AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging directe contractuele relatie tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij voor drukwerkopdrachten
In deze zaak staat centraal of tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij B.V. een overeenkomst tot stand is gekomen voor geleverd drukwerk. De rechtbank en het hof oordeelden dat er een directe contractuele relatie bestond en veroordeelden Eye Catchers tot betaling van de openstaande facturen.
Eye Catchers voerde verweer dat zij alleen een overeenkomst had met een derde partij, die op haar beurt Schefferdrukkerij inschakelde. Het hof verwierp dit verweer vanwege onvoldoende onderbouwing en onverklaarde inconsistenties in de stukken, zoals afleverbonnen en e-mails. Ook werd een vermeende vervalsing van een e-mail door Eye Catchers niet aannemelijk gemaakt.
In cassatie klaagde Eye Catchers over de toepassing van de Haviltex-maatstaf en de motivering van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de maatstaf juist toepaste, dat de stelplicht en bewijslast bij de curator lagen en dat het hof het verweer van Eye Catchers terecht onvoldoende gemotiveerd achtte. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Eye Catchers wordt verworpen en de vordering van de curator tot betaling wordt bevestigd.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00277
Zitting8 november 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Eye Catchers B.V. (hierna: Eye Catchers),
tegen
P.G. Gilhuis in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Schefferdrukkerij B.V. (hierna: de curator).
Inleiding
In deze zaak staat de vraag centraal of tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij B.V. (hierna: Schefferdrukkerij) een overeenkomst tot stand is gekomen voor door Schefferdrukkerij geleverd drukwerk. Ook in hoger beroep is die vraag bevestigend beantwoord en is Eye Catchers veroordeeld tot betaling van de daarvoor uitgebrachte facturen. Eye Catchers komt hiertegen in cassatie op, m.i. zonder succes.
1.Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.3 en 3.13-3.14 van het bestreden arrest [1] (hierna: het arrest). [2]
1.1
Schefferdrukkerij exploiteerde een bedrijf dat drukwerk verzorgde. Bij vonnis van 25 maart 2014 heeft de rechtbank Rotterdam het faillissement uitgesproken van Schefferdrukkerij, met aanstelling van de curator als zodanig.
1.2
Eye Catchers exploiteert een reclame- en ontwerpstudio. Zij ontwerpt onder meer menukaarten, kalenders en visitekaartjes. Zij laat deze ontwerpen drukken, snijden en binden bij derde partijen.
1.3
Eye Catchers heeft onder meer bepaalde werkzaamheden laten uitvoeren door [de B.V.] (hierna: [de B.V.]). [de B.V.] is op 19 februari 2014 failliet verklaard.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
2.1
De curator heeft op 18 mei 2020 Eye Catchers gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank). Hij heeft gevorderd, kort gezegd, veroordeling van Eye Catchers tot betaling van € 53.217,16 bestaande uit facturen voor door Schefferdrukkerij aan Eye Catchers geleverd drukwerk, vermeerderd met wettelijke handelsrente (hoofdsom van € 32.812,44 en wettelijke handelsrente van € 20.404,72).
2.2
Eye Catchers heeft verweer gevoerd. De strekking daarvan, voor zover in cassatie nog van belang, is dat tussen Schefferdrukkerij en Eye Catchers nimmer een overeenkomst tot stand is gekomen. Eye Catchers is daarentegen een overeenkomst aangegaan met [de B.V.] voor een totaalpakket voor drukwerkzaamheden. [de B.V.] heeft in dat verband Schefferdrukkerij opdracht gegeven drukwerk uit te voeren. Eye Catchers was daarbij geen partij en zij had enkel een betalingsverplichting jegens [de B.V.] . [3]
2.3
Op 6 juli 2021 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Bij tussenvonnis van 4 augustus 2021 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank, in reactie op het onder 2.2 hiervoor genoemde verweer van Eye Catchers, als volgt overwogen:
“4.4. Vaststaat dat Schefferdrukkerij B.V. drukwerkzaamheden heeft uitgevoerd voor de producten van Eye Catchers B.V.. Hiermee staat evenwel niet vast dat een rechtstreekse contractuele betrekking tussen beide vennootschappen ten grondslag ligt aan deze werkzaamheden. P.G. Gilhuis q.q. stelt dat sprake is geweest van een directe overeenkomst tussen Schefferdrukkerij B.V. en Eye Catchers B.V.. Eye Catchers B.V. betwist dit en stelt dat zij alleen opdrachten heeft gegeven aan [de B.V.] voor een totaalpakket en dat [de B.V.] Schefferdrukkerij B.V., als onderdeel van dit totaalpakket, drukwerk heeft laten uitvoeren. Eye Catchers B.V. heeft ter zitting verklaard dat zij alle destijds aan [de B.V.] verstrekte opdrachten in haar administratie kan terugvinden. Zij stelt dat dit eerder niet is overgelegd omdat [betrokkene 1] (eigenaar van Eye Catchers B.V.) ernstig ziek is geweest door het coronavirus.
4.5.
De rechtbank acht deze stukken van belang voor de beoordeling of er sprake is geweest van een (directe) contractuele relatie tussen Schefferdrukkerij B.V. en Eye Catchers B.V.. De rechtbank zal dan ook met toepassing van artikel 22 RvPro Eye Catchers B.V. opdragen om deze opdrachten bij akte in het geding te brengen, op de wijze zoals in het dictum bepaald.
(…)
De rechtbank
5.1.
