Conclusie
1.Overzicht
middel Iheeft het Hof verzuimd ook discriminatie van tweepersoonshuishoudens ten opzichte van éénpersoonshuishoudens vast te stellen. Hij heeft alleen vergeleken met andere
meerpersoonshuishoudens. Daardoor is ’s Hofs onderzoek naar een redelijke en objectieve rechtvaardiging gebrekkig, want onvolledig, aldus de belanghebbende.
middel IIis het Hof ongemotiveerd voorbijgegaan aan essentiële stellingen. De belanghebbende heeft betoogd dat met het forfait niet is getracht de werkelijkheid te benaderen omdat het de te verwachten uitkomst van de in art. 122g(1) Waterschapswet neergelegde meting van de vervuilingswaarde niet benadert. Op dat betoog is het Hof niet ingegaan, nu de twee gronden die ’s Hofs oordeel moeten dragen dat wél voldoende zou zijn getracht de werkelijkheid te benaderen, onnavolgbaar zijn: (i) de wetgever sloot aan bij gegevens uit de praktijk van de waterschappen, maar dat impliceert geenszins dat de werkelijkheid wordt benaderd, nu die praktijk geen enkele relatie had met de te benaderen werkelijkheid, nl. de reële en meetbare vervuilingswaarde van een huishouden. (ii) De belanghebbende heeft in hoger beroep uiteen gezet dat en waarom een gemiddelde van 2,95 per meerpersoonshuishouden geen geschikte maatstaf is om de werkelijkheid te benaderen, gegeven dat de omvangverdeling van Nederlandse huishoudens ten tijde van de forfaitering en nog steeds een 'sterk rechts-scheve verdeling' is, en een gemiddelde dan geen representatieve maat is. Het effect van dat gemiddeldegebruik is dat de heffing bij
elktweepersoonshuishouden meer dan 40% te hoog uitvalt. Ook deze stelling heeft het Hof niet besproken. Een oordeel daarover ligt niet in de verwerping van de stellingen dat de feitelijke woningbezetting nauwkeuriger kan worden bepaald en dat de gemiddelde woningbezetting is gedaald naar 2,85 personen per huishouden.
nietbenaderen van de werkelijkheid dan van het wél benaderen ervan. De belanghebbende stelt mijns inziens terecht dat en waarom die aanname niet deugt als benadering van de werkelijke bezetting. Evident is dat de omvangverdeling sterk scheef is: er zijn veel te veel tweepersoonshuishoudens in verhouding tot vier-en-meerpersoonshuishoudens. Ook het eindrapport van de Commissie Aanpassing Belastingstelsel (zie 4.17 hieronder) constateert dat binnen de meerpersoons-huishoudens de tweepersoonshuishoudens verreweg de grootste groep zijn. Men hoeft dan niet doorgeleerd te hebben om te zien dat (i) alleen éénpersoonshuishoudens correct forfaitair worden aangeslagen, (ii) driepersoonshuishoudens
bijnacorrect worden aangeslagen (3 in plaats van 2,85 v.e.), (iii) tweepersoonshuishoudens
altijdzeer significant benadeeld worden (3 in plaats van 2 v.e.) en (iv) vier-en-meerpersoonshuishoudens bevoordeeld worden. In het licht van het doel van de zuiveringsheffing dat de vervuiler betaalt, discrimineert het ‘forfait’ tweepersoonshuishoudens dus vergaand en privilegieert het vier- en meerpersoons-huishoudens. Heffing uitsluitend naar 1 of 3 v.e. is duidelijk geen benadering van de werkelijke huishoudenssamenstellingen en daarmee evenmin van de werkelijke vervuiling. Het ‘forfait’ is in wezen geen forfait omdat het tweepersoons-huishoudens in
allegevallen benadeelt; het be
voordeelthen nooit, en
alleandere meerpersoonshuishoudens worden bevoordeeld.
nietbij elkaar zouden aansluiten. Ik acht daarom onjuist ’s Hofs oordeel dat (thans nog steeds) een objectieve en redelijke doelmatigheids-rechtvaardiging bestaat om voorbij te gaan aan de automatisch aangeleverde BRP-gegevens die ten tijde van de parlementaire geschiedenis waar het Hof naar verwijst wellicht nog niet beschikbaar waren, maar inmiddels wél, én die de werkelijkheid veel beter benaderen dan het ‘forfait’, én die feitelijk ook daadwerkelijk door de waterschappen gebruikt worden. Dat de wet al een beter alternatief voor het ‘forfait’ biedt, nl. heffing naar drinkwaterverbruik, is mijns inziens irrelevant zolang geen enkel waterschap het gebruikt.
