer) hoge mate van
overinclusiveness(= dispropotionaliteit) van de formeel-wettelijke maatregel geen reden om die maatregel disproportioneel en daarmee in strijd met het privilege/discriminatieverbod te achten.
escapevan art. 2(3) Bpb alleen bedoeld is voor uitzonderlijke gevallen (zie 6.17 bijlage), maar dat neemt niet weg dat als de rechter meent dat toepassing van de WHpkv in een concreet geval tot een uitkomst zou leiden die niet verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel vervat in het EVRM, die Bp-bepaling mijns inziens moeiteloos aldus uitgelegd kan worden dat in zo’n geval de rechter naar bevind van zaken (nl. van proportionaliteit) de uit de WHpkv voortvloeiende pkv verhoogt of verlaagt. Het lijkt mij namelijk dat de rechterlijke bevinding dat het feitelijke effect van de WHpkv in een concreet geval wegens disproportionaliteit onverenigbaar is met het EVRM wel als ‘bijzondere omstandigheid’ in de zin van het Bpb kan worden aangemerkt.
Structureellijkt mij met de WHpkv uit proportionaliteitsoogpunt niets mis en in geval van
incidenteleernstige onevenredigheden kan de rechter op basis van art. 2(3) Bpb maatwerk leveren. [13]
10.Ceterum censeo
omdie proceskosten, voor financieel gewin. Aan te nemen valt dat de (mede)wetgever die optie heeft overwogen, maar dat zij is afgestuit op de ratio van een forfait. De bedoeling van het forfait in het Bpb is juist dat de rechter zich
nietbij elk afzonderlijk geval hoeft te verdiepen in de vraag of het redelijk was om beroepsrechtsbijstand in te roepen en zo ja, welke vergoeding redelijk is, of in de vraag wie er nu eigenlijk procedeert (de gemachtigde of de belastingplichtige) en waaróm de belastingplichtige (of is het diens ‘gemachtigde’?) procedeert en met welk achterliggend niet-OZB-belang. Onwenselijk is dat de rechter de kwaliteit van de dienstverlening moet gaan beoordelen en uitdrukken in wel of geen of gereduceerde proceskostenvergoeding. [14] Een antimisbruikbepaling is niet werkbesparend als er – doordat het om waardebepaling gaat – massaal oneigenlijk geprocedeerd kan worden. Bij een forfait passen objectieve en
prima facietoepasbare criteria. Dat neemt niet weg dat in evidente gevallen van misbruik van procesrecht een niet-ontvankelijkverklaring kan volgen. [15]
inclusivenesster zake van het te bestrijden misbruik. Mijns inziens luidt het antwoord op die vraag ontkennend. Dat er wellicht ook nog een derde misstand is, kan mijns inziens bezwaarlijk als grond gezien worden om het wél aanpakken van twee grotere en dringender misstanden in strijd te achten met internationale mensenrechten. Daarbij is van belang dat het probleem bij de parkeerbelastingen, anders dan in WOZ- en bpm-zaken, niet zit in het materieelrechtelijk onoplosbare probleem dat in WOZ- en bpm-zaken een onuitputtelijke, constante en massale aanvoer van objectwaarderingsbeschikkingen bestaat, waartegen onuitputtelijk, constant en massaal (en geautomatiseerd) geprocedeerd kan worden met bijna altijd prijs omdat waardering nu eenmaal arbitrair is en de gemeenten, al werken velen geenszins vlekkeloos (mede omdat ze verstopt zitten door die oneindige stroom bezwaren), niet alles kunnen weten en ncnp-bureaus niet zelden opzettelijk zo laat mogelijk met relevante informatie zoals foto’s komen, óók als al veel eerder om relevante documentatie is gevraagd, om zoveel mogelijk pkv en ISV te genereren. De medewetgever heeft daarom verklaard dat op de parkeerbelastingen nog gestudeerd werd, [16] wat voor de hand ligt omdat het verdienmodel daar noodzakelijkerwijs anders in elkaar steekt dan bij de WOZ en de bpm, nu waardebepalingen vreemd zijn aan parkeerbelastingen. Misschien is wetswijziging niet nodig. Ik zie er geen aanleiding voor, maar desnoods kunt u, ook als oorzaak en aard van het misbruik bij de parkeerbelastingen niet dezelfde zijn als bij de WOZ en de bpm, maar de intensiteit ervan wel (80 tot 97% van de beroepsmarkt), de wetgever peremptoir stellen en
prospectiveoordelen dat hij, om ongelijkheid te vermijden, ook ter zake van qua ernst en omvang vergelijkbaar misbruik in de parkeerbelastingen moet ingrijpen, dus niet te lang over zijn lopende studie moet doen.
