Conclusie
MW Techniek(eiseres tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep), en
[verweerders]in meervoud (verweerders in cassatie, eisers in het incidentele cassatieberoep).
1.Inleiding
2.Feiten
C. Technische gegevens MTS2102
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij heeft, na wijziging van eis, gevorderd dat de rechtbank:
in conventie(i) voor recht verklaard dat de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de mestwaterunit MTS 2102 type 9860 op 3 februari 2020 (partieel, dat wil zeggen voor de toekomst) is ontbonden wegens een aan [verweerders] toe te rekenen tekortkoming, (ii) [verweerders] veroordeeld om aan MW Techniek een bedrag van € 301.300,-- excl. btw te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, (iii) [verweerders] veroordeeld om aan MW Techniek de beslagkosten van € 313,49 incl. btw te betalen, en (iv) [verweerders] veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft
in reconventiede vorderingen van [verweerders] afgewezen, met veroordeling van hen in de proceskosten.
Wij willen alles verwerkt hebben in 1 besturingskast/plc, dus 1 kabel vanaf de verdeler naar 1 kast’ […]. Nadat [A] te [plaats] op verzoek van MW Techniek de kosten van de bouw van deze kast had begroot op een richtprijs van € 127.700,00 exclusief btw, heeft MW Techniek aan [A] op 7 augustus 2019 daartoe opdracht verstrekt […]. De plc-kast is vervolgens bij [verweerders] geleverd en geplaatst. In de ondertekende overeenkomst die gedateerd is op 1 juli 2019 […] staat als totaalprijs € 669.000,00 vermeld.
Dit alles is voortijdig besproken en overeengekomen alvorens wij de overeenkomst zijn aangegaan. Wij nemen dan ook afstand van de meerkosten welke hier volgens jullie aan verbonden zijn.” […]. Ter verdere onderbouwing van zijn standpunt verwijst [verweerders] naar de schriftelijke verklaring van [de zoon van verweerders] van 30 juni 2020 […].
het hof). Zij hebben gevorderd dat het hof de vonnissen vernietigt,
in conventiede vorderingen van MW Techniek alsnog volledig afwijst en
in reconventie de vorderingen van [verweerders] alsnog volledig toewijst, met veroordeling van MW Techniek in de proceskosten van beide instanties. [verweerders] hebben verder gevorderd dat het hof MW Techniek veroordeelt om aan [verweerders] terug te betalen al hetgeen zij uit hoofde van de vonnissen van de rechtbank aan MW Techniek hebben betaald, vermeerderd met de wettelijke rente.
Verschuldigdheid en opeisbaarheid van de factuur van 12 december 2019?
Zijn [verweerders] in verzuim komen te verkeren en was partiële ontbinding door MW Techniek gerechtvaardigd?’ het volgende overwogen:
Verschuldigdheid en opeisbaarheid van de factuur van 13 januari 2020?’ het volgende overwogen:
het arrest). [verweerders] hebben een verweerschrift ingediend waarin zij concluderen tot verwerping van het cassatieberoep. Zij hebben tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. MW Techniek heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van dat beroep. Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten. MW Techniek heeft gerepliceerd.
4.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
Subonderdeel 1.1bevat de klacht dat de slotsom in r.o. 3.21 dat het deel van de eindfactuur dat de plc-kast betreft niet kan worden toegewezen, onjuist is. Volgens het subonderdeel berust deze slotsom op een verkeerde toepassing door het hof van de maatstaf van art. 7:755 BW Pro. Betoogd wordt dat het hof de maatstaf van dit artikel in r.o. 3.21 weliswaar vooropstelt, maar dat het die maatstaf vervolgens onvolledig en derhalve verkeerd toepast. Ter toelichting stelt het subonderdeel dat uit r.o. 3.21 blijkt dat het hof
welheeft beoordeeld of MW Techniek heeft voldaan aan de waarschuwingsplicht van art. 7:755 BW Pro, [15] maar dat het vervolgens ten onrechte
nietheeft getoetst of de tenzij-bepaling van dit wetsartikel van toepassing is. Toepassing van deze tenzij-bepaling kan, zo stelt het subonderdeel, zelfstandig meebrengen dat de meerkosten in verband met de ombouw naar één enkele plc-kast door [verweerders] betaald moeten worden.
