ECLI:NL:PHR:2024:240

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
22/03189
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor meervoudige oplichting met gebruik van valse identiteit en misleiding

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor vijf feiten van oplichting, waarbij hij slachtoffers heeft bewogen tot afgifte van geld, kleding en auto's door zich voor te doen als een vermogend persoon met banden bij ASML en woonachtig in Frankrijk.

De verdachte gebruikte telkens dezelfde valse naam en een vergelijkbare handelswijze, waardoor het hof sprak van een modus operandi. Het hof achtte de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar en stelde vast dat het vertrouwen in eerdere slachtoffers mede leidde tot het misleiden van latere slachtoffers.

In cassatie werden drie middelen voorgesteld, gericht op de betrouwbaarheid van een slachtoffer en de causaliteit van het bewogen worden tot afgifte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de betrouwbaarheid van het belangrijkste slachtoffer terecht heeft beoordeeld en dat de bewijsvoering voldoende aannemelijk maakt dat de slachtoffers mede door de oplichtingsmiddelen tot afgifte zijn bewogen.

De middelen falen en het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordelingen en schadevergoedingsmaatregelen van het hof in stand blijven.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, veroordeling voor vijf feiten van oplichting bevestigd met vier jaar gevangenisstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03189

Zitting5 maart 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 augustus 2022 [1] de verdachte veroordeeld wegens een vijftal feiten. Feit 1 en 5 zijn gekwalificeerd als ‘oplichting, meermalen gepleegd’, feit 2, 3 en 4 als ‘oplichting’. Het hof heeft de verdachte voor deze feiten een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van drie benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en daarmee verbonden telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

2.1
Het hof heeft in deze zaak bewezen verklaard dat de verdachte zich meermaals schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Feit 1 betreft de oplichting van het slachtoffer [slachtoffer 1] (afgifte van een bankpas met bijbehorend rekeningtegoed, 75.000 euro en/of het op haar naam zetten van een auto). Met het slachtoffer van feit 1 is de verdachte op enig moment in de bewezenverklaarde periode een affectieve relatie aangegaan. Feit 2 en 3 betreft de oplichting van de slachtoffers [slachtoffer 2] (afgifte van kleding) onderscheidenlijk [slachtoffer 3] (afgifte van een auto). Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat zij beiden bekenden waren van het slachtoffer van feit 1 en de verdachte mede via zijn relatie met deze [slachtoffer 1] het vertrouwen van deze twee slachtoffers heeft weten te winnen (zie onder meer p. 25 van het arrest, laatste alinea). De slachtoffers van de feiten 4 en 5 staan niet in een relatie tot de slachtoffers van de eerste drie feiten. Feit 4 betreft de oplichting van [slachtoffer 4] (afgifte van 10.000 euro) en feit 5 de oplichting van het slachtoffer [slachtoffer 5] (afgifte van kleding). Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte het vertrouwen van het slachtoffer [slachtoffer 5] mede heeft gewonnen via het vertrouwen dat het slachtoffer [slachtoffer 4] in de verdachte stelde (zie onder meer p. 28 van het arrest, derde alinea).
2.2
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat het hof de verschillende feitencomplexen niet los van elkaar heeft beoordeeld. Het hof heeft geoordeeld dat de “overeenkomsten in handelswijze” tussen de verschillende oplichtingen zodanig zijn dat “gesproken kan worden van dezelfde modus operandi” (p. 25 van het arrest, tweede alinea). Zo betrekt het hof in de bewijsvoering niet alleen dat de verdachte via slachtoffers van eerdere oplichtingen het vertrouwen van latere slachtoffers heeft gewonnen, maar ook dat de verdachte hierbij steeds op een vergelijkbare wijze te werk is gegaan. Het hof kent in dit verband betekenis toe aan het feit dat de verdachte zich telkens van dezelfde valse naam heeft bediend ([alias]) en dat hij aan de slachtoffers van de feiten 1, 2, 4 en 5 heeft verklaard dat hij zeer vermogend is omdat hij bij ASML heeft gewerkt en in die hoedanigheid een patent heeft verkregen. Aan de slachtoffers van de feiten 2, 4 en 5 heeft hij verklaard dat hij woonachtig is in Frankrijk en aan de laatste twee heeft hij tevens hetzelfde Franse adres opgegeven, zo benoemt het hof in de bewijsoverwegingen (p. 25 van het arrest, derde alinea). [2]
2.3
Het voorgaande is van belang voor de beoordeling van de voorgestelde cassatiemiddelen. Ik geef vast in het kort aan waar deze over gaan. Het eerste middel heeft betrekking op feit 1 en bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van de aangeefster (het slachtoffer [slachtoffer 1]) als betrouwbaar heeft beoordeeld onbegrijpelijk zou zijn. Het tweede middel heeft betrekking op feit 2 en bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsvoering zou kunnen blijken. Het derde middel heeft betrekking op feit 5 en bevat eveneens de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan blijken. De kern van het tweede en derde middel is dat de aangevers niet door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot de afgifte van de goederen, maar door het vertrouwen dat zij hadden gesteld in een ander, te weten [slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 4].