Draagt Eye Catchers B.V. op de ter zitting genoemde mails van alle opdrachten ter zake waarvan in dit geding betaling wordt gevorderd, dan wel andere documenten waarin die opdrachten zijn vervat, in het geding te brengen, en deze, voor zover nodig, te voorzien van een - beknopte - toelichting waarin duidelijk wordt gemaakt dat die opdrachten betrekking hebben op werkzaamheden ter zake waarvan P.G. Gilhuis q.q. in dit geding betaling vordert, (…).”
2.5
Bij akte van 1 september 2021 heeft Eye Catchers, ter voldoening aan de opdracht van de rechtbank in het tussenvonnis, drie aanvullende producties overgelegd.
2.6
Bij akte van 29 september 2021 heeft de curator op de aanvullende producties van Eye Catchers gereageerd.
2.7
Bij vonnis van 24 november 2021 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van de curator grotendeels toegewezen. [4]
In hoger beroep
2.8
Bij dagvaarding van 23 februari 2022 is Eye Catchers in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis en het eindvonnis bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).
2.9
Op 28 juni 2022 heeft Eye Catchers een memorie van grieven genomen.
2.1
Op 6 september 2022 heeft de curator een memorie van antwoord genomen.
2.11
Op 7 juni 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces verbaal opgemaakt. [5]
2.12
Bij het arrest heeft het hof de bestreden vonnissen bekrachtigd, met veroordeling van Eye Catchers in de kosten.
2.13
In rov. 1 vat het hof de zaak als volgt samen:
“Het gaat in deze zaak om de vraag of [Schefferdrukkerij, A-G] in opdracht van Eye Catchers werkzaamheden heeft verricht of dat Eye Catchers opdracht heeft gegeven aan [ [de B.V.] ] voor een totaalpakket en dat [ [de B.V.] ] als onderdeel van dit totaalpakket [Schefferdrukkerij] opdracht heeft gegeven drukwerk te verrichten. (…).”
2.14
Het hof zet in rov. 5.3 de grondslag van de vordering van de curator uiteen (zie ook onder 2.1 hiervoor), en in rov. 5.4 het verweer van Eye Catchers (zie ook onder 2.2 hiervoor). In rov. 5.5 vat het hof de weerspreking van het verweer van Eye Catchers door de curator als volgt samen:
“De curator heeft gereageerd met de stelling dat één opdracht (voor [60.000, A-G] afhaallijsten, zie 3.3) via [de B.V.] is gegaan, maar dat daarna alle opdrachten rechtstreeks aan Schefferdrukkerij zijn verstrekt. Daaraan heeft hij toegevoegd dat [de B.V.] in een viertal gevallen nog door Schefferdrukkerij in opdracht van Eye Catchers gedrukte ‘plano-vellen’ heeft afgewerkt.”
2.15
In rov. 5.6-5.7 bespreekt het hof door de curator overgelegde verklaringen van [betrokkene 2] (in ’s hofs woorden in rov. 3.3: “(middellijk) bestuurder van [de B.V.] ”), en stellingen van de curator dat een door Eye Catchers in het kader van haar verweer overgelegde versie van een e-mail van 1 oktober 2013 vervalst zou zijn.
2.16
In rov. 5.8 oordeelt het hof over het verweer van Eye Catchers als volgt:
“Het hof is van oordeel dat Eye Catchers’ verweer tegen de door de curator gestelde opdrachten (nog steeds) vragen oproept. Eye Catchers heeft tegenover de met stukken onderbouwde stellingen van de curator nagelaten opheldering te verschaffen over de volgende punten.
(i) De curator heeft zich, onder verwijzing naar de verklaring van Assist automatisering, op het standpunt gesteld dat uit de bevindingen van Assist automatisering geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de door de curator overgelegde e-mail van 1 oktober 2013 authentiek is en dat de door de Eye Catchers overgelegde versie is vervalst. Eye Catchers heeft betwist dat de e-mail is vervalst, echter zonder dit te onderbouwen. Zij heeft volstaan met aan te voeren dat Assist automatisering geen forensisch onderzoeksbureau is en dat zij niet bij het onderzoek is betrokken. Eye Catchers heeft niet kunnen verklaren hoe in een alternatief scenario de desbetreffende e-mail op de server van Schefferdrukkerij kan zijn gevonden als, zoals zij beweert, van een vervalsing geen sprake is. Bij deze stand van zaken legt het hof de door Eye Catchers overgelegde versie van de e-mail van 1 oktober 2013 als onvoldoende betrouwbaar terzijde.
(ii) De in hoger beroep overgelegde opdrachtmails roepen vragen op die onbeantwoord zijn gebleven. Zo zijn op de overgelegde opdrachtmails van Eye Catchers aan [de B.V.] de ordernummers van Schefferdrukkerij vermeld. Vermelding van die nummers ligt niet voor de hand en daarvoor is ook geen verklaring gegeven. Ook valt op dat in de onderwerpregel van de antwoordmails “FW” staat in plaats van “RE”, zoals de curator in eerste aanleg heeft gesignaleerd. Ter zitting heeft de curator er voorts nog op gewezen dat bijvoorbeeld het ordernummer in de eerste opdrachtmail van 23 oktober 2013 (productie 17 bij memorie van grieven) ziet op een bestelling die al in augustus 2013 door Schefferdrukkerij is afgeleverd.