subonderdeel 1.2klemt de klacht van subonderdeel 1.1 temeer, omdat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tenzij-bepaling toegepast moet worden en dat de meerkosten in verband met de ombouw naar één enkele plc-kast daarom door [verweerders] aan MW Techniek betaald moeten worden. Ter toelichting stelt het subonderdeel dat de rechtbank in r.o. 2.25 van het eindvonnis niet alleen heeft geoordeeld dat MW Techniek wat betreft de meerkosten in verband met de ombouw naar één enkele plc-kast heeft voldaan aan de waarschuwingsplicht van art. 7:755 BW Pro, maar dat zij daarnaast ook tot het zelfstandig dragende oordeel is gekomen dat [verweerders] uit zichzelf hadden moeten begrijpen dat de ombouw naar één enkele plc-kast meerkosten met zich bracht. Het subonderdeel citeert de volgende passage:
de omvang van de prijsverhogingdan wel
de (concreet) te verwachten meerkosten. Uw Raad heeft dit betoog verworpen:
op initiatief van [verweerders]heeft onderzocht of hun bijzondere wens van één plc-kast kon worden gerealiseerd en welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn.
niet tot de hoofdovereenkomstkunnen worden gerekend
maar als meerwerkmoeten worden gekwalificeerd. De enkele omstandigheid dat de overeenkomst is ondertekend nadat opdracht is gegeven voor de bouw van één op maat gemaakte plc-kast, maakt niet dat die door [verweerders] gewenste bijzondere uitvoering geacht moet worden te zijn inbegrepen in het geoffreerde bedrag.
[verweerders] hadden moeten begrijpen dat de bouw van één enkele plc-kast meerkosten met zich bracht. MW Techniek heeft namelijk onbetwist aangevoerd dat dit geen standaard werkwijze is en dat slechts een klein deel van de onderdelen van de fabrieksmodules hergebruikt konden worden. Verder wisten [verweerders] dat voor de installatiewerkzaamheden een derde ingeschakeld zou worden, hetgeen logischerwijs kosten met zich brengt, en hebben zij niet gereageerd op de hoogte van de gestelde kosten, hoewel die onderbouwd zijn door een offerte van [A] .
en(iii) [verweerders] (daarnaast) hadden moeten begrijpen dat de bouw van één enkele plc-kast meerkosten met zich bracht.
nietis opgenomen in de door MW Techniek verstuurde offerte van 26 april 2019 en
evenminin de overeenkomst van 1 juli 2019, in cassatie herhaald. [28] Met betrekking tot deze stukken acht ik het van belang op te merken dat [verweerders] in de toelichting op grief 1, die zich richtte tegen het oordeel van de rechtbank dat MW Techniek niet was gehouden om de mestwaterunit reeds op 1 oktober 2019 gebruiksklaar op te leveren, hebben aangevoerd dat de offertedatum 1 juli 2019 is geworden omdat zij te laat waren met het aanvragen van een subsidie voor de mestwaterunit. [29] Zij schrijven vervolgens dat er tussen de offerte van 9 mei 2019 [30] en de offerte van 1 juli 2019
geen inhoudelijke verschillenzitten (behalve de door MW Techniek toegevoegde passage bij de opleverdatum).
daaromgerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de plc-kast niet tot extra kosten zou leiden. [31] Deze stellingen zijn ingenomen in het kader van de betwisting door [verweerders] dat partijen zijn overeengekomen dat de plc-kast als meerwerk zou worden uitgevoerd, maar zij raken naar mijn mening tevens aan het kenbaarheidsaspect van de tenzij-bepaling van art. 7:755 BW Pro. Ik ga uit van de hiervoor weergegeven lezing. Dit brengt mee dat subonderdeel 1.2 feitelijke grondslag mist.
