ECLI:NL:PHR:2024:1251

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
24/00346
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 lid 1 SvArt. 265 lid 3 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 279 SvArt. 36e lid 2 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-naleving dagvaardingstermijn in hoger beroep

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat hij niet was verschenen en geen grieven had ingediend. De dagvaarding was op 24 januari 2024 rechtsgeldig betekend, maar de termijn van tien dagen tussen betekening en terechtzitting van 30 januari 2024 was niet in acht genomen. De raadsvrouw van de verdachte was niet uitdrukkelijk gemachtigd tot verdediging.

De conclusie van de plv. AG bij de Hoge Raad stelt dat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen op grond van artikel 265 lid 3 jo Pro. 413 lid 1 Sv. De dagvaarding was niet rechtsgeldig betekend op het kantooradres van de raadsvrouw, maar aan het Openbaar Ministerie met afschrift aan het laatst bekende adres van de verdachte.

De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting. Tevens wordt ingegaan op de bijzondere situatie dat de verdachte sinds november 2023 niet meer in Nederland staat ingeschreven en geen bekende verblijfplaats heeft, wat gevolgen heeft voor de betekening van de dagvaarding.

De conclusie benadrukt dat zonder uitdrukkelijke machtiging van de raadsvrouw de rechter het onderzoek niet mag voortzetten zonder schorsing, tenzij de verdachte of zijn gemachtigde aanwezig is of toestemming geeft tot verkorting van de termijn.

Uitkomst: De zaak wordt vernietigd en terugverwezen omdat het gerechtshof de dagvaardingstermijn niet in acht heeft genomen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00346
Zitting10 december 2024
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 30 januari 2024 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt dat de in artikel 413 lid 1 Sv Pro voorgeschreven termijn tussen de dag waarop de dagvaarding is betekend en de dag van de terechtzitting niet in acht is genomen, zodat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen.
2.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2024 volgt dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. De raadsvrouw van de verdachte is wel verschenen en heeft ter terechtzitting medegedeeld dat zij niet door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Het proces-verbaal houdt voorts in:
“De voorzitter deelt mede dat er geen grieven zijn ontvangen.
De advocaat-generaal vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep. Het hof trekt zich terug voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat.
De voorzitter stelt vast dat de oproeping van de verdachte in hoger beroep op de juiste wijze is betekend.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 januari 2024 houdt niets is waaruit kan volgen dat de niet-gemachtigde raadsvrouw de gelegenheid heeft gehad te klagen over de betekening van de dagvaarding voor die terechtzitting. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de raadsvrouw die gelegenheid niet heeft gehad. Dat betekent dat in cassatie kan worden geklaagd over de uitreiking van deze dagvaarding. [1]
2.4
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich onder meer:
(i) drie akten van uitreiking, betreffende een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om op 30 januari 2024 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. De eerste akte houdt in dat op 21 december 2023 is geprobeerd die dagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats]. De verdachte bleek niet (meer) op dat adres te wonen, dus de dagvaarding kon niet worden uitgereikt. De tweede akte houdt in dat de dagvaarding op 28 december 2023 is uitgereikt aan iemand (een secretaresse) die zich bevond op het adres [b-straat 1] te Rotterdam. De derde akte houdt in dat op 24 januari 2024 is vastgesteld dat de verdachte op de dag van eerste aanbieding (dus 21 december 2023) en 5 dagen daarna in de BRP stond ingeschreven op de [a-straat 1] te [plaats], dat de dagvaarding op die dag is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie en dat een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan het op de akte vermelde adres, te weten de [a-straat 1] te [plaats].
(ii) een informatiestaat SKDB-persoon van 24 januari 2024 betreffende de verdachte. Deze informatiestaat houdt in dat de verdachte niet is gedetineerd en sinds 15 juni 2021 staat ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens op het adres [a-straat 1] te [plaats]. [2]
2.5
Artikel 413 lid 1 Sv Pro schrijft voor dat tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en de dag van de terechtzitting een termijn van ten minste tien dagen moet zijn verlopen. Wanneer deze dagvaardingstermijn niet in acht is genomen, de verdachte niet is verschenen en de verdachte evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van deze termijn, moet de rechter het onderzoek schorsen. Dit blijkt uit artikel 265 lid 3 Sv Pro, welke bepaling in artikel 413 lid 1 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is verklaard.
2.6
De vraag die opkomt is wanneer de termijn van tien dagen is aangevangen. Het antwoord hierop is afhankelijk van de dag waarop de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. De uitreiking van 28 december 2023 op de [b-straat 1] te Rotterdam kan niet als zodanig gelden. Dit adres is opgenomen in de bij de akte rechtsmiddel gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsvrouw van 3 augustus 2021 en betreft het kantooradres van de raadsvrouw. Dit adres heeft slechts te gelden als de opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding als bedoeld in artikel 450 lid 3 Sv Pro. [3] In deze zaak heeft zich niet de in die wetsbepaling voorziene situatie voorgedaan dat aanstonds na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen is uitgereikt aan een medewerker ter griffie. Van toezending van een afschrift in dat kader is dus geen sprake geweest.
2.7
Na de vergeefse aanbieding van de dagvaarding op het adres [a-straat 1] te [plaats] op 21 december 2023 is de uitreiking aan het Openbaar Ministerie, met afschrift aan de [a-straat 1] te [plaats], op 24 januari 2024 gelet op artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv wel rechtsgeldig. [4]
2.8
Tussen de dag van de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding op 24 januari 2024 en de dag van de terechtzitting op 30 januari 2024 zijn geen tien dagen verstreken, zoals voorgeschreven in artikel 413 lid 1 Sv Pro. De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en uit de stukken van het geding blijkt niet dat de verdachte heeft ingestemd met een verkorting van de dagvaardingstermijn. Het hof had het onderzoek ter terechtzitting gelet op artikel 265 lid 3 Sv Pro dus moeten schorsen. [5]

