Conclusie
V. Het juridisch kader
Art. 112 (oud) Sr:
veranderingvan reeds bestaande wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, is toepassing van het nieuwe recht toelaatbaar maar alleen wanneer dat voor de verdachte gunstiger is. [2] Cleiren vat beknopt samen wat door het begrip ‘verandering’ wordt bestreken en noemt in dat verband “de formulering van de delictsomschrijving, het vervallen daarvan, de in de delictsomschrijving genoemde kwalificatie en […] een verandering van de strafbedreiging”. [3] Goed beschouwd staat (anders dan in het eerste lid) in het tweede lid meer het belang van de verdachte dan het tijdstip waarop het strafbare feit is begaan centraal, in die zin dat (in de woorden van Knigge) het tweede lid in beginsel alleen bescherming biedt tegen (vernieuwde c.q. gewijzigde) bepalingen die niet ten gunste van de verdachte uitwerken. [4]
Stb. 2019/187). Sindsdien zijn (ook) ten aanzien van deze personen de algemene beledigingsartikelen in Titel XVI van het Wetboek van Strafrecht van toepassing, met dien verstande dat de wettelijke strafbedreiging met een derde is verhoogd indien de belediging aan onder anderen de echtgenoot van de Koning wordt aangedaan. Voor de vervolgbaarheid is in dat geval geen klacht vereist (art. 267, eerste lid aanhef en onder 1°, Sr en art. 269, tweede lid, Sr). Hoewel in geval van belediging van de echtgenoot van de Koning de rechter de in de eenvoudige beledigingsartikelen bepaalde gevangenisstraffen met een derde kan verhogen, ligt de bovengrens daarvan ook dan nog altijd aanmerkelijk lager dan de maximale straf die ingevolge art. 112 (oud) Sr kon worden opgelegd. De genoemde wet van 15 mei 2019 voorziet niet in overgangsrecht.
1. Doelstelling