De minimis non curat praetor. Als er al zo’n
victimis, meen ik dat de rechter kan volstaan met het oordeel dat de door de wetgever aangevoerde rechtvaardiging voor de evidente discriminatie van tweepersoonshuishoudens die discriminatie niet (meer) kan rechtvaardigen en dat de wetgever daar iets aan moet doen, die daartoe ook al is aangespoord door een motie van de Tweede Kamer.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
legitimate aimen kan de daaruit voortvloeiende discriminatie daarom niet rechtvaardigen. Dat het forfait tot eenvoudiger uitvoering zou leiden, zoals de wetsgeschiedenis vermeldt, klopt volgens de belanghebbende niet. Volgens haar heeft de forfaitering op drie vervuilingseenheden daar niets mee van doen, gegeven dat voor zowel dit forfait als voor een heffing naar evenredigheid van de omvang van het huishouden, de omvang van het huishouden moet worden vastgesteld. De aan de waterschappen ter beschikking staande gegevens van de BRP maken vaststelling van die omvang mogelijk. De verrekeningen en de initiële heffingen en inningen geschieden volgens de belanghebbende praktisch volgeautomatiseerd op basis van de BRP-gegevens. Van de marginale extra hoeveelheid werk en kosten kan op voorhand dan ook gevoeglijk worden aangenomen dat zij beperkt zijn.
3.Het geding in cassatie
Middel Ibetoogt dat het Hof weliswaar heeft geoordeeld dat het forfait in art. 122h(1) Waterschapswet tweepersoonshuishoudens discrimineert ten opzichte van andere meerpersoonshuishoudens, maar ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de essentiële stelling dat dat forfait een ongelijke behandeling van tweepersoonshuishoudens ten opzichte van
alleandere huishoudens inhoudt, dus ook ten opzichte van eenpersoonshuishoudens. Het forfait discrimineert tweepersoonshuishoudens ten opzichte van
alleandere huishoudens: per woninggebruiker leidt het uitsluitend voor tweepersoonshuishoudens tot hogere zuiveringslasten dan gerechtvaardigd is op basis van het door de wetgever gehuldigde principe dat 'de vervuiler betaalt'. Alle andere huishoudens worden door het forfait juist geprivilegieerd Doordat het Hof daaraan voorbij is gegaan, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het Hof meent kennelijk impliciet dat tweepersoonshuishoudens niet worden gediscrimineerd ten opzichte van eenpersoons-huishoudens. In termen van vervuilingseenheden worden zij echter precies even sterk gediscrimineerd ten op zichte van eenpersoonshuishoudens als ten opzichte van driepersoonshuishoudens. Zowel eenpersoons- als driepersoonshuishoudens worden immers effectief aangeslagen voor 1 vervuilingseenheid per persoon, terwijl tweepersoons-huishouden worden aangeslagen voor 1,5 vervuilingseenheid per persoon. Het is onbegrijpelijk waarom het Hof meent dat tweepersoonshuishoudens ten opzichte van driepersoonshuishoudens wel, maar ten opzichte van eenpersoonshuishoudens niet gediscrimineerd worden. Het Hof heeft de omvang van de discriminatie onjuist vastgesteld, waardoor de vraag of voor de algehele discriminatie van tweepersoonshuishoudens een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat niet correct beoordeeld kan worden. Het kleiner voorstellen van de discriminatie impliceert volgens de belanghebbende een
a priorionvolkomen toetsing in het nadeel van de tweepersoonshuishoudens.