Het eerste middel

3.1
Het middel heeft betrekking op feit 1. Het bevat de klacht dat het hof het verweer met betrekking tot de vermeende onbetrouwbaarheid van de aangeefster ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. De klacht(en) die ik in de toelichting op het middel lees, wijken enigszins af van wat de formulering van het middel zelf doet vermoeden. Daar kom ik hieronder nog op terug.
De bewezenverklaring en de verwerping van het betrouwbaarheidsverweer
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 24 oktober 2018 tot en met 28 januari 2019 in Nederland, meermalen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] telkens heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
 de afgifte van haar bankpas met bijbehorende pincode en/of haar rekeningtegoed en/of
 de afgifte van een geldbedrag ad 75.000 euro en/of
 het op haar naam zetten van een auto
door
 zich tegenover die [slachtoffer 1] uit te geven voor en/of voor te doen als [alias] en/of
 tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij bij het bedrijf ASML heeft gewerkt en/of
 tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij zeer vermogend is, omdat hij een uitvinding bij het bedrijf ASML heeft gedaan en/of
 tegen die [slachtoffer 1] - bij de aankoop van panden/vastgoed - te zeggen dat hij zijn paspoort niet wil overleggen omdat hij in het verleden ontvoerd is en daarom anoniem wil blijven en/of
 tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat zijn, verdachtes, bankpas in een put was gevallen en hij, verdachte, hierdoor niet over zijn geld kon beschikken en/of
 bij de aankoop van voornoemde auto tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat deze auto op naam van zijn, verdachtes, stichting moet komen te staan, maar dat deze stichting nog niet is opgericht.”
3.3
Voor de bewijsmiddelen verwijs ik naar het bestreden arrest. De bewijsmiddelen 1 tot en met 5 strekken tot bewijs van de in feit 1 en andere feiten genoemde oplichtingsmiddelen. Voor feit 1 zijn voor het overige in het bijzonder de bewijsmiddelen 6 tot en met 8 van belang.
3.4
Het hof is in een afzonderlijke overweging ingegaan op de door de verdediging gestelde onbetrouwbaarheid van de getuige, tevens slachtoffer, [slachtoffer 1]. Ik citeer deze overweging:

