ECLI:NL:PHR:2024:257

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
22/01035
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45.1 SrArt. 287 SrArt. 27 SrArt. 36f SrArt. 344 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping beroep op noodweerexces bij poging tot doodslag

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens poging tot doodslag na een geweldsincident waarbij hij het slachtoffer meermalen met kracht tegen het hoofd schopte. Het hof oordeelde dat er sprake was van voorwaardelijk opzet en verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces.

De feiten betroffen een conflict in de woning van het slachtoffer waarbij de verdachte werd geslagen met een pijpje, waarna het incident buiten voortzette. Daar werkte de verdachte het slachtoffer naar de grond en schopte hem meerdere minuten met kracht tegen het hoofd terwijl het slachtoffer bewusteloos lag. Getuigen bevestigden de ernst en duur van het geweld.

Het hof stelde dat het eerste geweld buiten proportie was, maar dat het schoppen en slaan daarna niet meer als noodzakelijke verdediging kon worden gezien. Het beroep op noodweerexces werd verworpen omdat de verdachte niet aannemelijk had gemaakt dat zijn handelen het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding.

De Hoge Raad toetste het oordeel van het hof op begrijpelijkheid en vond geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling en de afwijzing van het noodweerexcesverweer stand hielden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, daarmee blijft de veroordeling voor poging tot doodslag en de afwijzing van het beroep op noodweerexces in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01035
Zitting19 maart 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 18 maart 2022 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens primair “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarbij de bijzondere voorwaarden gesteld, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.
Namens de verdachte heeft W. Römelingh, advocaat te Den Haag, een schriftuur ingediend, waarin één middel van cassatie wordt voorgesteld.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. In het middel wordt geklaagd over de verwerping door het hof van het beroep op noodweerexces.
4. Voordat ik overga tot het bespreken van het middel, geef ik voor een goed begrip van de zaak de bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen, de nadere bewijsoverwegingen van het hof, het verweer van de verdediging en de samenvatting en verwerping daarvan door het hof weer.
De bewezenverklaring
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 25 april 2019 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met kracht op/tegen het hoofd heeft geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
De bewijsmiddelen
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2019 (dossierpagina’s 41-43), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(dossierpagina 41)
Op 25 april 2019 omstreeks 22:59 uur kregen wij van het Operationeel Centrum het verzoek om te gaan naar het adres [a-straat 1] te [plaats] . Aldaar zou een vechtpartij gaande zijn tussen twee personen. Ten tijde van de melding hoorden wij OC zeggen dat op het adres [a-straat 1] te [plaats] zou verblijven [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1980. Ook hoorden wij OC zeggen dat [verdachte] bij de ruzie betrokken zou zijn.
Toen wij op donderdag 25 april 2019 omstreeks 23:11 uur de [a-straat ] te [plaats] in reden, zagen wij dat er allemaal mensen op straat stonden.
Halverwege de [a-straat ] zagen wij een persoon op straat liggen, half achter een personenauto van het merk BMW.
(…)
Toen wij uit het dienstvoertuig stapten hoorden wij [verdachte] zeggen: “had hij mij maar niet moeten slaan, dit verdient hij”. Dit sprak [verdachte] uit in de richting van [slachtoffer] , die op de grond lag.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , ben gelijk op de persoon afgelopen, die achter de BMW lag. Ik kreeg geen contact met de persoon. Tijdens het aanrijden had ik in ons systeem de gegevens van de genoemde [slachtoffer] opgezocht. Hierop kwam een foto van [slachtoffer] naar voren. Ik herkende de persoon die op de grond lag als zijnde [slachtoffer] .
(dossierpagina 42)
Ik heb hem met zijn voornaam aangesproken. Ik zag dat de persoon daar niet op reageerde. Hierop heb ik [slachtoffer] bij zijn schouder gepakt en aan hem geschud en gelijkertijd zijn naam nogmaals geroepen. Ik zag dat [slachtoffer] hier ook niet op reageerde. Ik hoorde dat [slachtoffer] een snurkende ademhaling had. Ik zag dat bloed in de mond en neus van [slachtoffer] zat. Ook zag ik dat zijn hoofd in een plasje bloed lag. Ik zag dat zijn hele hoofd onder het bloed zat, net als zijn kleding.
