Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
5.Beslissing
29 september 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 29 september 2020 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die deelnam aan een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige verkoop van softdrugs.
Het hof had vastgesteld dat de betrokkene in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012 deelnam aan de organisatie en dat er voldoende aanwijzingen waren dat hij ook in 2011 en eerder in 2012 deelnam, wat als ander strafbaar feit werd aangemerkt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op €167.624,48, gebaseerd op verzwegen omzet, salaris en andere financiële gegevens.
De Hoge Raad bevestigde dat in ontnemingsprocedures het recht op onschuldpresumptie geldt en dat bewijsregels verschillen van strafprocedures, waarbij vermoedens en een billijke bewijslastverdeling zijn toegestaan. Het oordeel van het hof over de aanwijzingen voor deelname voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode werd niet onbegrijpelijk geacht.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de betalingsverplichting werd verminderd tot €162.624. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Betrokkene moet een ontnemingsbedrag van €162.624 betalen wegens deelname aan criminele organisatie, met vermindering wegens overschrijding redelijke termijn.