De betrouwbaarheid van aangeefster [slachtoffer 1]
De verdediging heeft - zo begrijpt het hof - bepleit dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] niet (althans onvoldoende) betrouwbaar zijn. Zij heeft in de eerste plaats immers tegenstrijdig verklaard omdat zij eerst heeft verklaard haar bankpas inclusief saldo aan de verdachte ter beschikking te hebben gesteld en vervolgens heeft verklaard dat de verdachte niet heeft gevraagd om € 20.000,00 op die bankpas te zetten. Het is dus haar eigen initiatief geweest. Daardoor is zij niet bewogen in de zin van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is het verhaal van [slachtoffer 1] niet aannemelijk nu zij verklaart dat ze € 20.000,00 ter beschikking heeft gesteld omdat de verdachte leefgeld nodig zou hebben voor 1 week, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat het geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen. Haar verklaringen vinden - hoewel op bepaalde onderdelen niet geheel consistent - steun in de andere aangiftes en zijn op hoofdlijnen eensluidend. Naar het oordeel van het hof heeft aangeefster ook niet - zoals door de verdediging is bepleit - tegenstrijdig verklaard. Feit is immers dat zij haar bankpas (waar € 20.000,00 op stond) aan de verdachte heeft verstrekt op verzoek van de verdachte. Daardoor heeft de verdachte feitelijk de beschikking gekregen over een geldbedrag van € 20.000,00.
Ook de stelling van de verdediging dat [slachtoffer 1] zou hebben verklaard € 20.000,00 ter beschikking te hebben gesteld omdat de verdachte leefgeld nodig zou hebben voor 1 week, berust op een onjuiste lezing van haar verklaring. Zij heeft namelijk verklaard dat de verdachte haar pas slechts 1 week nodig had. Hij heeft daarbij niet aangegeven dat hij € 20.000,00 nodig had.
Ook hetgeen aangeefster heeft verklaard omtrent de afgifte van het geldbedrag van € 75.000,00 aan de notaris, acht het hof geloofwaardig. Dit vindt immers steun in de bijbehorende overboekingen. Ook in dat kader heeft de verdediging vragen gesteld omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster, zoals hoe het kan dat aangeefster € 75.000,00 zou hebben gekregen van haar broer voor de verkoop van haar tweedehands auto. Zij heeft echter niet verklaard dat zij € 75.000,00 heeft ontvangen voor de verkoop van haar auto, maar dat zij door de verkoop van haar auto € 75.000,00 op haar bankrekening had staan.
Het hof ziet gelet op het vorengaande geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1].”
3.5
Waar het hof stelt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] steun vinden “in de andere aangiftes”, doelt het mede op de verklaringen van de slachtoffers van de andere bewezenverklaarde feiten. In dit verband verwijs ik nog naar de overwegingen van het hof over de “modus operandi” die telkens dezelfde was (p. 25, tweede alinea).
Het middel en de beoordeling daarvan
3.6
Hoewel het middel is geformuleerd als een klacht over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de getuige [slachtoffer 1] betrouwbaar zou zijn, lees ik in de toelichting op het middel geen klachten met betrekking tot (de begrijpelijkheid van) dit oordeel als zodanig.
3.7
In de toelichting op het middel lees ik wel klachten met een beperktere strekking. Deze hebben slechts betrekking op de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] voor zover deze iets inhield over de 20.000 euro die als rekeningtegoed op de rekening zou hebben gestaan waarvan zij haar bankpas aan de verdachte heeft afgegeven. Dit heeft zij gedaan, zo volgt uit de bewijsvoering van het hof, omdat de verdachte aan haar had gezegd dat zijn eigen bankpas in een put was gevallen. Het afgeven van haar bankpas zou zijn bedoeld om te voorzien in “leefgeld” voor een week (bewijsmiddel 7).
3.8
Ik vat samen hoe de klachten hierover naar mijn mening moeten worden uitgelegd.
3.9
Ter zitting is onder meer het verweer gevoerd dat het slachtoffer [slachtoffer 1] “tegenstrijdig” zou hebben verklaard over “waarom ze een pas en saldo van haar bankrekening ter beschikking zou hebben gesteld”. De “tegenstrijdigheid” zou erin zijn gelegen dat het slachtoffer bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij weliswaar op verzoek van de verdachte haar pinpas ter beschikking had gesteld, maar hij haar niet zou hebben gevraagd om 20.000 euro op die rekening te storten. Om die reden zou niet kunnen worden gezegd dat de verdachte het slachtoffer heeft “bewogen” tot afgifte van 20.000 euro. Ten slotte is aangevoerd dat het geen “aannemelijk verhaal” zou zijn dat de verdachte 20.000 euro nodig zou hebben als leefgeld voor één week. [3]
3.1
In cassatie wordt nu geklaagd dat de overweging van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] in het licht van deze ter zitting naar voren gebrachte argumenten tekort zou schieten. Daartoe wordt - als ik de steller van het middel goed begrijp - ten eerste (“enerzijds”) aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat “de bankpas op verzoek van verdachte is verstrekt”. Daarnaast (“anderzijds”) wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering wel zou blijken “dat een bankpas met een bedrag van (ruim) € 20.000,- ter beschikking is gesteld door aangeefster [slachtoffer 1] terwijl verdachte de bankpas maar één week nodig zou hebben voor leefgeld.” Dit laatste zou in het licht van het verweer van de verdediging onbegrijpelijk zijn, zo lijkt mij de strekking te zijn van het tweede deel van het middel.
3.11
Het middel kan niet slagen. Ik wijs er op dat het hof niet bewezen heeft verklaard dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft bewogen tot afgifte van een bankpas met een bijbehorend rekeningtegoed van 20.000 euro. In de bewezenverklaring (en in de tenlastelegging) wordt slechts melding gemaakt van het bewegen tot afgifte van een bankpas en een - niet nader gespecificeerd - “rekeningtegoed”. Voor zover aan het middel een andere opvatting ten grondslag ligt, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest. [4] Hieruit volgt dat het niet ter zake doet of de verdachte het slachtoffer “heeft bewogen” tot afgifte van een bedrag van deze grootte. Hierdoor is het evenmin relevant dat (het hof in de bewijsvoering heeft vastgesteld dat) de verdachte het slachtoffer niet heeft bewogen tot het storten van dit bedrag op de rekening.
3.12
De klacht dat uit de bewijsvoering niet zou blijken dat de bankpas op verzoek van de verdachte is verstrekt, berust eveneens op een onjuiste lezing. Ik wijs op bewijsmiddel 7 (de verklaring van het slachtoffer), vierde alinea:
“U vraagt mij of ik weet waarom [alias] dat geld nodig had. Hij wilde leefgeld omdat zijn pas in de put lag, hij zei dat hij dat pasje maar een week nodig had.”
3.13
Het middel faalt.

Het tweede middel

4.1
Het middel heeft betrekking op feit 2. Het bevat de klacht dat “uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat aangever [slachtoffer 2] en/of bedrijf [A] door de in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van een hoeveelheid kleding.”
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 13 december 2018 tot en met 25 januari 2019 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] en/of bedrijf [A] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een hoeveelheid kleding ten bedrage van 11.000 euro, door
 zich tegenover die [slachtoffer 2] uit te geven voor en/of voor te doen als [alias] en/of
 tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij miljonair is en/of
 tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij patent heeft op een formule bij het bedrijf ASML en/of hij, verdachte, door ASML is uitgekocht en/of
 tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij in Frankrijk woonachtig is.”
4.3
Het hof heeft in het arrest een bewijsoverweging opgenomen met betrekking tot de feiten 2 en 3 gezamenlijk. Deze houdt in, voor zover hier van belang:

Overwegingen betreffende de feiten 2 en 3
Het hof stelt voorop dat uit de bewijsmiddelen de in de tenlastelegging genoemde onwaarheden volgen en dat deze kunnen worden aangemerkt als een samenweefsel van verdichtsels. Met haar verweer miskent de verdediging dat de introductie van de verdachte door [slachtoffer 1] bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en het vertrouwen dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in [slachtoffer 1] hadden, niet zijn aan te merken als oorzaak waardoor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] uiteindelijk bewogen zijn tot afgifte.
Het hof begrijpt de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aldus, dat deze die introductie en dat vertrouwen benoemen als omstandigheden die de leugens van de verdachte maskeerden, en verhinderden dat de aangevers de onjuiste voorstelling van zaken onderkenden, terwijl zij de auto en de kleding niet zouden hebben afgegeven bij een juiste voorstelling van zaken.
Ter verduidelijking: het hof begrijpt de verklaringen van de aangevers aldus, dat als [slachtoffer 1] de aangevers zou hebben verteld dat de verdachte liegt over zijn naam, inkomstenbron en/of woonland, de aangevers dit op basis van het in [slachtoffer 1] gestelde vertrouwen zouden hebben aangenomen, en vervolgens geen auto of kleding aan verdachte zouden hebben afgegeven.
Dat verklaart naar het oordeel van het hof ook dat de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in mindere mate de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid in acht hebben genomen, omdat zij - door hun vertrouwen in [slachtoffer 1] - ervan zijn uitgegaan dat de mededelingen van de zijde van de verdachte op waarheid berustten, hetgeen gelet op zijn door de verdachte voorgespiegelde vermogen ook zou betekenen dat hij zijn betalingsverplichtingen eenvoudig zou kunnen nakomen.
(…)
Gelet op het vorengaande is derhalve sprake van strafbare oplichting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Dat zulks eveneens gekwalificeerd zou kunnen worden als een civielrechtelijke wanprestatie, doet daaraan niet af.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak van de feiten 2 en 3 strekkende verweren van de verdediging.”
4.4
Voor de inhoud van de bewijsmiddelen verwijs ik naar het arrest. Voor feit 2 zijn in het bijzonder de bewijsmiddelen 9 tot en met 11 van belang.
Het juridisch kader
4.5
Het vereiste dat iemand moet zijn “bewogen tot”, in de zin van art. 326 lid 1 Sr Pro, brengt een bepaald causaliteitsvereiste tot uitdrukking. [5] Hiervan is sprake indien “voldoende aannemelijk” is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot, bijvoorbeeld, de afgifte van enig goed. [6] Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel is bewogen in de zin van art. 326 lid 1 Sr Pro, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [7] Uit de formulering dat het slachtoffer “mede” onder invloed van een oplichtingsmiddel moet zijn bewogen, volgt reeds dat aan een veroordeling voor oplichting niet in de weg staat de omstandigheid dat ook andere factoren aan het “bewegen” hebben bijgedragen. [8]
Het middel en de beoordeling daarvan
4.6
In de toelichting op het middel wordt ten eerste een punt gemaakt van het feit dat het hof heeft overwogen dat “de introductie van de verdachte door [slachtoffer 1] bij [slachtoffer 2] (…) niet zijn aan te merken als oorzaak waardoor [slachtoffer 2] (…) uiteindelijk bewogen [is] tot afgifte” (punt 21 van de schriftuur). In dit licht zouden de tweede en derde alinea van de hierboven weergegeven overweging niet begrijpelijk zijn (punt 22 van de schriftuur). De schriftuur bevat geen toelichting op deze stelling.
4.7
Zelf zie ik ook niet in waarom de genoemde alinea’s onbegrijpelijk zouden zijn. Het hof heeft met deze overweging tot uitdrukking gebracht dat het feit dat de verdachte door [slachtoffer 1] aan [slachtoffer 2] is geïntroduceerd niet de (naastgelegen) oorzaak is waardoor [slachtoffer 2] is bewogen tot afgifte, maar dat dit wel heeft bijgedragen aan het feit dat [slachtoffer 2] geloof hechtte aan de onwaarheden die de verdachte vervolgens zelf vertelde (over zijn werk bij ASML, het patent en zijn vermogen, zie bewijsmiddel 7, alinea 4). [slachtoffer 1] wordt immers door [slachtoffer 2] aangeduid als “een goede betrouwbare klant” en de verdachte werd door [slachtoffer 1] geïntroduceerd als “haar vriend” (bewijsmiddel 9, alinea 3 en 4; bewijsmiddel 10, alinea 2; bewijsmiddel 11, alinea 1-4). De door de verdachte vertelde onwaarheden zijn door het hof aangemerkt als een samenweefsel van verdichtsels en als reden voor het vertrouwen van aangever dat de verdachte zijn betalingsverplichtingen, te weten 11.000 euro voor de afgegeven kleding, eenvoudig zou kunnen nakomen. Door deze vaststellingen wordt naar het mij voorkomt bovendien voldoende aannemelijk dat [slachtoffer 2] mede door de door de verdachte gebezigde oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte, waardoor evenmin gezegd kan worden dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of anderszins niet zonder meer begrijpelijk zou zijn.
4.8
Vervolgens maakt de steller van het middel - als ik hem goed begrijp - bezwaar tegen het feit dat het hof in de bewezenverklaring is uitgegaan van drie oplichtingsmiddelen (een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels), terwijl het feit dat de verdachte zich heeft voorgedaan als [alias] “niet zonder meer betekent dat [slachtoffer 2] daarom daadwerkelijk is bewogen tot afgifte” (punt 23 van de schriftuur). Dit onderdeel van het middel berust op een onjuiste uitleg van de bewezenverklaring en/of een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de vereisten van art. 326 Sr Pro. Gevergd wordt immers niet dat bewezen moet worden dat het slachtoffer door elk van de daar genoemde oplichtingsmiddelen afzonderlijk zou zijn bewogen tot afgifte. Voldoende is als voldoende aannemelijk wordt dat de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen gezamenlijk het slachtoffer hebben bewogen tot afgifte.
4.9
Het middel faalt.