(iii) De afleverbonnen van Schefferdrukkerij die de curator heeft overgelegd vermelden als afleveradres het adres van Eye Catchers en zijn namens Eye Catchers afgetekend. Bij memorie van grieven heeft Eye Catchers aangevoerd dat Schefferdrukkerij het drukwerk afleverde bij [de B.V.] zodat [de B.V.] vervolgens de snij-, bind- en vouwwerkzaamheden heeft kunnen verrichten en dat [de B.V.] het drukwerk vervolgens bij Eye Catchers heeft afgeleverd, maar dat strookt niet met de afleverbonnen. Een in eerste aanleg geuite veronderstelling dat [de B.V.] mogelijk de bonnen van Schefferdrukkerij heeft gebruikt, heeft Eye Catchers in hoger beroep niet herhaald en is bij gebrek aan concrete aanwijzing daarvoor overigens niet meer dan speculatief. Op de in eerste aanleg genoemde werkwijze dat zou zijn afgeleverd bij Eye Catchers, die het drukwerk dan weer zelf naar [de B.V.] bracht en weer ophaalde, is Eye Catchers in hoger beroep niet teruggekomen. Overigens komt dit niet logisch voor en daarmee wordt ook niet verklaard dat op één afleverbon wel het adres van [de B.V.] als afleveradres staat vermeld, zoals de rechtbank ook heeft besproken. De curator heeft in dat verband overigens vermeld dat deze afleverbon betrekking had op planovellen die nog door [de B.V.] zijn afgewerkt (zie 5.5).
(iv) Onverklaard is ook gebleven waarom de opdrachtmails van Eye Catchers aan [de B.V.] , waarvan Eye Catchers blijkens het vonnis van 4 augustus 2021 in eerste aanleg heeft gezegd dat zij die allemaal in haar administratie kan terugvinden, ondanks de gelegenheid die zij daartoe heeft gekregen niet volledig zijn overgelegd.
(v) Zwaar weegt dat onverklaard is gebleven waarom voor de hand liggende bescheiden als facturen van [de B.V.] en betalingsbewijzen niet zijn overgelegd.
(vi) Ook reacties op de sommaties van het incassobureau en de pandhouder Deutsche Bank ontbreken, hoewel Eye Catchers in een e-mail aan de rechter-commissaris heeft geschreven dat in 2014 uitvoerig over de vordering is gecorrespondeerd en ook een tegenvordering aan de orde was. Ook een toelichting op wat is bedoeld met de in die e-mail gestelde tegenvordering is overigens achterwege gebleven.
(vii) Bij het vorenstaande komt dat de stellingen van de curator zijn bevestigd in verklaringen van [betrokkene 2] , terwijl er geen aanwijzingen zijn dat [de B.V.] enig eigen belang zou hebben bij de uitkomst van deze zaak. Dat [betrokkene 2] aanleiding zou hebben gehad een valse verklaring af te leggen, is door Eye Catchers ook niet nader toegelicht.”
2.17
Het hof concludeert in rov. 5.9 over het verweer van Eye Catchers als volgt:
“Al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat het verweer van Eye Catchers zoveel vragen oproept dat het hof dit verweer onvoldoende gemotiveerd acht. Ook in hoger beroep wordt daarom aan bewijslevering niet toegekomen. Het oordeel van de rechtbank dat een directe contractuele relatie bestaat tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij en dat Eye Catchers daarom tot betaling kan worden aangesproken houdt stand. De processuele stellingen en verzoeken van de curator kunnen verder onbesproken blijven.”
In cassatie
2.18
Bij procesinleiding van 29 januari 2024 heeft Eye Catchers (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
2.19
De curator heeft geconcludeerd tot verwerping en daarna schriftelijke toelichting gegeven.
2.2
Eye Catchers heeft nog gerepliceerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel van Eye Catchers bestaat uit twee onderdelen (1-2) met klachten.
Onderdeel 1
3.2
Onderdeel 1 bevat vier subonderdelen (1a-1d). Het richt daarin rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 5.8 van het arrest, geciteerd onder 2.16 hiervoor. [6] Ik vat samen.
3.2.1
Subonderdeel 1aklaagt dat het bestreden oordeel onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het hof daaraan niet althans niet kenbaar de toetsingsmaatstaf ten grondslag heeft gelegd die geldt bij de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, neerkomend op “de “ Haviltex”-maatstaf (of de “wilsvertrouwensleer”)”. Uit de in rov. 5.8 genoemde omstandigheden volgt niet zonder méér dat kan worden geconcludeerd dat tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij wilsovereenstemming is bereikt. Het hof had de in rov. 3 en 5.8 genoemde feiten en omstandigheden kenbaar in het licht van die maatstaf (“van de partijbedoelingen”) moeten wegen, zo nodig met toepassing van art. 25 RvPro.
3.2.2
Subonderdeel 1bklaagt dat het hof ten onrechte niet alle feiten en omstandigheden die in het kader van voornoemde toetsingsmaatstaf relevant moeten worden geacht, heeft meegewogen bij de op basis van die maatstaf te nemen beslissing. Eye Catchers heeft zich op het standpunt gesteld dat zij aan [de B.V.] opdracht heeft gegeven voor te leveren druk-, bind- en vouwwerk van de ontwerpen van Eye Catchers, en dat [de B.V.] op haar beurt aan Schefferdrukkerij heeft gevraagd om een offerte voor specifiek het drukwerk nu [de B.V.] niet beschikte over een drukkerij. Kennelijk strekt het subonderdeel ertoe dat het hof dit standpunt van Eye Catchers onvoldoende heeft meegewogen.
3.2.3
Subonderdeel 1cklaagt dat het hof heeft miskend dat het de inhoud van een bepaald door Eye Catchers overgelegd e-mailbericht op grond van art. 149 lid 1 RvPro had moeten vaststellen als relevant feit, en dat feit had moeten betrekken in zijn overwegingen. Door dit niet te doen (dit bericht is ook niet genoemd onder de vastgestelde feiten in rov. 3) is de beslissing onvoldoende inzichtelijk en onjuist.