middel IIis het Hof bij de vraag of een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor de geconstateerde ongunstige behandeling van tweepersoonshuishoudens ongemotiveerd voorbijgegaan aan essentiële stellingen. Het forfait voldoet volgens de belanghebbende niet aan de eis dat getracht is de werkelijkheid te benaderen en zij heeft daartoe gesteld dat van een rechtens acceptabel forfait mag gevergd worden dat het de te verwachten uitkomst van de in art. 122g(1) Waterschapswet neergelegde bepaling (bemonstering en meting) van de vervuilingswaarde tracht te benaderen en dat is niet het geval. Het Hof is daar niet kenbaar op ingegaan. Het Hof heeft verder op twee niet-begrijpelijke gronden aangenomen dat de wetgever heeft getracht de werkelijkheid te benaderen, nl. (i) de wetgever is uitgegaan van de gegevens uit de praktijk van de waterschappen, en (ii) hij is uitgegaan van een gemiddelde van 2,95 personen per huishouden. Ad (i) betoogt de belanghebbende dat uit de door het Hof geciteerde wetsgeschiedenis wel volgt dat het destijds onder de Wvo geldende maximum aansloot bij de toen gangbare praktijk van de waterschappen, maar dat dat niets zegt over de verhouding van die praktijk tot de te benaderen werkelijkheid van de reële/meetbare vervuilingswaarde van een huishouden. Die praktijk heeft geen enkele relatie met die werkelijkheid, zoals zij reeds opmerkte in punt 24 van haar hoger-beroepschrift. ’s Hofs motivering is volgens haar op dit punt dus onbegrijpelijk. Ad (ii) merkt zij op dat het Hof kennelijk bedoelde: een gemiddelde van 2,95 personen
per meerpersoonshuishouden, anders is deze grond ook feitelijk onjuist. In hoger beroep heeft de belanghebbende al uiteengezet waarom een
gemiddeldevan 2,95 personen per meerpersoonshuishouden geen deugdelijke maatstaf is om de werkelijkheid te benaderen: de omvangverdeling van Nederlandse huishoudens was en is, zowel ten tijde van de vaststelling van het forfait als momenteel, een ‘sterk rechts-scheve verdeling’, waardoor een gemiddelde geen representatieve maat is. In de beschrijvende statistiek is dat onbetwist, aldus de belanghebbende. In de parlementaire geschiedenis wordt niettemin, ondanks die (verzwegen) sterk rechts-scheve huishoudensverdeling, een gemiddelde woningbezetting van 2.95 personen per meerpersoonshuishouden als representatieve maat opgevoerd. Dat is volgens de belanghebbende bedrieglijke statistiek in het kader van een doelredenering om het getal 3 als acceptabel te presenteren omdat dat – in het licht van het verlangen de gangbare praktijk te continueren - de gewenste uitkomst was.
4.De zuiveringsheffing en diens geschiedenis en achtergrond
De huidige regeling
Stb. 1981, 573) gewijzigd naar aanleiding van uw rechtspraak over het begrip woonruimte, [27] waarvan een omschrijving in de wet ontbrak. Van die gelegenheid werd gebruik gemaakt om de vervuilingswaarde van woonruimten in de wet zelf op te nemen [28] en te stellen op ‘ten hoogste 3,5 inwonersequivalenten’. De MvT lichtte toe: [29]
Water Governance in the Netherlands: Fit for the Future? [33] dat het waterbeheer in Nederland en de financiering ervan goed georganiseerd zijn. Ter zake van de financiering adviseerde de OESO wel om economische prikkels te versterken en de vervuiler ook echt te laten betalen. Op initiatief van de toenmalige minister van Infrastructuur en Waterstaat en de waterbeheerders (provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven) is toen een traject gestart om te onderzoeken hoe de gebruiker, de vervuiler, de kostenveroorzaker c.q. de belanghebbende adequater voor de financiering van het waterbeheer kan worden aangeslagen. Het OESO-rapport was in 2015 aanleiding voor de Unie van Waterschappen om een Commissie Aanpassing Belastingstelsel (CAB) in te stellen. De ambities waren groot, gezien de taakopdracht om: [34]
U kunt vermindering krijgen voor de zuiveringsheffing als u alleen woont
5.Rechtspraak
6.Beoordeling
nietbenaderen van de werkelijkheid dan van het wél benaderen ervan. De belanghebbende stelt terecht dat en waarom die aanname niet deugt als benadering van de werkelijke bezetting, nu de omvangverdeling van Nederlandse huishoudens zowel ten tijde van de vaststelling van het forfait als nu sterk rechts-scheef (
