Conclusie
Ten aanzien van feiten 1 en 2 subsidiair:
als relaas van verbalisant voornoemd, opgenomen op pagina 3 en verder, zakelijk weergegeven:
een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2019186748-10, opgenomen op pagina 19, opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier van politie, gesloten op 25 juni 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige, genummerd PL0900-20191 86748-5, opgenomen op pagina 102, opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier van politie, gesloten op 8 juli 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina 110 en verder, een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2019.07.078, opgemaakt door dr. J. Dalmolen, gedateerd 4 oktober 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2019186748-15, opgenomen op pagina 131, opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie, gesloten op 10 oktober 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een proces-verbaal van bevindingen, BVH nummer 2019186748, opgenomen op pagina 137, opgemaakt door [verbalisant 7] , brigadier van politie, gesloten op 2 september 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
NJ2020/251, m.nt. Sackers heeft de Hoge Raad daarover nog de volgende uiteenzetting gegeven. De “meer of mindere” mate van bewustheid“ geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts is vereist dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26 WWM Pro. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen. Kort samengevat gaat het hier dus om drie strafbepalende factoren: aanwezigheid, bewustheid en machtsuitoefening. [2]
NJ1979/84 waren wapens en munitie op de zolder van een garage van een motorclub door de verdachte verstopt. Een derde had de sleutel van deze garage. De verdachte zou de sleutel weer gekregen hebben zodra hij de wapens en munitie daar weg wilde halen. Het oordeel van het hof dat dit voldoende was om beschikkingsmacht aan te nemen, werd door de Hoge Raad in stand gelaten. Anders lag het in HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370,
NJ2010/682. In een door de verdachte gehuurde opslagruimte was een vuurwapen en munitie aangetroffen. De verdachte had ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij alleen naar de box ging als hij iets moest opslaan of ophalen, hij niet wist dat er in de box een riotgun en munitie lagen, dat hij toegang had tot de (inhoud van de) opslag-box en dat ook anderen, van wie hij de naam niet kon noemen, toegang tot de box hadden. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat de verdachte het wapen en de munitie voorhanden had in de zin van art. 26 WWM Pro omdat hij over het wapen en de munitie kon beschikken, in het licht van de niet door de bewijsmiddelen weersproken verklaring van de verdachte dat ook anderen dan hijzelf de sleutel hadden van de opslag-box waar het vuurwapen en de munitie waren aangetroffen, niet zonder meer begrijpelijk was.