Conclusie
Nummer22/00493 P
Inleiding
De strafzaak
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis. Bewezen is verklaard dat de betrokkene “
op 11 april 2017 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [a-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) 377 hennepplanten, (…).” [1]
De ontnemingszaak
Het middel
De bespreking van het middel
dater een wettelijke grondslag voor voordeelsontneming is. Voor cassatie is dus alleen reden wanneer op de vaststellingen van het hof geen wettelijke grondslag voor voordeelsontneming kan worden gebaseerd. [3]
2e lidSr’ (onderstreping mijnerzijds) en de door het hof toegepaste zogeheten ‘concrete berekening’ van het wederrechtelijke verkregen voordeel, maak ik op dat de ontnemingsmaatregel is – en in elk geval
kan worden– gestoeld op artikel 36e lid 2 Sr. In zoverre geeft het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin ontoereikend gemotiveerd. De primaire klacht faalt.
enigedader strafrechtelijk verantwoordelijk houdt voor de hennepteelt in de ontmantelde hennepkwekerij. In het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr’ (waarnaar het hof in de bestreden uitspraak weinig specifiek verwijst) is onder meer op pagina 1 opgenomen dat in de hennepkwekerij “
genoeg indicatoren[waren]
voor minstens 1 eerdere oogst” (onderstreping mijnerzijds). In dat rapport wordt op de pagina’s 3 en 4 ervan een uitgebreide opsomming (met toelichting) van die indicatoren gegeven.
kunnenoordelen dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de betrokkene in een periode van ongeveer tien weken voorafgaand aan 11 april 2017 hennep heeft geteeld en (eenmalig) heeft geoogst. Hoewel het hof dat in de bestreden uitspraak niet met zoveel woorden tot uitdrukking heeft gebracht, heeft het hof dus ‘voldoende aanwijzingen’ voor het begaan van ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr mogen aannemen.