égalité devant les charges publicseen veel nauwkeuriger waardebepaling vereist is (zoals voor de erf- en schenkbelasting en box 3 en het eigen-woningforfait in de inkomstenbelasting) dan voor de in vergelijking daarmee relatief verwaarloosbare OZB en watersysteemheffing vereist zou zijn. Dat zal ook de reden zijn waarom gemeenten niet meer het beleid van vóór de WOZ (mogen) toepassen, nl. structurele onderwaardering, waardoor bezwaar en beroep tegen de waardering bij voorbaar zinloos was (daartegenover werd dan simpelweg het tarief verhoogd). In de bpm zijn waardeklassen om dezelfde reden moeizaam: als waardeklassen effectief zouden moeten zijn, zouden zij elk een behoorlijk waardeverloop moeten omspannen, hetgeen tot discriminatie kan leiden in de zin van het ongerechtvaardigd over één kam scheren van in waarde aanzienlijk verschillende gevallen. Bij uit dat oogpunt meer aangewezen smalle waardeklassen zou het aantal geschillen over grensgevallen tussen klassen weer aanzienlijk toenemen.
no cure no payte verbieden of de pkv en ISV op nul te stellen voor ncnp-gemachtigden. Ik meen dat deze beide mogelijkheden een verdergaande ingreep in de contractvrijheid en de rechtsgelijkheid inhouden dan de genomen maatregelen omdat zij extremer zijn (10% of 25% is beter dan nihil) en zij qua misbruikbestrijding onevenredige
overkillzouden inhouden: niet elke ncnp-gemachtigde is een misbruiker en niet elk ncnp-contract parasiteert op de algemene middelen. Vanuit het maatschappelijke doel van WHpkv bezien is er bijvoorbeeld niets tegen ncnp-afspraken die inhouden dat de rekening van de gemachtigde zal bestaan uit een percentage van de erfbelasting, inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die er door zijn inspanningen afgaat van de opgelegde aanslag. De wetgever zou moeten gaan bepalen
welkecombinatie van
cureen
pay(niet) toegestaan zijn. De desbetreffende bureaus zouden er bovendien ongetwijfeld meteen in slagen om de desbetreffende regels contractueel te frustreren. Oneigenlijk gebruik van regelgeving is immers hun verdienmodel. Ook een ncnp-verbod in welke vorm dan ook lijkt mij dus onbegonnen werk en hoe dan ook niet doelmatig vanuit het oogpunt van de doelen die de WHpkv moet realiseren. Het zou er mijns inziens op neerkomen dat de wetgever het beroep van fiscaal gemachtigde wettelijk zou moeten gaan regelen. Waar overigens best wat voor te zeggen valt.
wide margin of appreciationzou zijn gegaan doordat de wél ingevoerde wetgeving
devoid of reasonable foundationzou zijn. Ik roep in herinnering dat uit uw rechtspraak volgt dat de rechter de aan een formeel-wettelijk onderscheid ten grondslag liggende veronderstellingen van de wetgever niet betekenisvol op hun realiteitsgehalte toetst (zie 7.2 t/m 7.16 bijlage), dat u in HR
BNB2013/230 (30%-regeling), HR
BNB2014/30 (bedrijfsopvolgingsvrijstelling) en HR
BNB2010/3 (afkoop alimentatieverplichting) de fiscale wetgever een vrijwel ongelimiteerde (politieke) beoordelingsruimte liet en dat u in HR BNB 2013/230 mijns inziens terecht overwoog (zie 7.4 bijlage) dat: