Uitspraak
[woonplaats].
25 juni 1996.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak ging het om de ontvankelijkheid van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen afzonderlijke beslissingen van de kantonrechter inzake vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke veroordelingen. De kantonrechter had het OM niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen deze beslissingen, omdat zij geen deel uitmaken van het vonnis en artikel 14j Sr bepaalt dat dergelijke afzonderlijke beslissingen niet aan rechtsmiddelen zijn onderworpen.
De rechtbank had echter geoordeeld dat het OM wel ontvankelijk was, wat in strijd was met artikel 361a Sv, omdat de kantonrechter zijn beslissingen niet in het vonnis had opgenomen. De Hoge Raad oordeelde dat ook indien artikel 361a Sv niet juist was toegepast, artikel 14j Sr het hoger beroep tegen deze beslissingen uitsluit. Omdat het OM hierover niet klaagde in cassatie, leidt dit niet tot vernietiging.
Verder heeft de rechtbank ten onrechte beraadslaagd over de vorderingen tot tenuitvoerlegging die niet aan haar oordeel waren onderworpen. Omdat hierover ook niet werd geklaagd, werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkheid van het OM in hoger beroep tegen de afzonderlijke beslissingen over tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afzonderlijke beslissingen over tenuitvoerlegging.