onderdeel 2is ontoereikend gemotiveerd de slotsom in r.o. 3.21 dat het deel van de eindfactuur dat de plc-kast betreft niet kan worden toegewezen, voor zover deze slotsom berust op het oordeel dat niet is komen vast te staan dat MW Techniek wat betreft de noodzaak van een prijsverhoging ten aanzien van de plc-kast heeft voldaan aan de waarschuwingsplicht van art. 7:755 BW Pro. Het onderdeel stelt ter toelichting dat het hof niet heeft gerespondeerd op de volgende stelling [33] van MW Techniek die zich volgens het onderdeel niet anders laat verstaan dan dat MW Techniek wat betreft de noodzaak van een prijsverhoging ten aanzien van de plc-kast
welheeft voldaan aan de waarschuwingsplicht:
Ik weet zekerdat ik de e-mail van [A] wel heb gecommuniceerd met [verweerder 1] . Ik weet niet zeker of ik deze e-mail ook doorgestuurd heb naar [verweerder 1] .” [37]
[verweerders] heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist.”
Subonderdeel 3.1bevat de klacht dat onjuist is de slotsom in r.o. 3.21 dat het deel van de eindfactuur dat de plc-kast betreft niet toegewezen kan worden, voor zover deze slotsom berust op het oordeel dat het bij dit deel mede gaat om een bedrag van € 4.200,-- (“te weten € 4.200,- en € 127.700 -/- € 28.000,-”). Volgens het subonderdeel is het hof met deze slotsom en dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden en heeft het aldus de negatieve devolutieve werking van het hoger beroep miskend. Ter toelichting stelt het subonderdeel dat de rechtbank heeft geoordeeld dat [verweerders] de eindfactuur van 13 januari 2020 [41] (€ 37.300,--) moeten betalen (r.o. 2.25). Volgens het subonderdeel gaat het daarbij derhalve ook om het op de factuur vermelde bedrag van € 4.200,- voor montage-uren. Het subonderdeel stelt dat [verweerders] het oordeel weliswaar hebben bestreden in grief 4, maar dat zij in de toelichting alleen stellingen hebben betrokken over (i) het op de factuur vermelde bedrag van € 4.000,-- voor de huur van een vorkheftruck en (ii) het op die factuur vermelde bedrag van € 127.700,-- voor de ombouw naar één enkele plc-kast. [42] Het subonderdeel stelt dat [verweerders] ter onderbouwing niets hebben gesteld over het op de factuur vermelde bedrag van € 4.200,-- voor montage-uren en dat het hof aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden door het vonnis niet alleen te vernietigen wat betreft het op de factuur vermelde bedrag van € 127.700,-- (plc-kast) maar ook wat betreft het daarop vermelde bedrag van € 4.200,-- (montage-uren).
Allereerst is tussen partijen niet in geschil dat de daarin genoemdekosten van de Nir-sensor met doorstromingsmeter van € 15.400,00 en
montage-uren van € 4.200,00 – die verband houden met de door [verweerders] gewenste verhoging van de mestwaterunit – meerwerk opleveren dat voor vergoeding in aanmerking komt. […] [verweerders] heeft verder nog betoogd dat MW Techniek arbeidsuren heeft uitgespaard, omdat zij haar werkzaamheden per 17 december 2019 heeft gestaakt. Dit verweer van [verweerders] is – voor zover dat vanwege de stellingen van MW Techniek al juist zou zijn, nu MW Techniek stelt dat meerwerk is verricht – echter niet relevant, omdat de facturen niet als schade maar op grond van nakoming worden toegewezen. [verweerders] was gelet op de overeenkomst immers gehouden om zowel voor de materialen als werkzaamheden te betalen zodra de onderdelen geleverd waren (100% bij levering), zodat ook de gevorderde vergoeding van arbeid helemaal verschuldigd is nu de rechtbank heeft vastgesteld dat op het moment van factureren alle onderdelen geleverd waren. De rechtbank zal dan ook geen arbeidsuren in mindering brengen op de verrekenfactuur.”
verband houdenmet de door [verweerders] gewenste verhoging van de mestwaterunit en dat die uren meerwerk opleveren dat voor vergoeding in aanmerking komt. Tegen dit oordeel hebben beide partijen in hoger beroep niet gegriefd.