Ik zag dat zijn hele lichaam schokte. Hierop heb ik de persoon op zijn rechterzij gedraaid, zodat deze in een stabiele zijligging lag. Ik zag dat er een grote wond op het achterhoofd van [slachtoffer] zat.
(…)
[slachtoffer] is overgebracht naar het Universitair Ziekenhuis te Gent.
2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 28 april 2019 (dossierpagina’s 25-34), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
A: Hij (hof: blijkens het gerelateerde op dossierpagina 29: [slachtoffer] ) wilde dat ik wegging. Toen is hij naar buiten gelopen en toen ben ik op mijn sokken ook mee naar buiten gegaan. Toen stonden we te zuchten buiten.
(dossierpagina 32)
[Ik] heb hem (hof, blijkens het gerelateerde op dossierpagina 32: [slachtoffer] ) bij zijn middel geduwd en op de grond geduwd. Ik pakte hem rond zijn middel. (...) Ik pakte hem bij zijn borst. Ik zei “klootzak”. Ik schudde hem toen door elkaar, toen hij op de grond lag en sloeg hem op zijn gezicht. Misschien is zijn oogkas daardoor gebroken. Toen heb ik hem getrapt.
3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 maart 2022, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Op 25 april 2019 heb ik het slachtoffer [slachtoffer] , nadat hij op de straat lag, meermalen geslagen en met ongeschoeide voet geschopt.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 april 2019 (dossierpagina’s 50-51), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 5] :
(dossierpagina 50)
Ik ben op 25 april 2019 terug [thuis] gekomen. Vanuit mijn tuin hoorde ik twee personen aan komen lopen. Ik hoorde aan de stem dat het [slachtoffer] was (hof, blijkens het gerelateerde op dossierpagina 50: [slachtoffer] ).
(dossierpagina 51)
[Het] begon rumoerig te worden. (...). Ik ben daarop weer terug gegaan naar de badkamer om verder te luisteren. Toen hoorde ik dat [slachtoffer] tegen de grond werd gewerkt. Ik wist dat [slachtoffer] tegen de grond werd gewerkt omdat ik letterlijk hoorde “jij dacht [verdachte] wel even een klap op zijn bek te geven, daar lig je dan”. Ik hoorde duidelijk dat dit de stem was van [verdachte] . (…) Toen hoorde ik het doffe geluid van klappen of schoppen op een lichaam en ik hoorde [verdachte] het volgende letterlijk zeggen: “nu heb je niet meer zo’n grote mond”.
5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 april 2019 (dossierpagina’s 53-55), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1] :
Het hof begrijpt:
O: Opmerking verbalisant
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
(dossierpagina 53)
Ik zat op 25 april 2019 thuis. Omstreeks 23:00 liet ik de hond uit. Voordat ik de hond wilde uitlaten ben ik nog naar het toilet geweest. [De] toilet[ruimte] is voorzien van een raampje dat open stond. Toen hoorde ik luid praten van een persoon. Toen ik buiten kwam zag [ik] eerst die man staan en daarna zag ik de buurman recht tegenover mijn huis aan de overkant staan. De man was aan het schoppen.
(dossierpagina 54)
Hij schold hem uit, afwisselend met het schoppen tegen de persoon die ik op de grond zag liggen. Dus niet continu schoppen, ik schat in ongeveer elke 30 seconde[n] een schop.
V: Hoeveel keer heeft u hem zien schoppen?
A: Dat was zo’n 10 keer schoppen.
V: Waar werd het slachtoffer geraakt?
A: Ik heb hem zien schoppen op zijn bovenlichaam en in het gezicht.
V: Hoe lang heeft dit geduurd, dat schoppen?
A: Dit heeft toch zeker 5 minuten geduurd.
V: Hoe reageerde het slachtoffer?
A: De persoon die op de grond lag bewoog helemaal niet. Ik denk dat die persoon op het moment buiten bewustzijn was. Ik dacht dat die persoon overleden was.
6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 april 2019 (dossierpagina’s 46-49), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 2] :
Het hof begrijpt:
O: Opmerking verbalisant
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
(dossierpagina 46).