Het derde middel

5.1
Het middel heeft betrekking op feit 5. Het bevat de klacht dat “uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat aangeefster [slachtoffer 5] en/of bedrijf [B] door de in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van een hoeveelheid kleding”.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
5.2
Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat hij:
“hij in de periode van 10 september 2018 tot en met 25 oktober 2018 in Nederland, meermalen telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] en/of bedrijf [B] telkens heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een hoeveelheid kleding (in totaal ten bedrage van 7.395 euro), door
 zich tegenover die [slachtoffer 5] uit te geven voor en/of voor te doen als [alias] en/of
 tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij, verdachte, een enorm vermogen had door de uitvinding van een lens voor ASML en/of
 tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij, verdachte, woonachtig is aan de Boulevard des Cactus in Sainte Maxime in Frankrijk en/of
 bij de eerste aankoop van voornoemde kleding tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij geen pasjes bij zich heeft en/of op dat moment zijn, verdachtes, zwager te bellen en/of zijn zwager telefonisch opdracht te geven het geldbedrag over te maken aan die [slachtoffer 5] en/of
 bij de tweede aankoop van voornoemde kleding tegen die [slachtoffer 5] te zeggen dat zijn, verdachtes, zwager het aankoopbedrag van de eerste koop heeft voldaan aan die [slachtoffer 5].”
5.3
Het hof heeft in het arrest een bewijsoverweging opgenomen met betrekking tot de feiten 4 en 5 gezamenlijk. Deze houdt het volgende in:

Overwegingen betreffende de feiten 4 en 5
De onder de eerste drie gedachtestreepjes tenlastegelegde gedragingen zijn naar het oordeel van het hof telkens wettig en overtuigend bewezen op grond van de gebezigde bewijsmiddelen. Ook zijn zij te beschouwen als een samenweefsel van verdichtsels. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk dat aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] mede onder invloed van de door dat samenweefsel van verdichtsels in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken (inhoudende dat de verdachte [alias] heette, dat hij zeer vermogend was door een patent bij ASML en dat hij in Frankrijk woonde) zijn overgegaan tot de afgifte van respectievelijk een geldbedrag van € 10.000,00 door [slachtoffer 4], en de afgifte van twee partijen kleding van (in totaal) € 7.395,00 door [slachtoffer 5].
Nu de verdachte de lening door een onjuiste voorstelling van zaken van [slachtoffer 4] heeft verkregen, en zulks eveneens geldt voor de door [slachtoffer 5] aan de verdachte afgegeven kleding, acht het hof beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Dat de lening niet zou zijn terugbetaald of de kleding niet zou zijn teruggegeven, maakt niet dat de feiten niet als oplichting ex artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt. Bij oplichting gaat het in de kern immers om de afgifte onder een onjuiste voorstelling van zaken. Daaraan doet niet af dat de feiten eveneens als civielrechtelijke wanprestatie zouden kunnen worden aangemerkt.
Daarbij merkt het hof op dat ook aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] tot op zekere hoogte naïef zijn geweest. De verdachte werd in dit geval door [slachtoffer 4] vertrouwd door de wijze waarop hij sprak over onder meer ASML, zijn vermogen, en het patent waaraan hij dat te danken had. [slachtoffer 5] ging op haar beurt af op het vertrouwen dat zij had in [slachtoffer 4] en [betrokkene 1].