5.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
Subonderdeel 1.1geeft puntsgewijs de overwegingen van het hof weer, maar bevat geen klacht.
Daaruit volgt dat indien MW Techniek aannemelijk heeft gemaakt dat alle onderdelen bij haar waren afgeleverd (en dus aan [verweerders] geleverd) op [verweerders] de verplichting rustte om de factuur van 12 december 2019 te betalen.”
nietbij MW Techniek aanwezig waren (hetgeen, zo zij opgemerkt, een vrij lastige opgave zou zijn geweest), meen ik dat de bewuste passages niet zo dienen te worden gelezen. De achtergrond voor de gekozen bewoordingen is kennelijk gelegen in het feit dat [verweerders] in hoger beroep appellant waren die in grief 2 onder meer opkwamen tegen het volgende oordeel van de rechtbank (eindvonnis, r.o. 2.12):
De stelling van MW Techniek dat toen zij de factuur van 12 december 2019 zond, alles geleverd was – deels bij [verweerders] en deels bij haarzelf – heeft [verweerders] onvoldoende gemotiveerd weersproken.”
verweerte voeren tegen de stelling van MW Techniek dat, toen zij de factuur van 12 december 2019 zond, alles bij haar was afgeleverd. Dit hebben zij gedaan in de dagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven. MW Techniek heeft de stellingen van [verweerders] vervolgens gemotiveerd weersproken. De bewoordingen van het hof dienen te worden gelezen tegen de achtergrond van het voorgaande. Aldus kan naar mijn mening niet worden gezegd dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast op MW Techniek rusten. Het subonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag. Bij de bespreking van de volgende subonderdelen neem ik dit tot uitgangspunt.
genoegzaam heeft aangetoonddat alle noodzakelijke onderdelen van de mestwaterunit bij haar aanwezig waren. Het hof heeft het volgende overwogen:
deze stellingonvoldoende gemotiveerd hebben weersproken. Het hof verwijst daarbij steeds naar de producties waarbij de stukken door MW Techniek in het geding zijn gebracht. Uit dit oordeel, dat mede moet worden bezien in samenhang met de hiervoor in 5.6 onder (i) en (iii) weergegeven overwegingen, volgt dat in rechte genoegzaam is aangetoond dat alle onderdelen van de mestwaterunit bij MW Techniek waren afgeleverd.
steltdat alle onderdelen waren geleverd en bij haar stonden en dat MW Techniek meerdere keren heeft aangeboden die onderdelen alsnog te leveren, [44] kan niet de conclusie rechtvaardigen dat zij zulks ook in het licht van de betwisting door [verweerders] afdoende heeft bewezen.
bereidheidheeft geuit de laatste onderdelen te leveren en [verweerders] dit bij e-mail van 2 januari 2020 van de hand hebben gewezen [45] kan nog niet de conclusie worden getrokken dat die onderdelen ook daadwerkelijk tijdig waren afgeleverd.
een aanwijzingvormen om te komen tot het oordeel dat die onderdelen al eerder aan MW Techniek waren geleverd en derhalve tot haar beschikking stonden. Aangezien [verweerders] het aanbod van de hand hebben gewezen, kon in elk geval niet meer worden vastgesteld dat de onderdelen, naar [verweerders] hebben gesteld, er
nietwaren. Het door het subonderdeel bestreden oordeel moet worden bezien in samenhang met de hiervoor in 5.6 onder (ii) en (iii) weergegeven overwegingen. Gezamenlijk kunnen zij leiden tot het oordeel dat MW Techniek genoegzaam heeft aangetoond dat alle onderdelen bij haar waren afgeleverd (en dus aan [verweerders] geleverd; zie r.o. 3.7, tweede volzin). Het subonderdeel faalt.