A: Ik ging rond vijf voor elf (het hof begrijpt: op 25 april 2019) mijn hondjes uitlaten. Ik zag toen een man op straat liggen. Tegenover hem stond een man. Toen heb ik mijn honden naar binnen gebracht. Toen ben ik weer naar buiten gegaan en heb ik om 23:03 uur 112 gebeld. 1 man lag op straat en de andere stond tegen [hem] te praten. Ik hoorde hem zeggen: “ik ga je hoofd kapot maken, ik ga je hoofd kapot schoppen”. Ik zag dat hij aan het schoppen was, vol tegen zijn hoofd aan. Hij heeft verschillende malen geschopt. Toen de politie kwam zag ik dat die man bewusteloos op straat [lag]. Hij lag als een dooie pop op straat.
(dossierpagina 47)
V: Hoe was de man er aan toe?
A: Slecht. Hij was bewusteloos. Ik zag dat hij roerloos op straat lag. Het ergste vond ik dat die man maar op hem bleef inschoppen, hij stopte niet.
V: Kunt u het schoppen omschrijven?
A: Ik denk dat hij wel 10 keer minimaal geschopt heeft. Het was doelbewust met redelijk wat kracht. Ik heb vroeger gevoetbald en ook wel eens een trap gehad tegen mijn hoofd. Ik denk dat dit zeker harder was.
(dossierpagina 48)
V: Heeft die man nog iets gezegd?
A: Nee, hij herhaalde dat hij hem kapot ging schoppen.
7. Een geschrift in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 26 april 2019 (dossierpagina 70) voor zover inhoudende als verklaring van dr. [betrokkene 3] :
Ondergetekende dokter in de geneeskunde verklaart patiënt [slachtoffer] ( [geboortedatum] 1980) heden persoonlijk te hebben onderzocht op de dienst Spoedgevallen UZ Gent op 26 april 2019 om 00:28 uur:
De patiënt verkeerde in levensgevaar.
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2019 (dossierpagina 73) voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 26 april 2019 sprak ik [verbalisant 3] telefonisch met een verpleegkundige van het Universitair Ziekenhuis (UZ) te Gent in België. Ik vroeg haar naar de medische toestand met betrekking tot het slachtoffer [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1980.
Over het letsel kon zij mij het volgende vertellen: er was sprake van een hematoom (bloeding) in het hoofd, fractuur bovenkaak/oogkas, verschillende wonden aan het aangezicht en hoofd. Ook was er sprake van bloeduitstortingen aan beide ogen.
9. Een geschrift in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 6 juni 2019 (dossierpagina 76) voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] :
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 1980
Omschrijving van het letsel.
A. Uitwendig waargenomen letsel:
Ik heb patiënt pas op 07-05-2019 voor het eerst gezien, vanaf het ongeluk op 29-04-2019 is hij opgenomen geweest in UZ-Gent. Ik kan alleen antwoord geven over de situatie vanaf 07-05. Toen nog hechtingen achter het oor + wenkbrauw + halfzijdige verlamming rechts.
B. Is er vermoeden van niet uitwendig waarneem letsel? Ja, hersenletsel.”
De nadere bewijsoverwegingen van het hof
7. Het bestreden arrest houdt de volgende bewijsoverwegingen in:
“Primair is aan de verdachte tenlastegelegd poging tot doodslag. De vraag waar het hof voor staat is of er gelet op de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden sprake is van een poging om het slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven.
Allereerst merkt het hof op dat niet is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer meermalen tegen het gezicht heeft geslagen en geschopt met de bedoeling hem te doden. Van boos opzet is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.
Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden of ten aanzien van het gedrag van de verdachte vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is volgens bestendige jurisprudentie aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daarbij geldt dat de beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans die in de gegeven omstandigheden de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid creëert dat het gevolg intreedt. Een dergelijke mogelijkheid of kans op het gevolg kan ook worden omschreven als de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans op het gevolg. Deze kans is echter niet afhankelijk van de aard van het gevolg waar die kans betrekking op heeft. De verdachte die wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, dient tevens die kans ten tijde van de gedraging bewust te hebben aanvaard (op de koop toe te hebben genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof gaat uit van de volgende feitelijke vaststellingen.
Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte vol tegen het hoofd van het slachtoffer schopte, dat hij minimaal tien keer heeft geschopt en dat dit schoppen met redelijk wat kracht plaatsvond. Voorts komt uit de verklaring van deze getuige naar voren dat de verdachte riep dat hij het hoofd van het slachtoffer kapot zou schoppen. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat sprake was van een afwisseling tussen het schelden en het schoppen door de verdachte tegen het slachtoffer. Er werd niet continu geschopt, maar daartussen zaten pauzes van telkens (ongeveer) 30 seconden. Deze getuige heeft waargenomen dat de verdachte zo’n tien keer heeft geschopt, op het bovenlichaam en in het gezicht. Totaal heeft het geweldsincident volgens de getuige zeker vijf minuten geduurd. Getuige [betrokkene 5] heeft gehoord dat het slachtoffer door de verdachte tegen de grond werd gewerkt. Ook hoorde hij de verdachte zeggen: “jij dacht [verdachte] wel even een klap op zijn bek te geven, daar lig je dan” en “nu heb je niet meer zo’n grote mond”. Ook deze getuige heeft gehoord dat werd geslagen of geschopt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het slachtoffer, toen deze op de straat lag, meermalen met ongeschoeide voet heeft geschopt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] komt naar voren dat laatstgenoemde het slachtoffer op de straat aantrof, diens gezicht volledig onder het bloed zat, diens lichaam schokte en hij niet meer reageerde. Uit geneeskundige verklaringen komt naar voren dat het slachtoffer bij binnenkomst in het ziekenhuis in levensgevaar verkeerde, alsook dat verschillende letsels zijn geconstateerd. De verwondingen waren zo ernstig dat het slachtoffer meerdere dagen in het ziekenhuis heeft gelegen en dat sprake was van een halfzijdige verlamming.
Het hof stelt aldus vast dat bij gelegenheid van voren omschreven geweldsincident meermalen op/tegen het hoofd van [slachtoffer] is geschopt door de verdachte, alsmede dat hij buiten bewust zijn is geraakt. Het hof leidt uit de aan bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden verder af dat de verdachte tijdens en na het geweldsincident uitlatingen heeft gedaan over het “kapot schoppen van het hoofd” en dat hij meerdere pauzes heeft laten vallen tussen het herhaaldelijk gedurende meerdere minuten met ongeschoeide voet schoppen. Bovendien is dit schoppen met de nodige kracht gebeurd hetgeen het hof niet alleen afleidt uit de vastgestelde letsels, maar ook uit de verklaring van [betrokkene 2] die het verklaard dat hij vroeger heeft gevoetbald en ook wel eens een trap tegen zijn hoofd heeft gehad en denkt dat dit zeker harder was.
Dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden leidt het hof af uit het volgende. Het hoofd is bij uitstek een kwetsbaar en vitaal deel van het lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermalen met (enige) kracht trappen in het gezicht, althans tegen/op het hoofd van een persoon onder omstandigheden een aanmerkelijke kans op fataal letsel bij die persoon oplevert. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, onder de omstandigheden en op de wijze zoals uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Het hoofd bevat immers diverse kwetsbaarheden. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Het hof acht op grond van het voorgaande, anders dan de advocaat-generaal, de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.”
Het verweer van de verdediging (beroep op noodweer(exces))
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2022 heeft de raadsman namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer(exces). Dit proces-verbaal houdt daarover het volgende in:
“De raadsman voert het woord tot verdediging:
[…]
Hij [AG: de verdachte] zag zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, nu [slachtoffer] de verdachte in de woning met een staafje op het hoofd heeft geslagen en hem de toegang naar buiten werd versperd. Toen hij eenmaal buiten de woning opnieuw werd geconfronteerd met [slachtoffer] , die naar hem uithaalde, kon hij zich moeilijk inhouden. Dat kon niet van hem gevraagd worden.
De gedragingen van [slachtoffer] hebben ertoe geleid dat de verdachte hem naar de grond heeft gewerkt en vervolgens is de verdachte hem gaan schoppen. Die gedragingen hebben elkaar binnen korte tijd opgevolgd en gezien de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgehad, komt hem een beroep op noodweer toe.
