Conclusie
(hierna: de man)
(hierna: de vrouw)
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel I.2heeft het hof miskend dat de brieven – als toelichtingen bij de producties – een essentieel onderdeel zijn van het processuele debat en van de stelplicht van de man en dat de brieven reeds daarom niet buiten beschouwing hadden mogen worden gelaten.
subonderdeel I.5en
I.6houden in dat ’s hofs beslissing dat sprake is van strijd met de goede procesorde niet voldoende is gemotiveerd en voorts onbegrijpelijk is, omdat de uitlatingen in de brieven slechts toelichtingen zijn op de producties. Deze klachten komen neer op een vergeefse herhaling van zetten en falen derhalve.
subonderdeel II.1is onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de man zijn stelling dat sprake is van een lening onvoldoende heeft onderbouwd, omdat de woning is aangekocht met middelen uit de onderneming van de man. Dit betekent volgens de man dat de voormalige echtelieden een schuld hebben aan de onderneming. Voorts zou de man met zijn stelling dat sprake is van een lening, mede het oog hebben gehad op een vordering in rekening-courant. Hieruit volgt dat de vrouw is gehouden om de helft van de lening aan de man te voldoen. [16] Op de stelling dat sprake is van een rekening-courantverhouding heeft het hof ten onrechte geen acht geslagen, zo voert het subonderdeel aan.
subonderdelen II.2t/m
II.4met het betoog, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat uit de stellingen van de vrouw in eerste aanleg volgt dat zij heeft erkend (in de zin van art. 154 Rv Pro) dat sprake is van een lening (onder II.2), de vrouw in hoger beroep de gestelde lening onvoldoende heeft betwist (onder II.3) en de vrouw met haar stelling dat de betaling een opname/uitkering uit de onderneming van de man betreft, een bevrijdend verweer heeft gevoerd dat onvoldoende is onderbouwd (onder II.4).
subonderdeel III.1zou het hof de onder
III.0genoemde stellingen van de man ten onrechte onbesproken hebben gelaten. Volgens de klacht zijn die stellingen essentieel, omdat zij tot een andere uitkomst kunnen leiden. Uit deze stellingen zou volgen dat en waarom de door de rechtbank gehanteerde waarderingsmethode onjuist en de vastgestelde waarde van de eenmanszaak te laag is. Kern van het betoog is dat het hof ten onrechte niet is uitgegaan van de DCF-waarderingsmethode, waarbij alle overwegingen van het hof een voor een nauwkeurig worden gewogen en becommentarieerd. Uiteraard is dat het goed recht van de man, maar wel moet mij van het hart dat veel van deze klachten lijken te wijzen op een misverstaan van het karakter van het rechtsmiddel cassatie. De bedoelde klachten zouden verdienstelijk zijn geweest indien cassatie een nieuwe feitelijke instantie was. Dat is zij niet. De toets in cassatie is of het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en of dat oordeel in het licht van het partijdebat voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. De toets is niet of een andere beslissing dan die van het hof óók mogelijk zou zijn geweest. [18]
kunnende als essentieel bestempelde stellingen tot een andere uitkomst leiden. Zoals hiervoor opgemerkt, is dat niet de maatstaf die in cassatie moet worden aangelegd. Nu het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is, faalt het subonderdeel.
subonderdeel IV.2is ’s hofs beslissing tot benoeming van een externe, onafhankelijke bestuurder onbegrijpelijk gelet op de daarmee gemoeid gaande kosten die door [A] B.V. niet kunnen worden gedragen. De klacht in
subonderdeel IV.3verwijt het hof het bezwaar van de man dat een verdeling van de aandelen bij helfte een ‘drama zou zijn’ ongemotiveerd te hebben gepasseerd.