skewed) is, waardoor een gemiddelde niet representatief is voor de werkelijke verdeling. Het oordeel dat de wetgever heeft getracht de werkelijkheid te benaderen, is dus feitelijk (statistisch) onjuist. De onbruikbaarheid van een gemiddelde voor de benadering van de werkelijkheid is in casu, anders dan in de box-3-zaken, niet zozeer dat de standaarddeviatie te groot is, maar dat de omvangverdeling te scheef is (geen
chapeau de Napolén): er zijn veel te veel tweepersoonshuishoudens ten opzichte van te weinig vier-en-meerpersoons-huishoudens. De belanghebbende heeft de willekeurige werking van het uitgaan van een gemiddelde in hoger beroep als volgt gekwantificeerd op basis van CBS-cijfers:
bijnacorrect worden aangeslagen (naar 3 v.e. in plaats van 2,85 v.e.), (iii) tweepersoonshuishoudens
altijdzeer significant benadeeld worden (aangeslagen naar 3 in plaats van 2 v.e.) en (iv) alle vier-en-meerpersoonshuishoudens bevoordeeld worden, significanter naarmate die grotere huishoudens meer personen tellen. In het licht van het doel van de zuiveringsheffing om de vervuiler te doen betalen, is het ‘forfait’ evident discriminatoir jegens tweepersoonshuishoudens en evident privilegiërend jegens vier- en meerpersoonshuishoudens. Bij dat doel past immers juist een heffing recht evenredig met het aantal vervuilers, mogelijk vanaf een zeker aantal gebruikers licht degressief omdat de (af)wasmachine en de douche denkelijk efficiënter gebruikt (moeten) worden bij grotere huishoudens. Heffing uitsluitend naar 1 of 3 personen is mijns inziens, gegeven de werkelijke CBS-cijfers, evident geen benadering van de werkelijke huishoudenssamenstellingen en daarmee te minder van de werkelijke vervuilingswaarden. Dat blijkt alleen al uit het gegeven (zie het staafdiagram) dat zelfs een – precies even doelmatige - heffing naar uitsluitend 1 of
2v.e. al een
aanzienlijkbetere benadering van de werkelijke woonruimtebezetting zou zijn omdat er veel meer tweepersoonshuishoudens dan driepersoonshuishoudens zijn. Anders dan het Hof Amsterdam (zie 5.1 hierboven) en het Hof Arnhem-Leeuwarden (zie 5.3 hierboven) suggereren, is aan het litigieuze ‘forfait’ juist
niet“eigen dat toepassing daarvan in concrete gevallen nu eens kan leiden tot een hogere heffing, dan weer tot een lagere heffing dan waartoe de regeling zonder het bestaan van het forfait zou hebben geleid.” Het 1-of-3-forfait benadeelt tweepersoonshuishoudens immers
altijd; het
bevoordeelthen nooit, en
alleandere meerpersoonshuishoudens worden bevoordeeld en nooit benadeeld.
nietbij elkaar zouden aansluiten: hoe wordt een woning waar men
nietwoont statistisch relevant gebruikt? En andersom: hoe wordt een woning waar men woont, statistisch relevant
nietgebruikt? Stelling (i) lijkt mij dus irrelevant of onjuist. Ik zie na de invoering van de automatische BRP-gegevensaanlevering geen voldoende rechtvaardiging om aan die gegevens voorbij te gaan, die (a) de werkelijkheid evident veel beter benaderen dan het ‘forfait’ en (b) bovendien al massaal door de waterschappen gebruikt worden om het aantal gebruikers te bepalen.
waterschappende manifeste discriminatie van tweepersoonshuishoudens geen knelpunt vinden (zie 4.21), lijkt mij irrelevant, gegeven dat zij dat vonden omdat de wet al het alternatief van het ‘waterspoor’ biedt, i.e. heffing evenredig naar leidingwaterverbruik. Ook dat is irrelevant, nu immers geen enkel waterschap dat waterspoor volgt, hoewel ook dat evident niet alleen veel rechtvaardiger en doeltreffender (vervuilingsevenrediger) zou zijn, maar ook doelmatiger (combinatie met de drinkwaterrekening). Dat de wet een beter alternatief voor het mijns inziens niet te rechtvaardigen ‘forfait’ biedt, lijkt mij volmaakt irrelevant zolang geen waterschap het gebruikt, al dan niet omdat er (eenmalige) overgangsproblemen zullen zijn bij koppeling van de zuiveringsheffingsadministraties aan de drinkwaterbedrijfsadministraties en mogelijk ook omdat nog niet ieder huishouden een watermeter heeft.