[…] De verdachte had alleen maar weg kunnen lopen op het moment dat [slachtoffer] op de straat lag. De benadering van de rechtbank is juist geweest. Het zou het onmenselijke van de verdachte hebben gevergd indien hij zowel binnen als buiten de woning zelf geen geweld zou hebben gebruikt. Het valt de verdachte al met al te prijzen dat hij zo lang zijn zelfbeheersing heeft weten te behouden. Ik zou het op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kunnen invullen waarom de verdachte in deze casus geen geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt.
Mocht u tot het oordeel komen dat de verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, dan geldt dat de door hem verrichte geweldshandelingen het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de dreigende wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] was veroorzaakt. In dat geval is dus sprake van noodweerexces.”
De verwerping van het verweer door het hof
9. Het hof heeft bovengenoemd verweer als volgt samengevat en verworpen:

Strafbaarheid
Verweren ten aanzien van de strafbaarheid
De verdediging heeft ter zake van de strafbaarheid van de verdachte aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, nu [slachtoffer] de verdachte in de woning met een staafje op het hoofd heeft geslagen en hem de toegang naar buiten werd versperd. De raadsman heeft betoogd dat niet van de verdachte gevergd kon worden om zich ook buiten de woning – alwaar de verdachte zich opnieuw geconfronteerd zag met het slachtoffer die naar hem uithaalde (en aldus met een onmiddellijk
dreigendgevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen noodzakelijke verdediging geboden was) – in te houden. De gedragingen van [slachtoffer] hebben ertoe geleid dat de verdachte hem naar de grond heeft gewerkt en vervolgens is de verdachte hem gaan schoppen. Die gedragingen hebben elkaar binnen korte tijd opgevolgd en gezien de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgehad is een beroep op noodweer gerechtvaardigd.
Indien het hof mocht oordelen dat de verdachte door het slaan en schoppen de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, zijn de geweldshandelingen van de verdachte naar de mening van de verdediging het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de dreigende wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] was veroorzaakt, waardoor alsdan een beroep op noodweerexces gerechtvaardigd is.
Het hof stelt dienaangaande het volgende juridisch kader voorop.
Voor het slagen van een beroep op noodweer vereist de wet dat de ten laste gelegde gedraging wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Ter zake van het laatst genoemde is in de jurisprudentie uitgemaakt dat van een 'ogenblikkelijke' aanranding ook sprake is bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Echter, de enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe niet voldoende (vgl. HR 8 februari 1932, NJ 1932, pag. 617 e.v.). De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr Pro (vgl. HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR: 1989:ZC8183, NJ 1990/291).
In het vereiste dat de verdediging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456). Naar bestendige jurisprudentie kan een beroep op noodweer niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een 'overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, dus wanneer aan alle eisen voor noodweer is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof dient in de eerste plaats te beoordelen of de feitelijke toedracht die de verdediging aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd aannemelijk is geworden.
Het hof acht het van belang beide geweldsincidenten chronologisch te benoemen. Het hof zal daarom eerst het geweldsincident in de woning van het slachtoffer bespreken (geweldsincident I). Het hof neemt bij de vaststelling van de loop der gebeurtenissen die in dat verband van belang zijn voor de beoordeling van het verweer een deel van de verklaringen van de verdachte tot uitgangspunt, mede gelet op de omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer] daaraan geen herinneringen heeft. Het hof heeft tevens acht geslagen op het proces-verbaal forensisch onderzoek.
