ECLI:NL:PHR:2024:181

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
15 februari 2024
Zaaknummer
22/03249
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 361a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid hof bij herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling in hoger beroep

In deze zaak stond de vraag centraal of een gerechtshof bevoegd is om in hoger beroep te beslissen over vorderingen tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens een nieuw strafbaar feit, wanneer de rechtbank in eerste aanleg deze beslissing niet in het vonnis heeft opgenomen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep moet worden verworpen omdat uit wetgeving en jurisprudentie volgt dat dergelijke vorderingen in hoger beroep aan de orde kunnen komen.

De zaak betrof een verdachte die tijdens de tenuitvoerlegging van eerdere gevangenisstraffen voorwaardelijke invrijheidstelling had gekregen. De rechtbank had nagelaten om in het vonnis over de nieuwe strafzaak een beslissing te nemen over de vorderingen tot herroeping. De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukte dat dit een schending van artikel 361a Sv (oud) is, maar dat het gerechtshof deze fout in hoger beroep kan herstellen.

Na indiening van de conclusie werd een aparte beslissing van de rechtbank toegevoegd waarin de vorderingen tot herroeping werden toegewezen. De verdediging voerde aan dat het hof niet bevoegd was omdat de beslissing niet in het vonnis was opgenomen, maar dit verweer werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de regels omtrent herroeping aansluiten bij de parlementaire geschiedenis en eerdere rechtspraak, waaronder het arrest van 25 juni 1996, en dat het hoger beroep tegen de gecombineerde beslissing van herroeping en nieuwe strafzaak mogelijk is.

Het cassatiemiddel faalde en er werden geen ambtshalve gronden gevonden om het arrest te vernietigen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof is bevoegd om in hoger beroep te beslissen over de vorderingen tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03249

Zitting27 februari 2024
AANVULLENDE CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
Deze conclusie is een aanvulling op mijn eerdere conclusie in deze zaak van 16 januari 2024. [1] Ik verwijs graag naar die eerdere conclusie voor een omschrijving van het bestreden arrest, het daaraan voorafgaande procesverloop en de relevante wettelijke kaders.
1.2
Kort gezegd stelde het in die conclusie besproken oorspronkelijke cassatiemiddel de vraag aan de orde of het gerechtshof mocht beslissen over twee vorderingen tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling. Die voorwaardelijke invrijheidstelling had plaatsgevonden tijdens de tenuitvoerlegging van twee eerder door de rechter opgelegde gevangenisstraffen. Het cassatiemiddel en mijn conclusie namen als uitgangspunt dat de rechtbank had verzuimd op de vorderingen te beslissen. Volgens de stellers van het middel vielen de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom niet binnen de omvang van het hoger beroep en was het hof ook niet bevoegd kennis te nemen van deze vorderingen.
1.3
Mijn conclusie strekte tot verwerping van dit cassatieberoep. Samengevat waren mijn overwegingen dat uit het samenstel van wetgeving en rechtspraak volgt dat een vordering tot herroeping, nadat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg was aangevangen, steeds in hoger beroep aan de orde is, zelfs als de rechtbank niet tot een inhoudelijk oordeel over de vordering is gekomen. Dit zou naar mijn mening ook moeten gelden in een geval als dit. Daarbij gold dat de rechtbank art. 361a Sv (oud) had geschonden door geen beslissing te nemen over de vorderingen tot herroeping en dat het gerechtshof deze fout in hoger beroep kon herstellen.
1.4
Na mijn conclusie is alsnog een afzonderlijke beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2017 toegevoegd aan het dossier. In deze beslissing worden de beide vorderingen tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
1.5
Daartoe in de gelegenheid gesteld, is namens de verdachte door J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, een gewijzigd schriftuur van cassatie ingediend. Dit stuk bevat tevens, voor zover nog relevant, een reactie op mijn conclusie van 16 januari 2024.

Het gewijzigde middel

2.1
Het middel houdt nog steeds in dat de vorderingen tot herroeping geen onderdeel uitmaakten van de omvang van het hoger beroep en dat het hof niet bevoegd was kennis te nemen van die vorderingen. Het legt daar nu echter aan ten grondslag dat de beslissing van de rechtbank, in strijd met de wet, geen deel uitmaakt van het vonnis van de rechtbank in de nieuwe strafzaak die de aanleiding is geweest voor de vorderingen.
2.2
Zoals ik in mijn conclusie van 16 januari 2024 heb uiteengezet, schreef het hier toepasselijke art. 361a Sv (oud) voor dat de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens overtreding van de algemene voorwaarde, wordt opgenomen in het vonnis over de nieuwe strafzaak die de reden is voor het indienen van die vordering. [2] Verder heb ik betoogd dat bij de uitleg van de regels over de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling aansluiting moet worden gezocht bij de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak over de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. [3] Dit zou betekenen dat hoger beroep alleen mogelijk is tegen de beslissingen over de herroeping en over de nieuwe strafzaak gezamenlijk. Dit geldt ook als de beslissing tot herroeping, in strijd met art. 361a S (oud), niet is opgenomen in het vonnis over de nieuwe strafzaak. Dit laatste volgt dan met name uit HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0495. [4]
2.3
In het cassatiemiddel wordt op twee gronden beargumenteerd dat het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1996 niet op deze zaak van toepassing is. Ten eerste omdat dit arrest geen betrekking heeft op een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling, maar op een vordering tot tenuitvoerlegging wegens het overtreden van de algemene voorwaarde. In mijn conclusie van 16 januari 2024 heb ik uiteengezet dat deze twee wettelijke regelingen in grote mate met elkaar overeenkomen en dat dit rechtvaardigt om voor de uitleg van de regels over de herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling aansluiting te zoeken bij de wetsgeschiedenis en rechtspraak over de vordering tenuitvoerlegging. [5] Het gewijzigde cassatiemiddel legt niet uit waarom dit anders zou moeten zijn.
2.4
Ten tweede wijzen de stellers van het middel er op dat de Hoge Raad het genoemde arrest nooit meer heeft herhaald. Dit lijkt mij echter op zichzelf geen reden om aan te nemen dat deze rechtspraak zijn betekenis heeft verloren. Het cassatiemiddel zwijgt ook over eventuele gewijzigde wetgeving of omstandigheden die zouden maken dat het arrest is achterhaald. Mij lijkt dat de gronden voor het arrest van 25 juni 1996, die ook tot uitdrukking komen in het meer recente HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389, nog steeds bestaan.
2.5
Ten slotte hecht ik geen zelfstandige betekenis aan de opmerking in het gewijzigde cassatiemiddel dat de akte hoger beroep inhoudt dat de verdachte “hoger beroep heeft aangetekend tegen
deuitspraak van 24 mei 2017 en niet tegen de uitsprak
envan die dag”. Het middel zet niet uiteen wat hiermee wordt beoogd. Gelet op de strekking van het middel ga ik er niet van uit dat hiermee is bedoeld dat geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, waardoor deze beslissing inmiddels onherroepelijk zou zijn.

Afronding

3.1
Het middel faalt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

2.Randnummers 3.4-3.6.
3.Randnummer 3.10.
4.Randnummers 3.8 en 3.9.
5.Randnummers 3.6 en 3.7.