subonderdeel 1.6is het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het geen (kenbare) aandacht besteedt aan het betoog van [verweerders] dat uit de factuur van 13 januari 2020 blijkt dat niet aanwezig waren het mesttransportsysteem, de volledige bekabeling, het leidingwerk, het PLC programma en de transportsystemen tussen de verschillende machines. [46] Het subonderdeel stelt dat [verweerders] (ter betwisting) voorts hebben aangevoerd dat uit de pogingen om beslag te leggen bleek dat nog ontbraken een gedeelte van het roerwerk en de aandrijving van de droogtorens, het mesttransportsysteem, het NIR apparaat, meetsensoren, bekabeling en het PLC programma [47] en dat het hof aan die stelling evenmin kenbare aandacht heeft besteed. Volgens het subonderdeel vormt het enkel opsommen door het hof in r.o. 3.6 van de in het subonderdeel genoemde stellingen geen begrijpelijke bespreking daarvan.
nietbetrekking hebben op de door MW Techniek in het geding gebrachte pakbonnen van onder andere 25 juli 2019 en foto’s.
welwas afgeleverd.
subonderdeel 1.12is het hof met een dergelijk opschortingsoordeel bovendien buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden, aangezien de rechtbank had geoordeeld dat de factuur van 12 december 2019 op dat moment opeisbaar was, [verweerders] dat oordeel in hoger beroep hebben bestreden en partijen derhalve niet hebben gedebatteerd over de vraag of [verweerders] een opschortingsrecht ter zake de factuur konden uitoefenen wegens het niet afleveren van de onderdelen.
Subonderdeel 2.1geeft puntsgewijs de overwegingen van het hof weer, maar bevat geen klacht.
en opeisbaarwas kan niet worden gezegd dat het oordeel dat MW Techniek uit mededelingen van [verweerder 1] kon afleiden dat [verweerders] in de nakoming van hun betalingsverplichting zouden tekortschieten (als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder c, BW), onbegrijpelijk is. Onvoldoende gemotiveerd is het evenmin.
subonderdeel 2.3dat het oordeel inzake het verzuim onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de volgende essentiële stellingen van [verweerders] : (i) [verweerders] waren bereid te betalen op het moment dat zij met eigen ogen mochten zien dat alle materialen daadwerkelijk bij MW Techniek geleverd waren; (ii) tijdens de bijeenkomst op het kantoor van de advocaat van MW Techniek is niet gezegd dat [verweerders] niet meer zouden betalen; (iii) [verweerders] hebben in het telefoongesprek op 8 januari 2020 gevraagd om de geleverde zaken bij MW Techniek te mogen inspecteren; (iv) MW Techniek heeft dit verzoek afgewezen; en (v) uit de transcriptie van het telefoongesprek op 8 januari 2020 volgt dat [verweerders] niet van plan waren om te stoppen met betalen. Het subonderdeel stelt dat uit deze stellingen volgt dat [verweerders] hun betalingsverplichting zouden nakomen als de onderdelen zouden zijn geleverd en de factuur dus opeisbaar was.
