Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
1.Inleiding en overzicht
premiekortingoudere werknemer in de zin van art. 47 Wet Pro financiering sociale verzekeringen (Wfsv) waarop een werkgever recht heeft indien de werkgever – kort gezegd – een oudere werknemer in dienst neemt vanuit een uitkeringssituatie (hierna: kwalificerende dienstbetrekking). [1] Art. 47 Wfsv Pro bepaalt dat de korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking (hierna: premiekortingsperiode). Nadere regels voor het geval er sprake is van – kort gezegd – opvolgende kwalificerende dienstbetrekkingen van dezelfde werknemer bij een werkgever, zijn gegeven in art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv.
niettoe. Op enig moment gaat de werknemer uit dienst. Later neemt de werkgever dezelfde werknemer weer in dienst; ook op dat moment wordt bij de indiensttreding voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de premiekorting (de tweede kwalificerende dienstbetrekking). Nu wenst de werkgever
welde premiekorting toe te passen.
overkoepelende vraag: is in zo’n gevalstype voor de bepaling of, en zo ja hoe lang, recht bestaat op de premiekorting bij de tweede kwalificerende dienstbetrekking, de premiekortingsperiode als uitgangspunt gaat lopen bij aanvang van de eerste kwalificerende dienstbetrekking, ongeacht of de werkgever daadwerkelijk de premiekorting heeft toegepast bij de eerste kwalificerende dienstbetrekking.
eerste rechtsvraagheeft betrekking op de uitleg van art. 47 Wfsv Pro als zodanig (dus los van de invloed van art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv). De beide gerechtshoven zijn van opvatting dat, kort gezegd, art. 47 Wfsv Pro op zichzelf geen beperkingen stelt aan het aantal keer dat voor dezelfde werknemer premiekorting kan worden toegepast bij opvolgende kwalificerende dienstbetrekkingen. De Staatssecretaris meent daarentegen, zo meen ik te begrijpen, dat als uitgangspunt maar éénmaal de premiekorting kan worden genoten, namelijk bij de eerste kwalificerende dienstbetrekking. Ik kom in deze bijlage tot de conclusie dat de opvatting van de beide gerechtshoven juist is (5.37). Ik baseer dat op de tekst van art. 47 Wfsv Pro (5.16-5.22). Ik vind daarvoor bovendien steun in de functie die art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv hebben, namelijk een beperkende functie – dat baseer ik op met name de tekst van art. 3.20 Regeling Wfsv en op de wetsgeschiedenis (5.23-5.29). De diverse (mogelijke) overige argumenten van de Staatssecretaris geven geen aanleiding voor een andere uitleg (5.30-5.36).
tweede rechtsvraagis of de regelingen in art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv van toepassing kunnen zijn ongeacht of de werkgever bij de eerdere kwalificerende dienstbetrekking de premiekorting daadwerkelijk heeft toegepast. De Staatssecretaris meent van wel, terwijl de beide gerechtshoven de regelingen zo uitleggen dat deze alleen van toepassing zijn indien de werkgever bij de eerdere kwalificerende dienstbetrekking de premiekorting ook daadwerkelijk heeft toegepast. Deze kwestie vind ik lastiger. Ik schaar me uiteindelijk achter de uitleg van de gerechtshoven (5.71). De tekst van die bepalingen pleit overwegend voor die uitleg (5.47-5.51). De opschriften van de bepalingen geven geen aanleiding voor een andere uitleg, eerder integendeel (5.52-5.55). De formulering van art. 47 Wfsv Pro, te weten ogenschijnlijk imperatief, lijkt op het eerste gezicht wel aanknopingspunten te bieden voor een andere uitleg, maar ik meen dat er contra-indicaties zijn die juist erop duiden dat toepassing van de premiekorting niet dwingend is voorgeschreven (5.56-5.61). De toelichtingen op art. 3.20 en art. 3.21 Regeling Wfsv en de delegatiebepaling waarop deze artikelen zijn gebaseerd, bieden ook steun voor de uitleg van de gerechtshoven (5.62-5.64). Ik erken dat die uitleg ruimte laat voor een bepaald type opportunistisch gedrag van werkgevers, maar ik zie onvoldoende aanknopingspunten dat art. 3.20 en art. 3.21 Regeling Wfsv ertoe dienen om dat type gedrag tegen te gaan en bovendien kan opportunistisch gedrag zich niet meer voordoen (5.65-5.69).