3.2.4
Subonderdeel 1dklaagt dat de motivering van het arrest niet voldoende inzichtelijk althans onbegrijpelijk is, omdat het hof verzuimt alle in het geding aangevoerde feiten en omstandigheden te betrekken bij zijn oordeel. Daarbij heeft het subonderdeel het oog op het in subonderdeel 1c bedoelde e-mailbericht. Het hof had dit bericht “in het kader van de “ Haviltex”-maatstaf” bij zijn beslissing moeten betrekken, omdat dit bericht een relevante gedraging betreft die door het hof gewogen diende te worden in het kader van de vraag of tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij een overeenkomst tot stand is gekomen. Door dit niet te doen gaat het hof (impliciet) voorbij aan de strekking van die maatstaf althans is zijn beslissing zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
Behandeling
3.3
De subonderdelen falen, gelet op het volgende.
3.4
Te beginnen met subonderdeel 1a.
3.5
Na een vooropstelling onder 3.5.1-3.5.4 hierna volgt een duiding van ’s hofs oordeel onder 3.6-3.6.5 hierna. Ik keer terug naar het subonderdeel onder 3.7-3.7.1 hierna.
3.5.1
De totstandkoming van een overeenkomst, in het model van art. 6:217 lid 1 BWPro lopend via een aanbod en de aanvaarding daarvan, [7] is een uitwerking van de totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen en wordt beheerst door de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 enPro 3:35 BW. [8] De geldigheid van een rechtshandeling berust daarmee op een dubbele, of zo men wil: alternatieve, grondslag. [9] Om die reden moeten art. 3:33 enPro 3:35 BW worden gezien als één samenhangend geheel. [10] Enigszins gesimplificeerd: een overeenkomst komt niet slechts tot stand op grond van daartoe strekkende wilsovereenstemming tussen partijen, waarbij de respectieve verklaringen elk berusten op een daarmee overeenstemmende wil. Zij kan ook tot stand komen ingeval van het gerechtvaardigde vertrouwen bij een partij dat de ander (de wederpartij) deze overeenkomst wilde aangaan, ook al ontbrak in werkelijkheid de wil daartoe bij die ander en was van wilsovereenstemming dus geen sprake. [11] Dit laatste noem ik hierna kortweg (een beroep op of toepassing van) het vertrouwensbeginsel.
3.5.2
Van Cassel-van Zeeland vatte het recent aldus samen: [12]
“De wilsvertrouwensleer is een correctief op de (subjectieve) wilsleer. In de literatuur wordt de wilsvertrouwensleer op velerlei wijze uitgewerkt. De meeste varianten stemmen op ten minste één punt overeen: de gebondenheid aan het contract kan niet exclusief op de menselijke wil worden teruggevoerd, doch berust op twee pijlers: (a) de subjectieve wil van de handelende; en (b) het bij de wederpartij omtrent die wil aanwezige gerechtvaardigde vertrouwen. Deze grondslagen zijn alternatief. In het normale geval berust de verklaring op een daarmee overeenstemmende wil. Indien de wil ontbreekt, kan de gebondenheid op de tweede grondslag worden gebaseerd. Dit is op basis van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij dat de verklaring met een onderliggende wil in overeenstemming is. In het normale geval berust de verklaring op een daarmee overeenstemmende wil. Indien de wil ontbreekt, kan de gebondenheid op het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij gebaseerd worden.” [13]
3.5.3
A-G Bakels zei het, alweer iets langer geleden, zo: [14]
“Geen rechtsregel brengt mee dat een overeenkomst slechts tot stand kan komen doordat partijen uitdrukkelijke en onderling overeenstemmende wilsverklaringen afleggen. De rechtsopvatting die hieraan ten grondslag ligt stamt uit het laboratorium van het privaatrecht; aan de thans geldende wet ligt een ander stelsel ten grondslag. Algemeen bekend - zonder twijfel ook bij het hof - is, dat een overeenkomst niet alleen kan ontstaan op grond van wilsovereenstemming tussen de contracterende partijen, maar ook op grond van het vertrouwensbeginsel: de geldigheid van een rechtshandeling berust op een dubbele grondslag. Daarom moeten de artikelen 3:33 en 3:35 BW worden gezien als één samenhangend geheel, dat meebrengt dat [de] vraag of een overeenkomst is totstandgekomen, afhankelijk is van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden mochten afleiden.” [15] [zonder verwijzingen in het origineel, A-G]
3.5.4
Het voorgaande brengt mee dat het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, afhankelijk is van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. [16] Dit criterium is in essentie gelijk aan de bekende Haviltex-maatstaf, zij het dat deze is toegespitst op uitleg van overeenkomsten. [17] Hierna verwijs ik, waar ik doel op dit criterium, kortweg naar deze maatstaf. De partij die zich beroept op het bestaan van een overeenkomst (van bepaalde strekking) kan dus volstaan met het stellen van feiten en omstandigheden waaruit met toepassing van de Haviltex-maatstaf het bestaan van die overeenkomst op de hiervoor genoemde grondslagen kan worden afgeleid. Zoals feiten en omstandigheden waaruit wilsovereenstemming volgt. Denkbaar is ook - zeker waar zo’n wilsovereenstemming zich lastig laat aanwijzen - dat die partij de klemtoon legt op het vertrouwensbeginsel met een daartoe strekkende reeks van feiten, nog steeds in het kader van deze maatstaf. In hoeverre de rechter dient in te gaan op deze grondslagen, dus wilsovereenstemming en vertrouwensbeginsel, hangt vanzelfsprekend af van het in dat geval gevoerde partijdebat.