zelfheeft verklaard dat hij heeft gezegd niet te zullen betalen totdat er zou worden geleverd. Als ik het goed zie, hebben de stellingen waarnaar het subonderdeel verwijst, op deze overweging geen betrekking. Vaststaat dat MW Techniek genoegzaam heeft bewezen (aannemelijk heeft gemaakt) dat de overeengekomen onderdelen van de mestwaterunit op of omstreeks 12 december 2019 alle bij haar waren afgeleverd. Het oordeel dat MW Techniek de verklaring van [verweerder 1] heeft mogen uitleggen als een weigering om tot betaling van de factuur van 12 december 2019 over te gaan, is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in dat verband nog overwogen dat MW Techniek heeft aangeboden om de onderdelen alsnog voorafgaand aan de installatie bij [verweerders] af te leveren en dat dit aanbod door [verweerders] niet is aanvaard. Eerder in r.o. 3.7 heeft het hof daarover, in cassatie onbestreden, overwogen:
subonderdeel 2.4is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het aanbod van MW Techniek om de onderdelen alsnog voorafgaand aan de installatie bij [verweerders] af te leveren is gedaan onder de voorwaarde dat [verweerders] de factuur van 12 december 2019 zouden betalen, terwijl [verweerders] zich op het standpunt stellen dat de betaling daarvan nog niet opeisbaar was omdat de onderdelen nog niet waren geleverd. De weigering van dat (voorwaardelijke) aanbod van MW Techniek door [verweerders] kan, zo stelt het subonderdeel, dus niet op begrijpelijke wijze bijdragen aan de conclusie dat [verweerders] de factuur in het geheel niet zouden betalen.
subonderdeel 3.2 [51] is dit oordeel onbegrijpelijk, nu tussen partijen vaststaat dat het meerwerk met betrekking tot de plc-kast een bedrag ter hoogte van € 127.700,-- en € 4.200,-- omvatte. Het subonderdeel stelt dat dit ook volgt uit r.o. 2.19 van het eindvonnis, waarin de rechtbank, in hoger beroep onbestreden, vaststelt dat genoemde bedragen zien op de PLC-ombouw respectievelijk de arbeidsuren voor de montage en als meerwerkkosten kwalificeren. Volgens het subonderdeel is daarom zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het hof enerzijds terecht oordeelt dat het meerwerk niet in rekening gebracht kon worden, maar anderzijds daarop wel een bedrag van € 28.000,-- in mindering brengt.
subonderdeel 4.1 [52] als volgt samengevatte oordelen:
nietslechts acht moet worden geslagen op de bewoordingen daarvan, maar dat ook betekenis toekomt aan de inhoud van (i) hetgeen aan de eis ten grondslag is gelegd, (ii) de wijze waarop de wederpartij de eis heeft opgevat en redelijkerwijs heeft moeten opvatten, en (iii) het overige partijdebat. [53] Dat geldt ook voor de uitleg van een vordering tot het geven van een verklaring voor recht van een bepaalde inhoud. [54]
voor de toekomst (partieel) te ontbindenen geeft dit voor zover nodig thans door middel van dit bericht uitdrukkelijk te kennen aan uw cliënte. Cliënte acht zich niet meer gebonden aan de overeenkomst en wenst de schade op uw cliënte te verhalen. Het uit voeren van de opdracht is onder de gegeven omstandigheden door uw cliënte onmogelijk gemaakt. Mijn cliënte kan redelijkerwijs niets anders doen dan deze ontbinding uit te spreken.
daaronder begrepen de openstaande facturen tot heden[…]”
thansuitdrukkelijk de overeenkomst tussen partijen
voor de toekomst te ontbinden.”
omdat de facturen niet als schade maar op grond van nakoming worden toegewezen.
[verweerders] was gelet op de overeenkomst immers gehouden om zowel voor de materialen als werkzaamheden te betalen zodra de onderdelen geleverd waren (100% bij levering), zodat ook de gevorderde vergoeding van arbeid helemaal verschuldigd is nu de rechtbank heeft vastgesteld dat op het moment van factureren alle onderdelen geleverd waren. De rechtbank zal dan ook geen arbeidsuren in mindering brengen op de verrekenfactuur.”
. De overeenkomst is partieel voor de toekomst ontbonden en de afwikkeling van de situatie die door de ontbinding is ontstaan, is door een afrekenfactuur van MWT tot stand gekomen. Dit heeft de rechtbank ook gevolgd. Derhalve is van een tegenstrijdigheid geen sprake. […]”
6.Conclusie
principale cassatieberoeptot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 december 2022 en tot verwijzing, en in het
incidentele cassatieberoeptot verwerping.