gemiddeldjaarverbruik van 54,8 kilo zuurstof. Dat is een eerste stap weg van de werkelijke vervuiling en van het beginsel dat de vervuiler betaalt: hij betaalt voor een
gemiddeldevervuiling, niet voor de door hem veroorzaakte vervuiling. Vervolgens is er bij de voorganger van het litigieuze art. 122h(1) Waterschapswet (zie 4.8 en 4.15), destijds vanwege uitvoerbaarheid, voor gekozen om het aantal gebruikers per woonruimte te bepalen op ofwel 1, ofwel 3. Dat gebeurde kennelijk omdat er toen nog geen automatisch voor de waterschappen beschikbaar databestand zoals de GBA of de BRP was. Daarmee werd een tweede, veel grotere stap gezet weg van de werkelijkheid en van het beginsel dat de vervuiler betaalt. Voor dat ‘forfait’ bestonden zeker doelmatigheidsargumenten vóór het automatisch voor de waterschappen beschikbaar komen van (eerst GBA- en later) BRP-gegevens. Het woonruimtegebruikersforfait is in art. 122h Waterschapswet overgenomen en bleef gebaseerd op een – zoals boven bleek - statistisch niet uitlegbare aansluiting bij een gemiddelde woningbezetting van meerpersoonshuishoudens van 2,95. Inmiddels bestaat de BRP al heel lang en blijkt uit alle boven weergegeven bronnen dat de BRP-gegevens in beginsel juist leidend zijn bij het bepalen van de heffingsmaatstaf, óók bij tweede huisjes niet op een recreatiepark. Dat blijkt uit de jurisprudentie (4.24 en 4.25 hierboven), uit de websites van waterschappen (zie 4.24 hierboven), uit het eindrapport van de CAB (“De aanslagoplegging kan eenvoudig en goedkoop plaatsvinden, doordat gegevens over samenstelling van het huishouden in de Basisregistratie Personen (BRP) voorhanden zijn en er geen onderzoek naar de werkelijke vuillast behoeft plaats te vinden” (zie 4.16 hierboven)) en uit navraag mijnerzijds bij de Unie van waterschappen.
de minimus non curat praetor. Het gaat om relatief kleine bedragen. Niet elk ergerlijk en gebrekkig onderbouwd overheidsbeleid is een mensenrechtenschending. [62] Weliswaar is het mijns inziens na het automatisch voor de waterschappen beschikbaar gekomen zijn van de BRP-gegevens van redelijke grond ontbloot om discriminatoir te blijven heffen naar uitsluitend 1 of 3 gebruikers, gegeven dat de waterschappen zich feitelijk ook daadwerkelijk op die BRP-gegevens baseren, maar omdat het om relatief kleine bedragen per jaar gaat, heb ik er moeite mee om een ‘victim’ van discriminatie in de zin van art. 14 EVRM Pro te ontwaren (“on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status”), of een andere mensenrechtenschending in de zin van art. 34 EVRM Pro die dringend om rechtsherstel door de rechter roept. Een beroep op internationaal-publiekrechtelijke grondrechten om een circa € 58 [63] te hoge zuiveringsheffing per jaar per tweepersoonshuishouden te bestrijden, lijkt banalisering van fundamentele rechten. [64]
victimin de zin van het EVRM is, meen ik daarom dat de rechter kan volstaan met het oordeel dat de door de wetgever aangevoerde rechtvaardiging voor de evidente discriminatie van tweepersoonshuishoudens die discriminatie niet kan rechtvaardigen en dat de wetgever daar iets aan moet doen, mede gegeven het vraagstuk van lastenverdeling dat ontstaat als tweepersoonshuishoudens naar 2 v.e. worden aangeslagen. Juist omdát de groep tweepersoonshuishoudens zo groot is, zou het aantal belastbare v.e. aanzienlijk dalen en die opbrengstdaling moet ergens gecompenseerd worden om de zuiveringsopdracht te kunnen blijven uitvoeren. Waar precies, lijkt mij niet aan de rechter. Ik merk daarbij op dat, gezien de aangenomen motie Van Dijk en Pierik van 18 april 2024 (zie 4.9), het parlement zijn medewetgever aan het broeden heeft gezet op vervuilingsevenredige heffing, welk broedproces de rechter, gegeven de kleine bedragen waar het om gaat, mijns inziens vooralsnog niet hoeft te verstoren.