3.6
Daarmee beland ik bij het oordeel van het hof.
3.6.1
Ingevolge art. 150 RvPro rust op de curator de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan en de inhoud van de door hem aan zijn vordering ten grondslag gelegde overeenkomst tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij. Daarbij gaat het om de onderliggende feiten en omstandigheden. [18] Daartoe heeft de curator in de kern steeds het met producties onderbouwde standpunt ingenomen dat Eye Catchers rechtstreeks opdrachten aan Schefferdrukkerij heeft verstrekt voor het drukwerk waarvan hij nu betaling vordert. [19] Uit de door hem beschreven gang van zaken blijkt, aldus nog steeds de curator, “dat Schefferdrukkerij en Eye Catchers overeenstemming hebben bereikt over de door Eye Catchers aan Schefferdrukkerij opgedragen drukwerkopdrachten en de door Eye Catchers te betalen vergoeding daarvoor”. [20] Daarmee brengt de curator kenbaar, en vrij rechttoe rechtaan, tot uitdrukking dat ter zake sprake was van wilsovereenstemming tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij; wat zich naar de aard binnen het kader van de Haviltex-maatstaf bevindt. Van het voorgaande gaat ook het hof uit, zoals mede volgt uit rov. 5.3-5.5 en 5.9. Dit is onjuist noch onbegrijpelijk.
3.6.2
M.i. blijkt uit het arrest niet van een miskenning door het hof van de Haviltex-maatstaf. Het enkele feit dat het hof die maatstaf daarin niet noemt, levert nog niet zo’n miskenning op. Ook uit de wijze waarop het hof uiteindelijk in rov. 5.9 tot de conclusie komt dat het oordeel van de rechtbank “dat een directe contractuele relatie bestaat tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij en dat Eye Catchers daarom tot betaling kan worden aangesproken stand [houdt]”, valt zo’n miskenning niet op te maken. Uit de onder 3.6.1 hiervoor bedoelde stellingen van de curator kan best worden geconcludeerd, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf, dat ter zake tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij wilsovereenstemming is bereikt zodat sprake is van de door de curator aangevoerde (en door de rechtbank aangenomen) directe contractuele relatie tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij. Zie ook onder 3.5.1-3.5.4 hiervoor. Welke conclusie het hof dus ook trekt in het arrest, op goed te volgen wijze en gelet ook op het partijdebat. [21]
3.6.3
Daarbij geldt dat het hof blijkens rov 5.4 en 5.8 Eye Catchers’ betwisting zo verstaat dat ter zake tussen haar en Schefferdrukkerij géén wilsovereenstemming is bereikt. Wat net als de stellingname van de curator neerkomt op een met producties onderbouwd, sterk feitelijk betoog zonder beroep op het vertrouwensbeginsel, maar dan dus contrair op het punt van die wilsovereenstemming. Deze betwisting houdt in dat Eye Catchers “geen opdracht aan Schefferdrukkerij heeft gegeven, maar aan [de B.V.] , die steeds als haar opdrachtnemer heeft gefungeerd en die vervolgens zelf de opdracht voor de drukwerkzaamheden aan Schefferdrukkerij heeft gegeven”. Dit heeft zij onderbouwd met e-mails, een factuur en e-mailwisseling daarover, werknemersverklaringen (met als strekking “dat de opdrachten aan Schefferdrukkerij via [de B.V.] verliepen en ook betaald werden aan [de B.V.] ”) en afleverbonnen van [de B.V.] , aldus nog steeds het hof in rov. 5.4. [22] Ook dit sluit aan op het procesdossier in hoger beroep. [23]
3.6.4
Daarbij geldt verder dat het hof blijkens rov. 5.4 en 5.8-5.9 voornoemde stellingen van de curator niet zonder méér toereikend acht, want nadrukkelijk ook beoordeelt in het licht van voornoemde betwisting door Eye Catchers (wat impliceert dat naar ’s hofs oordeel de curator op zich voldoende heeft gesteld voor diens standpunt). Daarin zet het hof tevens uiteen waarom het deze betwisting als onvoldoende gemotiveerd verwerpt. Ik citeer nogmaals uit rov. 5.9: “Al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat het verweer van Eye Catchers zoveel vragen oproept dat het hof dit verweer onvoldoende gemotiveerd acht. Ook in hoger beroep wordt daarom aan bewijslevering niet toegekomen.” Via die schakel bereikt het hof voornoemde conclusie. Dat het hof deze conclusie niet enkel of reeds baseert op het (aan feiten en omstandigheden) vermelde in rov. 5.8, [24] blijkt uit het wat het hof uiteenzet in rov. 5.3, [25] rov. 5.4, [26] rov. 5.5, [27] rov. 5.6 [28] en rov. 5.7: [29] dit behelst, ook aan feiten en omstandigheden, kenbaar meer dan het vermelde in rov. 5.8.
3.6.5
Bij deze stand van zaken bestond er, gezien ook art. 24 RvPro en de grenzen van de rechtsstrijd, geen reden voor het hof in de beoordeling nog meer te doen met de in rov. 3 en 5.8 genoemde feiten en omstandigheden en/of met toepassing van art. 25 RvPro (tevens) het vertrouwensbeginsel aan zijn beoordeling ten grondslag te leggen. Voor dit laatste is ook een enigszins ander feitencomplex relevant dan voor de beoordeling van de wél door de curator gestelde, en door Eye Catchers betwiste, wilsovereenstemming tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij ter zake. [30] Evenmin was er reden nader in te gaan op “de partijbedoelingen”, [31] als het subonderdeel daarmee al op iets anders doelt dan de hiervoor besproken Haviltex-maatstaf.