niet of nauwelijks een breder belang. Het gaat om een vraag in het kader van de toepassing van oud recht. De premiekortingen zijn namelijk per 1 januari 2018 vervangen door de loonkostenvoordelen (LKV) in de Wet tegemoetkomingen loondomein (3.33). Bovendien doet de rechtsvraag zich onder de Wtl niet meer voor. In de Wtl is namelijk – kort gezegd – geregeld dat een LKV slechts één periode beslaat, welke aanvangt bij de eerste kwalificerende dienstbetrekking tussen de werknemer en werkgever en daarna maximaal drie jaren loopt, ongeacht tussentijdse onderbrekingen (3.35).
zwaartepuntvan deze bijlage is gelegen in onderdeel 5 met de beschouwing. De voorafgaande onderdelen vormen de basis voor die beschouwing. Integrale lezing daarvan is niet nodig voor begrip van de beschouwing. Anders gezegd: de lezer zou kunnen starten bij onderdeel 5.
Onderdeel 3geeft een overzicht van de wetsgeschiedenis en de toelichting op de regelgeving. Ik behandel achtereenvolgens de premiekortingen onder de WAO en WW (3.2-3.9), de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer onder Wfsv (3.10-3.13), de premiekorting oudere werknemer onder de Wfsv (3.14-3.25), de Regeling onderbroken en opeenvolgende dienstverbanden (3.26-3.28), de Regeling Wfsv (3.29-3.32) en de Wtl (3.33-3.39).
Onderdeel 4bevat een overzicht van relevante uitspraken van feitenrechters, waaronder vooral de uitspraken van de rechtbanken en gerechtshoven in de onderhavige zaken.
onderdeel 5vangt aan met een inleiding (5.1-5.8). Vervolgens ga ik in op de
eerste rechtsvraag, te weten de uitleg van art. 47 Wfsv Pro. Ik start met een uiteenzetting dat het verschil in uitleg van art. 47 Wfsv Pro zich ook reflecteert in een verschil in opvatting over de functie van art. 3.20 en art. 3.21 Regeling Wfsv (beperkend of tegemoetkomend) (5.10-5.15). Vervolgens betoog ik dat de uitleg van art. 47 Wfsv Pro door de gerechtshoven steun vindt in de tekst van de bepaling (5.16-5.22). Daarna laat ik aan de hand van een analyse van met name art. 3.20 Regeling Wfsv zien dat art. 3.20 en art. 3.21 Regeling Wfsv een beperkende functie heeft, wat ook duidt op de juistheid van de uitleg door de gerechtshoven (5.23-5.29). Tot slot bespreek ik enige andere argumenten van de Staatssecretaris, met als bevinding dat deze geen aanleiding geven voor een andere uitleg (5.30-5.36). De conclusie is dat ik de uitleg door de gerechtshoven onderschrijf (5.37).
de reikwijdte van de cassatieberoepen(5.38-5.43). Ik kom tot de conclusie dat de cassatieberoepen in de Arnhemse zaken zich niet uitstrekken tot de tweede rechtsvraag (5.41) en dat dit wel het geval is in de Amsterdamse zaken, al acht ik een strengere lezing ook mogelijk (5.42-5.43).
tweede rechtsvraagaan bod over het toepassingsbereik van art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv. Ik stel daarbij voorop dat een uniforme antwoord voor beide artikelen in de rede ligt (5.46). Vervolgens bespreek ik de vraag vanuit diverse gezichtspunten, te weten de tekst van de bepalingen (5.47-5.51), de opschriften (5.52-5.55), de (imperatieve?) formulering van art. 47 Wfsv Pro (5.56-5.61), (parlementaire) toelichtingen (5.62-5.64), het mogelijk onwenselijke effect van de uitleg door de hoven (5.65-5.69), en het overgangsrecht bij de Wtl (5.70). Deze gezichtspunten afgewogen schaar ik mij achter de wijze waarop de beide gerechtshoven art. 3.20 en art. 3.21 Regeling Wfsv uitleggen (5.71).