Onder verwijzing naar hetgeen het hof ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft overwogen, is het hof echter van oordeel dat dat vertrouwen een omstandigheid is geweest, waardoor [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] - juist vanwege het vertrouwen dat zij mede door anderen in de verdachte hadden - ervan zijn uitgegaan dat de mededelingen van de zijde van de verdachte klopten, hetgeen gelet op zijn door hem voorgespiegelde vermogen zou betekenen dat hij betalingsverplichtingen eenvoudig zou kunnen nakomen.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak van de feiten 4 en 5 strekkende verweren van de verdediging.”
5.4
Voor de inhoud van de bewijsmiddelen verwijs ik naar het arrest. Voor feit 5 zijn in het bijzonder de bewijsmiddelen 19, 20 en 21 van belang.
Het middel en de beoordeling daarvan
5.5
In de toelichting op het middel lees ik de klacht dat “uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat [slachtoffer 5] is bewogen tot afgifte in de zin van art. 326 lid 1 Sr Pro vanwege de omstandigheden dat verdachte gezegd zou hebben dat hij een enorm vermogen had, in Frankrijk woonde, of bij de tweede aankoop te zeggen dat zijn zwager het geld van de eerste aankoop heeft voldaan (het 2e, 3e en 5e gedachtestreepje in de bewezenverklaring)” (punt 29 van de schriftuur). Uit het restant van de toelichting maak ik op dat het de steller van het middel te doen is om de bewijsvoering van het onderdeel “heeft bewogen tot”. [9]
5.6
Voor het juridisch kader verwijs ik naar wat ik hiervoor bij mijn bespreking van het tweede middel heb vooropgesteld (onder 4.5).
5.7
In de schriftuur wordt over het onderdeel “bewegen tot” opgemerkt dat uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt “waar en wanneer deze mededelingen zouden zijn gedaan, in welke context, en in hoeverre dat van invloed is geweest op het afgeven van kleding.” Bij gebreke van die nadere informatie zou niet de gevolgtrekking kunnen worden gedaan dat het slachtoffer is “bewogen tot” afgifte (punt 34 van de schriftuur).
5.8
De steller van het middel vindt mij ook hier niet aan zijn zijde. Anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, blijkt uit de bewijsmiddelen het een en ander over waar de mededelingen zijn gedaan (Herenkledingzaak de [B] te Oss) en wanneer het contact heeft plaatsgevonden (een eerste kennismaking op 30 juni 2018, een tweede contact op 1 september van dat jaar en de eerste afgifte van kleding op 10 september van dat jaar).
5.9
Alleen over de tweede levering van kleding blijkt slechts waar de afgifte heeft plaatsgevonden (“bij [slachtoffer 4] op kantoor”), maar niet exact wanneer (uit de hierboven weergegeven overweging kan wel worden afgeleid dat “ongeveer 1 week later” dan 10 september 2018 nog geen geld was ontvangen, terwijl de afgifte weer “later” dan dat moment heeft plaatsgehad). Nu hierover ter zitting geen verweer is gevoerd, kan dit evenwel niet als onvoldoende worden aangemerkt.
5.1
Wat betreft de vraag in hoeverre een en ander van invloed is geweest op het afgeven van kleding, heeft het hof overwogen dat [slachtoffer 5] er vanwege de door de verdachte voorgespiegelde vermogenspositie van is uitgegaan dat de verdachte zijn betalingsverplichtingen eenvoudig zou kunnen nakomen. Het oordeel van het hof dat voldoende aannemelijk is dat [slachtoffer 5] mede onder invloed van deze onjuiste voorstelling van zaken, naast het vertrouwen dat zij mede door [slachtoffer 4] in de verdachte had, is overgegaan tot afgifte van de kleding, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
5.11
Het middel faalt.