3.7
Ik keer terug naar het subonderdeel.
3.7.1
Daarover kan ik nu kort zijn. Het subonderdeel ketst integraal af op hetgeen ik uiteenzette onder 3.5-3.6.5 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.8
Dan subonderdeel 1b.
3.8.1
Waar het subonderdeel wijst op relevante feiten en omstandigheden die door het hof niet zouden zijn besproken in het arrest, volstaat het met een herhaling van het centrale standpunt van Eye Catchers (kort gezegd: dat zij een opdracht aan [de B.V.] had verstrekt en dat [de B.V.] op haar beurt Schefferdrukkerij had ingeschakeld). Dit verweer van Eye Catchers tegen de door de curator gestelde opdrachten onderkent het hof mede in rov. 1 en 5.4, en bespreekt het uitgebreid in rov. 5.8, uitmondend in diens conclusie in rov. 5.9. Zie ook onder 3.6.3-3.6.4 hiervoor.
3.8.2
Voor zover het subonderdeel het arrest anders leest dan bedoeld onder 3.8.1 hiervoor, is die lezing onjuist en mist het subonderdeel zodoende feitelijke grondslag. Voor het overige voldoet het subonderdeel niet aan de eisen van art. 407 lidPro 2, aanhef en onder d Rv, want door Eye Catchers wordt in het geheel niet toegelicht in relatie tot het subonderdeel welk standpunt door het hof onbesproken zou zijn gelaten.
3.8.3
Hierop loopt het subonderdeel al vast.
3.9
Dan subonderdeel 1c.
3.9.1
De e-mail waarop het subonderdeel doelt, is het bericht van [betrokkene 3] van Schefferdrukkerij aan Eye Catchers van 5 augustus 2013, [32] waarin staat vermeld dat Schefferdrukkerij het drukwerk bij [de B.V.] zou afleveren, maar dat de levering door een technische storing was vertraagd. Eye Catchers heeft daarop in hoger beroep gewezen [33] in verband met haar stelling dat [de B.V.] , nadat laatstgenoemde het drukwerk van Schefferdrukkerij had ontvangen, dit zou vouwen/snijden en vervolgens het totaalproduct bij Eye Catchers zou afleveren. [34]
3.9.2
Het subonderdeel ziet vooreerst voorbij aan hetgeen het hof overweegt in rov. 5.8 onder (iii), eerste en tweede zin van het arrest. Daaruit blijkt duidelijk dat het hof deze stelling van Eye Catchers onderkent en verwerpt, omdat de door de curator overgelegde afleverbonnen als afleveradres het adres van Eye Catchers vermelden en ook door haar zijn afgetekend, wat zich met die stelling niet verdraagt. Voornoemde e-mail van [betrokkene 3] doet daaraan niet af, omdat daaruit niets kan worden afgeleid over voornoemde afleverbonnen.
3.9.3
Bovendien wijst het hof in rov. 5.8 onder (iii), laatste zin erop dat de curator heeft vermeld dat de desbetreffende afleverbon [35] betrekking had op planovellen die nog door [de B.V.] zijn afgewerkt. Dit betreft klaarblijkelijk de ook in rov. 5.5 onderkende stellingname van de curator, in welk verband hij mede heeft uitgelegd dat voornoemde e-mail van [betrokkene 3] betrekking zal hebben gehad op een van die opdrachten waarbij [de B.V.] de afwerking verzorgde, maar waarvoor Eye Catchers niettemin zelf opdrachten aan Schefferdrukkerij had gegeven. [36] Ik lees in het procesdossier geen reactie op die uitleg van de curator zijdens Eye Catchers ter mondelinge behandeling in hoger beroep (de procesinleiding wijst ook niet op zo’n reactie, de repliek trouwens evenmin).
3.9.4
Bij deze stand van zaken was er geen reden voor het hof voornoemde e-mail van [betrokkene 3] nog weer nader te bespreken. Noch in het kader van de vastgestelde feiten in rov. 3, noch in het kader van de beoordeling vanaf rov. 5.1.
3.1
Tot slot subonderdeel 1d.
3.10.1
Dit strandt in het voetspoor van subonderdelen 1a-1c. Zie onder 3.4-3.9.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.11
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 geen succes boekt.
Onderdeel 2
3.12
Onderdeel 2 bevat geen subonderdelen. Het is gericht tegen ’s hofs beslissing in rov. 5.8 onder (vii) van het arrest, geciteerd onder 2.16 hiervoor. [37] Ik vat samen.
3.12.1
Het onderdeel klaagt dat de motivering van deze beslissing onbegrijpelijk is in het licht van een bepaalde stelling van Eye Catchers. [38] Deze stelling zou relevant zijn, omdat daarmee wordt betoogd dat er - in tegenstelling tot wat het hof (kennelijk) overweegt - een belang is voor [de B.V.] in deze procedure en dat er dus aanwijzingen kunnen zijn om te twijfelen aan de (bewijs)waarde van de verklaringen van [betrokkene 2] als haar voormalig bestuurder. Die stelling zou worden versterkt doordat het hof de faillissementen van [de B.V.] en Schefferdrukkerij in rov. 3.13-3.14 als vaststaande feiten beschouwt. In dit licht bezien, kan het oordeel van het hof dat er “geen aanwijzingen” zijn dat [de B.V.] “enig eigen belang” heeft bij de uitkomst van deze zaak geen stand houden althans behoeft dit oordeel nadere motivering, die ontbreekt.