2.Regelgeving
3.Wetsgeschiedenis en toelichting op de regelgeving
vrijstellingoudere werknemer (in art. 47 Wfsv Pro). Deze vrijstelling was ongewijzigd overgenomen van art. 79a WAO, met dien verstande dat de werkgever de vrijstelling zelf toepast bij de afdracht op aangifte. [27] De faciliteit is vervangen door de premie
kortingoudere werknemer per 1 januari 2009 (ook in art. 47 Wfsv Pro). [28] De premiekorting is vormgegeven naar het voorbeeld van de toen reeds bestaande premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer (art. 49 Wfsv Pro). [29]
kantoepassen: [33]
eerste(cursivering van mij) dienstbetrekking waarbij aan de voorwaarden van art. 2.2 Wtl wordt voldaan. Deze bepaling ondervangt de regeling in art. 3.20 Regeling Wfsv, maar is ook wezenlijk anders in die zin dat – anders dan bij art. 3.20 Regeling Wfsv – niet opnieuw recht op de tegemoetkoming bestaat na een onderbreking van drie jaar. In tegenstelling tot de premiekortingen is sprake van slechts één periode van drie jaar waarbinnen het LKV van toepassing is, zo volgt ook uit memorie van toelichting. [56]
4.Jurisprudentie
Uitspraken in de Arnhemse zaken
nietin het gelijk wordt gesteld wat betreft de uitleg van art. 47 Wfsv Pro (zie rov. 8). Dat de inspecteur toch gelijk krijgt, heeft in mijn begrip van rov. 9-10 van de uitspraak te maken met de betekenis van art. 3.21 Regeling Wfsv, waardoor ‘het gecombineerde effect’ is dat in het beschreven gevalstype “er slechts één premiekortingsperiode gaat lopen en wel bij de aanvang van de eerste kwalificerende dienstbetrekking”: [65]
5.Beschouwing
Inleiding
echtervoor opvolgende dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever, met korte onderbrekingen
een afwijkinggeformuleerd.
geen gebruik makennu de onderbrekingen steeds langer dan drie maanden duurden. In dat geval geldt op grond van artikel 3.21, eerste lid, letter b, van de Regeling Wfsv dat de termijn van drie jaar gewoon doorloopt, zodat voor belanghebbende de termijnen dus nog steeds eindigen op [volgen de datums; MP].
op grondvan artikel 3.20 Regeling Wfsv een nieuwe dienstbetrekking worden aangegaan bij dezelfde werkgever die
in aanmerking komtvoor een nieuwe driejaarsperiode van (dezelfde) premiekorting. Ook daarvan kan belanghebbende
geen gebruik makenomdat in alle drie de gevallen de nieuwe dienstbetrekking binnen drie jaar na het einde van de eerste kwalificerende dienstbetrekking aanving.”
binnendrie jaar weer in dienst treedt. Het regelt
nietwat het geval is indien de werknemer
nadrie jaar weer in dienst treedt. Daarmee staat dus op gespannen voet wat in de bedoelde zin staat, aangezien daarin wordt gesuggereerd dat art. 3.20 Regeling Wfsv
de grondis dat bij een indiensttreding
nadrie jaar weer recht bestaat op premiekorting.
een dienstbetrekkingmet een werknemer:
de dienstbetrekkingrecht heeft op een uitkering (…), of op wachtgeld (…), dan wel recht heeft op inkomensondersteuning (…); en
van in dienst tredenbij die werkgever 50 jaar of ouder is.
de dienstbetrekkingmet die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van
die dienstbetrekking.”
niettoepassen, indien de werknemer binnen drie jaar na ommekomst van de (…) periode van drie jaar, na beëindiging van de dienstbetrekking, wederom bij die werkgever in dienst treedt.”
nade in art. 3.20(1) Regeling Wfsv bedoelde termijn van drie jaar, de werkgever opnieuw de premiekorting kan toepassen en een nieuwe driejaarsperiode gaat lopen. Dat dit is beoogd volgt ook duidelijk uit de wetsgeschiedenis (3.20 en 3.22) en de toelichting op art. 3.20 Regeling Wfsv (3.30). Hier relevant is dat dit rechtsgevolg
nietkan worden gegrond op art. 3.20 Regeling Wfsv (zie 5.15). Dit betekent dat het rechtsgevolg wel gegrond moet zijn op art. 47 Wfsv Pro. Art. 47 Wfsv Pro kan echter niet tot dat rechtsgevolg leiden indien art. 47 Wfsv Pro wordt uitgelegd op de wijze die de Staatssecretaris voorstaat, maar wel indien de bepaling wordt uitgelegd op de wijze van de feitenrechters.