3.Slotsom

3.1
Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Zie HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360 en HR 22 september 2020, ECLI:HR:NL:2020:1453.
2.Deze informatie lijkt niet actueel te zijn geweest. Uit de zich in het dossier bevindende SKDB-bevraging van 13 mei 2024 volgt dat de verdachte van 15 juni 2021 tot 9 november 2023 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Vanaf 9 november 2023 is hij geregistreerd als niet ingezetene, zonder bekende woon of verblijfplaats in Nederland en vertrokken naar ‘Land onbekend’.
3.Zie HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701. Het in een schriftelijke bijzondere volmacht opgenomen kantooradres van een advocaat is ook geen adres waarop art. 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv het oog heeft, zie r.o. 2.4.2 van voornoemd arrest.
4.Gelet op de in noot 2 genoemde SKDB-bevraging van 13 mei 2024 zou achteraf kunnen worden vastgesteld dat de verdachte met ingang van 9 november 2023 niet was ingeschreven in de BRP. Met de vaststelling - op basis van de informatiestaat SKDB-persoon van 24 januari 2024 - dat de verdachte ten tijde van de uitreiking niet was gedetineerd in Nederland, en dat ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend was, zou kunnen worden betoogd dat zich het in HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, r.o. 2.4.3 genoemde specifieke geval voordoet (althans een op relevante punten daarmee vergelijkbare situatie), waarin de rechter in hoger beroep bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op grond van artikel 279 Sv Pro gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel het in de schriftelijke bijzondere volmacht vermelde kantooradres van de advocaat. Indien daarover geklaagd zou zijn, zou ik van mening zijn geweest dat de uitreiking van de dagvaarding op het kantooradres als zodanig zou kunnen gelden.
5.Dit zou slechts anders zijn geweest indien de raadsvrouw op de voet van art. 279 Sv Pro door de verdachte tot de verdediging zou zijn gemachtigd. In dat geval hoeft de rechter het onderzoek niet te schorsen tenzij de gemachtigde raadsvrouw uitstel verzoekt op de grond dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig wenst te zijn en/of op de grond dat uitstel is geboden in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging. Een verzoek tot uitstel vanwege de uitoefening van het aanwezigheidsrecht kan niet worden afgewezen. Een verzoek tot uitstel in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging kan slechts worden afgewezen als de rechtbank van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad als het onderzoek wordt voortgezet, zie HR 8 juni 2010, ECLI:HR:2010:BM0154.