Behandeling
3.13
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.13.1
De strekking van rov. 5.8 onder (vii) van het arrest is dat de stellingen van de curator (ter weerspreking van de betwisting van Eye Catchers) bevestigd worden door de verklaringen van [betrokkene 2] , waaruit het hof citeert in rov. 5.6. Daarbij betrekt het hof dat “er geen aanwijzingen zijn dat [de B.V.] enig eigen belang zou hebben bij de uitkomst van deze zaak.” En: “Dat [betrokkene 2] aanleiding zou hebben gehad een valse verklaring af te leggen, is door Eye Catchers ook niet nader toegelicht.”
3.13.2
In de stelling van Eye Catchers waarop het onderdeel zich beroept, lees ik, ook indien bezien in samenhang met de in die stelling vervatte verwijzingen, geen betoog van haar (met als strekking) dat er een belang is voor [de B.V.] in deze procedure en dat er dus aanwijzingen kunnen zijn om te twijfelen aan de (bewijs)waarde van de verklaringen van [betrokkene 2] als haar voormalig bestuurder. Het hof behoefde in deze stelling niet te lezen, wat het dus ook niet doet blijkens rov. 5.8 onder (vii), dat de onder 3.13.1 hiervoor bedoelde “aanwijzingen” er wel zijn. Of dat de daar bedoelde “aanleiding” er wel was.
3.13.3
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het onderdeel.
3.13.4
Ten overvloede dit.
3.13.5
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is zijdens Eye Catchers nog opgemerkt: “De verklaring van [de B.V.] is ook niet relevant omdat [de B.V.] er een belang bij heeft dat er tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij een overeenkomst bestaat en Eye Catchers betwist daarom de stellingen van [de B.V.] .” [39] Het onderdeel beroept zich hierop niet. Dit zou Eye Catchers ook niet hebben gebaat, omdat de geciteerde opmerking ten hoogste een blote betwisting oplevert, met een redenering die nou niet meteen navolgbaar is. [40] Kort en goed: deze opmerking gaf het hof geen reden voor een nog weer nadere motivering in rov. 5.8 onder (vii).
3.13.6
De uitkomst is geen andere wat betreft de volgende opmerking zijdens Eye Catchers bij voornoemde mondelinge behandeling: “[betrokkene 2] heeft ook een verklaring gegeven. Aan die verklaring moet ook voorbij gegaan worden, omdat op geen enkele wijze door hem iets duidelijk wordt gemaakt. Hij zegt dat hij vermoedt dat de e-mails vals zijn. Op grond van vermoedens kan niet worden vastgesteld dat de e-mails vals zouden zijn.” [41] Het onderdeel beroept zich ook hierop niet. Dit zou Eye Catchers evenmin hebben gebaat. Deze opmerking gaat royaal voorbij aan wat [betrokkene 2] allemaal heeft verklaard, mede inzake door Eye Catchers overgelegde e-mails; de citaten in rov. 5.6 spreken voor zich. Deze opmerking zegt ook niets over enig eigen belang van [de B.V.] , noch over de waarachtigheid van de verklaringen van [betrokkene 2] . Kortom, deze opmerking gaf het hof evenmin reden voor een nog weer nadere motivering in rov. 5.8 onder (vii).
3.14
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 evenmin succes boekt.
Slotsom
3.15
Het cassatiemiddel van Eye Catchers is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.16
Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 ROPro in overweging.
4.Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2.Rov. 3.3-3.13 bevatten uitgebreide vaststellingen over en citaten uit correspondentie tussen (vertegenwoordigers van) betrokken partijen, inclusief Eye Catchers en Schefferdrukkerij. Kortheidshalve verwijs ik daarnaar. De cassatieklachten vergen geen uitgebreidere feitenweergave op deze plaats.
3.Zie voor het verweer van Eye Catchers bijv. rov. 4.4 van het tussenvonnis van 4 augustus 2021.
4.De rechtbank heeft de vordering wat betreft de hoofdsom van de facturen ad € 32.812,44 volledig toegewezen. De daarover verschuldigde handelsrente heeft de rechtbank gedeeltelijk toegewezen. Daartegen is niet (incidenteel) gegriefd in hoger beroep. In cassatie speelt dit geen rol.
5.Tijdens de mondelinge behandeling is namens Eye Catchers een verzoek tot wraking van de raadsheren gedaan. Dit verzoek is op dezelfde dag behandeld en afgewezen, waarna de mondelinge behandeling is hervat. In cassatie speelt dit geen rol.
6.Het onderdeel is toegelicht in de procesinleiding, p. 3-6.
7.Zie over dit model bijv. W.L. Valk & J.J. Valk,
8.Zie bijv. Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 877 (M.v.A. II), alsook Valk & Valk 2024, art. 6:217 BWPro, aant. 1-2 en Den Hoed 2022, art. 6:217 BWPro, aant. 3.17.
9.Zie bijv. Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 164 (T.M.).
15.Daaraan nog toevoegend: “Voorts hoeven aanbod en aanvaarding krachtens art. 3:37 lid 1 BWPro niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. De eis van op elkaar aansluitende uitdrukkelijke wilsverklaringen mag dus niet worden gesteld.”
19.Dat die opdrachten zijn verstrekt, blijkt volgens de curator uit afleverbonnen, facturen, verklaringen zijdens [de B.V.] , aan Eye Catchers verstuurde prijsopgaven, de orderadministratie, aan Eye Catchers verstuurde betalingsherinneringen, en correspondentie tussen Eye Catchers en Schefferdrukkerij. Zie bijv. de inleidende dagvaarding, nrs. 2, 8-9; de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens de curator, nrs. 4-9; en de memorie van antwoord, nr. 10. Illustratief is de e-mail van 20 september 2013 van [betrokkene 4] (Eye Catchers) aan Schefferdrukkerij, zie rov. 3.6.