nieteens is met de door hem voorgestane uitleg van art. 47 Wfsv Pro, de Staatssecretaris (subsidiair) het oordeel van de gerechtshoven over art. 3.20 en/of art. 3.21 Regeling Wfsv bestrijdt. De in 5.2 geciteerde geschilomschrijving vermeldt art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv bovendien niet. Het in 5.1 geciteerde middel noemt art. 3.21 Regeling Wfsv wel, maar art. 3.20 Regeling Wfsv weer niet. [84] Wat niet helpt, is dat de Staatssecretaris in de toelichting bij een argument niet steeds specifiek noemt tegen welke concrete overweging(en) van het gerechtshof het is gericht. In zeker opzicht betekent dit dat bij de argumenten van de Staatssecretaris moet worden gezocht welke overwegingen kennelijk worden bestreden en welke rechtsopvatting zij ondersteunen. Dit een en ander draagt niet bij aan een goede en ordelijke rechtspleging.
repeat playeris, meen ik dat van hem mag worden verwacht dat voldoende duidelijk uit zijn cassatieberoepschrift blijkt waartegen hij opkomt. Uit oogpunt van disciplinerende werking ben ik er geen voorstander van om (al te welwillend) klachten ‘in te lezen’ in een cassatieberoepschrift van de Staatssecretaris.
nietzijn overweging over art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv is, maar zijn overweging waarin het gerechtshof zijn uitleg van art. 47 Wfsv Pro nader motiveert. Zo bezien zou het betoog van de Staatssecretaris over de imperatieve tekst van art. 47 Wfsv Pro dus juist weer kunnen worden gezien als een onderbouwing van de klacht tegen de uitleg door het gerechtshof van art. 47 Wfsv Pro. Hier wreekt zich te meer dat de toelichting niet voldoende bepaald en precies noemt met welk(e) argument(en) tegen welke overweging(en) wordt opgekomen. Niettemin neig ik ertoe om de Staatssecretaris het voordeel van de twijfel te geven. Dat houdt ermee verband dat het aanhalen van de uitspraak van rechtbank Noord-Holland en zijn daaropvolgende betoog, worden voorafgegaan door een weergave in eigen woorden van diverse overwegingen van het gerechtshof, waaronder de overweging over art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv. Dit zou als een aanwijzing kunnen worden gezien dat het bedoelde betoog klaarblijkelijk ook is gericht tegen die laatstbedoelde overweging.
nietgedurende een periode van in totaal drie (…) jaar premiekorting (…) heeft toegepast’). Uit de context blijkt evenwel dat het niet-toepassen betrekking heeft op het niet volledig benutten van de driejaarsperiode omdat tijdens die periode de dienstbetrekking is verbroken (vgl. ook de toelichting aangehaald in 3.27). Het gaat dus om het niet-toepassen in een periode waarin toepassing niet mogelijk is omdat de dienstbetrekking is beëindigd. Ik zie in andere passages in art. 3.21 Regeling Wfsv bovendien aanwijzingen dat de regeling ziet op daadwerkelijke toepassing. Zo bepaalt letter a onder meer dat “de perioden waarin de premiekorting
wordt toegepast[worden] opgeteld totdat in totaal drie respectievelijk één jaar premiekorting
istoegepast”. En zo bevat de regeling in letter b een passage waaruit blijkt dat dat de veronderstelling is dat in de periode vóór de verbreking de werkgever de premiekorting heeft toegepast; in letter b is namelijk bepaald dat “de premiekorting niet
opnieuw[kan]
worden toegepast”.
is toegepast. In dat geval kan de werkgever pas
weerpremiekorting oudere werknemers
toepassen, indien drie jaar na het einde van de dienstbetrekking is verstreken” (zie 3.30).
opnieuwde premiekorting kan toepassen” (3.20). De toelichting op de Regeling Wfsv vermeldt dat de art. 3.20 en 3.21 “voorschriften [bevatten] die betrekking hebben op het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking met dezelfde werknemer waarvoor in de eerdere dienstbetrekking premiekorting
is toegepast” en rept ook daarna in de tekst over ‘is toegepast’ (in de context van zowel art. 3.20 als art. 3.21 Regeling Wfsv) en ‘heeft toegepast’ (zie 3.30).