Afronding

6.1
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

2.In aanvulling hierop merk ik op dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte tevens met het slachtoffer van feit 1 een koopovereenkomst van een huis heeft afgesloten waarop dezelfde valse naam en hetzelfde adres in Frankrijk staat opgegeven (bewijsmiddel 6, p. 10-11 van het arrest).
3.Ter zitting is door de raadsman van de verdachte verweer gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota (p. 5 van het proces-verbaal van de zitting). Zie p. 6 van deze pleitnota (onder 14). In de schriftuur (onder 2, p. 2), wordt op het hier gevoerde verweer een beroep gedaan.
4.Voor de volledigheid merk ik op dat het bij dit deel van de oplichtingshandelingen slechts gaat om hetgeen wordt vermeld onder eerste gedachtestreepje. Het bedrag dat wordt genoemd onder het tweede gedachtestreepje (75.000) hangt samen met een andere oplichtingshandeling. Dit bedrag omvat dus niet mede de 20.000 waar de klacht betrekking op heeft.
5.HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, rov. 2.4. Bemelmans en Hofstee spreken van een delictspecifieke verbijzondering van het algemene causaliteitsleerstuk, in J.H.B. Bemelmans & E. Hofstee, ‘Oplichting en aanverwant strafbaar bedrog in Nederland anno 2021’,
6.HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, rov. 2.4.
7.HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1149, rov. 2.4.2.
8.Vgl. voor een voor de onderhavige zaak treffend voorbeeld HR 19 april 1926,
9.Aan het slot van de toelichting lees ik nog de klacht dat dat het in het middel bedoelde oordeel ook “mede gelet ook op wat namens de verdachte in hoger beroep hierover naar voren is gebracht” niet toereikend gemotiveerd zou zijn. Nu in de schriftuur een nadere aanduiding ontbreekt over wat in dit verband onder “hierover” moet worden verstaan en/of wat er dan ter zitting in hoger beroep is gezegd, terwijl mij hier ook overigens niets van blijkt, ga ik aan dit onderdeel van de toelichting op het middel voorbij.