20.Aldus de memorie van antwoord, nr. 10, zesde gedachtestreepje (p. 6).
21.Dat de curator hiervoor onvoldoende zou hebben gesteld, lees ik trouwens ook niet terug in de procesinleiding (of de repliek).
22.Het hof wijst daar op “de onder 3.3 vermelde e-mailwisseling, de onder 3.4 vermelde factuur en mailwisseling daarover, vijf werknemersverklaringen (…) en afleverbonnen van [de B.V.] ”, alsmede “een drietal e-mails (met bijlagen) van [betrokkene 4] aan [betrokkene 2] ” en “vier e-mails met opdrachten”.
23.Het tegendeel lees ik evenmin in (de vindplaatsen genoemd in) de procesinleiding, noch trouwens in de repliek onder e. Omdat deze grondslag deels feitelijk van aard is, kan op het vertrouwensbeginsel niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan. Zie bijv. Asser Procesrecht/E. Korthals Altes & H.A. Groen,
24.Inzake ’s hofs oordeel over “Eye Catchers' verweer tegen de door de curator gestelde opdrachten”, etc.
25.Inzake de stellingname van de curator “dat de drukwerkzaamheden waarvan hij betaling vordert door Schefferdrukkerij in opdracht van Eye Catchers zijn verricht en dat die werkzaamheden onbetaald zijn gebleven.”
26.Inzake de weerspreking door Eye Catchers, erop neerkomend “dat zij geen opdracht aan Schefferdrukkerij heeft gegeven, maar aan [de B.V.] , die steeds als haar opdrachtnemer heeft gefungeerd en die vervolgens zelf de opdracht voor de drukwerkzaamheden aan Schefferdrukkerij heeft gegeven.”
27.Inzake de reactie van de curator op die weerspreking door Eye Catchers.
28.Inzake de door de curator in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde verklaringen van [betrokkene 2] .
29.Inzake de stellingname van de curator over de in rov. 3.7 en 5.7 bedoelde e-mail van 1 oktober 2013.
31.Over “de partijbedoelingen” zijn geen stellingen aangevoerd in de procesinleiding los van wat hiervoor al aan bod kwam. De procesinleiding verwijst ook niet naar vindplaatsen waarin een beroep op zulke specifieke partijbedoelingen wel valt te lezen. Dit wordt trouwens niet anders door de repliek onder e.
32.Productie 24 (in hoger beroep) van Eye Catchers.
33.Zie de memorie van grieven, nr. 15.
34.Zie de memorie van grieven, nr. 14: “Eye Catchers stelt zich onverkort op het standpunt dat - gelet op het voornoemde - het gesneden en gevouwen drukwerk bij haar werd afgeleverd door [de B.V.] . Dit is niet meer dan logisch. Voordat [de B.V.] het drukwerk kon snijden of vouwen, moest het werk gedrukt zijn. Nadat [de B.V.] het drukwerk van Schefferdrukkerij heeft ontvangen, ging [de B.V.] over tot vouwen en snijden en leverde zij het totaalproduct vervolgens bij Eye Catchers af.”
35.Dit slaat terug op rov. 5.8 onder (iii), voorlaatste zin over “één afleverbon”, etc.
36.Zie de memorie van antwoord, nrs. 14-15, 26, waaronder (in nrs. 15, 26): “Vanaf dat moment was [de B.V.] ook niet meer bij de samenwerking tussen Schefferdrukkerij en Eye Catchers betrokken, behalve in een viertal gevallen waarin door Schefferdrukkerij in opdracht van Eye Catchers gedrukte “plano-vellen” nog door [de B.V.] zijn afgewerkt (vouwen en/of snijden). (…) Het feit dat er een aantal drukwerkopdrachten van Eye Catchers aan Schefferdrukkerij plano-drukwerk betroffen, welke door [de B.V.] werden afgewerkt, en de onderwerpregel van de e-mail verwijst naar “visitekaartjes”, betekent evenwel dat deze e-mail betrekking zal hebben gehad op een van die opdrachten waarbij [de B.V.] de afwerking verzorgde (zie randnummer 14 hiervoor [bedoeld zal (ook) zijn nr. 15 aldaar, A-G]).”
37.Het onderdeel is toegelicht in de procesinleiding, p. 6-7.
38.Het betreft de memorie van grieven, nr. 11 onder c: “Kort na bovengenoemde correspondentie is [de B.V.] op 19 februari 2014 in staat van faillissement komen te verkeren. Schefferdrukkerij heeft zich, kennelijk in een poging om alsnog betaald te krijgen, gewend tot Eye Catchers. Saillant detail daarbij is overigens dat kort na het faillissement van [de B.V.] , ook Schefferdrukkerij in staat van faillissement is komen te verkeren. Mede gelet op de onderhavige en bovengenoemde onder a. en b. genoemde omstandigheden blijkt aldus dat [de B.V.] en Schefferdrukkerij er alles aan gelegen waren om maar onder de tussen partijen gemaakte afspraken uit te komen door alle facturen naar Eye Catchers door te schuiven.”
39.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2 (mr. Van der Boom), vijfde alinea.
40.Zie ook de respons zijdens de curator blijkend uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 3, vanaf het midden: “Vervolgens voert mr.
41.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 3 (mr. Van der Boom), derde alinea.