Conclusie
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2019 (dossierpagina’s 41-43), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Strafbaarheid
dreigendgevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen noodzakelijke verdediging geboden was) – in te houden. De gedragingen van [slachtoffer] hebben ertoe geleid dat de verdachte hem naar de grond heeft gewerkt en vervolgens is de verdachte hem gaan schoppen. Die gedragingen hebben elkaar binnen korte tijd opgevolgd en gezien de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgehad is een beroep op noodweer gerechtvaardigd.
NJ2016/316, m.nt. Rozemond inzake noodweer en noodweerexces blijkt het volgende. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweerexces is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen. Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle eisen voor noodweer is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
’gemoedsbeweging, noch dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.” Met deze in cassatie niet bestreden overweging valt – gelet op hetgeen hiervoor in randnummer 11 is vooropgesteld – reeds het doek voor het beroep op noodweerexces. Dit (overigens feitelijk niet onbegrijpelijke) oordeel van het hof draagt de verwerping van het beroep op noodweerexces namelijk zelfstandig, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. [2]