Vervolgens bespreekt het hof het geweldsincident buiten de woning van het slachtoffer (geweldsincident II). Het hof is bij het vaststellen van die feiten en omstandigheden ambtshalve uitgegaan van een deel van de verklaringen van de verdachte, alsmede de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
Geweldsincident I (in de woning)
De verdachte heeft bij de politie, voor zover thans relevant, het volgende verklaard. Op 25 april 2019 was hij bij [betrokkene 6] in zijn woning. Daar was ook het slachtoffer [slachtoffer] aanwezig. De verdachte heeft samen met [slachtoffer] de woning van [betrokkene 6] verlaten en zij zijn gezamenlijk naar de Albert Heijn gegaan om bier te halen. Vervolgens zijn zij de woning van [slachtoffer] binnengegaan om daar met elkaar alcohol te drinken en televisie te kijken. Op enig moment na binnenkomst ontstaat in de woonkamer onenigheid nadat de verdachte ongevraagd een biertje pakt. [slachtoffer] wil daarop dat de verdachte diens woning verlaat. De verdachte zegt daarop dat hij de woning zal verlaten nadat hij zijn bier heeft opgedronken. [slachtoffer] loopt de woonkamer uit richting de keuken, waar hij iets pakt en vervolgens haalt hij uit in de richting van het hoofd van de verdachte, waarbij hij een ijzeren staafje hanteert. De verdachte wordt op het hoofd geraakt en in de woonkamer ontstaat vervolgens een schermutseling, waarbij de verdachte probeert het pijpje van [slachtoffer] af te pakken. Ondertussen wordt de verdachte nog door [slachtoffer] geslagen en valt het pijpje in de woonkamer op de grond. [slachtoffer] loopt naar buiten en zegt dat de verdachte de woning moet verlaten. De verdachte loopt daarop op diens sokken naar buiten, waarna de verdachte en [slachtoffer] buiten staan te zuchten. [slachtoffer] zegt tegen de verdachte dat hij moet ‘oprotten’ en daarop zegt de verdachte: “ja, maar niet op die manier”. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] [plaats] ) komt naar voren dat in de woning een pijpje van ongeveer 25 centimeter is aangetroffen. Het hof neemt aan dat dit het pijpje betreft waarmee de verdachte door [slachtoffer] is geslagen. Voorts wordt in dit proces-verbaal geconcludeerd dat een geweldsincident in (onder meer) de woonkamer heeft plaatsgevonden.
Tussenconclusie
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte door het slachtoffer in de woning is geslagen, waarbij door het slachtoffer een pijpje is gehanteerd. Het hof acht geen aanwijzingen aannemelijk geworden dat ook de verdachte in de woning geweld heeft uitgeoefend op het slachtoffer. Evenmin acht het hof aannemelijk geworden dat de verdachte in de woning de toegang naar buiten is bemoeilijkt door [slachtoffer] , bijvoorbeeld door te proberen om hem tegen te houden, nu [slachtoffer] juist wilde (getuige ook de verklaringen van de verdachte) dat de verdachte diens woning verliet.
Het hof is van oordeel dat – voor zover er in de woning al sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie – die situatie is geëindigd op het moment dat de verdachte en het slachtoffer buiten de woning staan te zuchten, de verdachte wordt weggestuurd door [slachtoffer] , maar de verdachte daar geen gehoor aan geeft.
Geweldsincident II (buiten)
De verdachte heeft bij de politie d.d. 26 april 2019 respectievelijk 28 april 2019, voor zover thans relevant, het volgende verklaard:
(…) Op 25 april 2019 was ik in de woning van [slachtoffer] . Samen met [slachtoffer] ben ik naar de Albert Heijn gegaan om bier te halen. Daarna gingen we naar het huis van [slachtoffer] . (...) Ik pakte een biertje uit zijn tas. Hij zei tegen mij dat ik dat moest vragen. Hij zette de televisie uit en liep achter mij langs en daarna werd ik vanachter geslagen tegen mijn hoofd. (...) Ik wilde het pijpje afpakken wat hij vast had.
[slachtoffer] liep naar de voordeur en deed de voordeur open. (...) [slachtoffer] ging naar buiten en ik ben ook naar buiten gegaan. [slachtoffer] wilde dat ik wegging. Toen is hij naar buiten gelopen en toen ben ik op mijn sokken ook mee naar buiten gegaan. Toen stonden we te zuchten buiten.
[slachtoffer] zei “oprotten”. Ik zei “ja, maar niet op die manier".
Hij wilde mij slaan maar die klap kan ik ontwijken en in mijn reflex heb ik hem bij zijn middel geduwd en op de grond geduwd. Ik pakte hem rond zijn middel (...) en ik denk dat hij met zijn hoofd op de straat is gevallen (...). Ik pakte hem bij zijn borst en vroeg waarom hij mij had geslagen. Ik zei klootzak. Ik schudde hem toen door elkaar, toen hij op de grond lag en sloeg op zijn gezicht. Misschien is zijn oogkas daardoor gebroken (...).
Verder hebben meerdere getuigen verklaringen afgelegd over het geweldsincident buiten de woning. De navolgende verklaringen acht het hof van belang.
Getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat [slachtoffer] tegen de grond werd gewerkt, alsook dat hij hoorde dat de verdachte op dat moment heeft geroepen: “jij dacht [verdachte] wel even een klap op zijn bek te gegeven, daar lig je dan”, waarop hij het geluid hoorde van klappen of schoppen. Daarop hoorde hij de verdachte verder nog roepen: “nu heb je niet meer zo’n grote mond”.
Getuige [betrokkene 1] heeft het geweldsincident buiten de woning waargenomen. Hij heeft verklaard dat hij op 25 april 2019 omstreeks 23:00 uur de hond uitliet. Hij heeft gezien dat een man (van wie het hof vaststelt dat het de verdachte betreft) een andere man (van wie het hof vaststelt dat het om het slachtoffer gaat) aan het schoppen was. De verdachte schold het slachtoffer uit en wisselde dat uitschelden af met schoppen. De getuige heeft verder verklaard dat het schoppen aldus niet continu plaatsvond, maar dat tussen het schoppen pauzes zaten van ongeveer 30 seconden. De verdachte heeft volgens deze getuige zo’n tien keer geschopt, op het bovenlichaam en in het gezicht, hetgeen volgens de getuige zeker 5 minuten heeft geduurd. De persoon op de grond bewoog in het geheel niet. De getuige dacht dat de persoon op de grond buiten bewustzijn was, dan wel dat die persoon was overleden.
Ten slotte heeft ook getuige [betrokkene 2] een verklaring afgelegd over het geweldsincident buiten de woning. Ook deze getuige bevond zich op 25 april 2019 omstreeks 23:00 uur op straat om zijn honden uit te laten. Hij heeft waargenomen dat een man op straat lag en dat tegenover hem een man stond. [betrokkene 2] is naar zijn huis teruggelopen om zijn honden naar binnen te brengen. Vervolgens is hij teruggelopen en heeft hij 112 gebeld. Hij heeft gehoord dat een man (van wie het hof vaststelt dat het de verdachte betrof) tegen de man op de grond ( [slachtoffer] ) heeft geroepen: “ik ga je hoofd kapot maken, ik ga je hoofd kapot schoppen”. De getuige heeft waargenomen dat de verdachte aan het schoppen was, vol tegen het hoofd van het slachtoffer aan. De verdachte stopte niet met schoppen en heeft volgens getuige [betrokkene 2] minimaal tien keer geschopt, doelbewust en met redelijk wat kracht. De getuige heeft vroeger gevoetbald en in dat kader wel eens een trap tegen het hoofd gehad. De getuige schat in dat dit schoppen zeker harder was. De man op straat was bewusteloos en lag roerloos op straat.
Verder is gebleken dat het slachtoffer vervolgens in levensgevaar verkeerde.
Het hof is van oordeel dat enige tijd moet zijn verstreken alvorens de verdachte en [slachtoffer] op straat in gevecht zijn gegaan. Zij stonden beiden te zuchten en vervolgens is de verdachte weggestuurd, maar hij wilde zelf niet gaan. Het hof is verder van oordeel dat het gestelde handelen van [slachtoffer] buiten de woning – te weten het eenmalig uithalen om de verdachte te slaan – op zich genomen een onmiddellijk dreigend gevaar voor wederrechtelijke aanranding oplevert waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was.
De (eerste) reactie daarop – te weten het ontwijken van die klap, het bij de middel grijpen en het naar de grond werken van [slachtoffer] – is naar ’s hofs oordeel een proportionele reactie geweest. Het hof stelt vast dat [slachtoffer] vervolgens op de straat is beland. Aanwijzingen dat [slachtoffer] vanaf dat moment nog enige (gewelds)handeling jegens de verdachte heeft begaan of heeft willen begaan, zijn niet aannemelijk geworden. De noodweersituatie is naar het oordeel van het hof geëindigd op het moment dat [slachtoffer] op de straat ligt. De reactie van de verdachte die daarop volgt is gezien de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze plaats vond, niet geboden.
Uit de verklaring van de verdachte komt immers naar voren dat hij toen [slachtoffer] op de straat lag, hem bij zijn borst heeft gepakt, hem heeft gevraagd waarom hij hem had geslagen, hij “klootzak” riep, hij [slachtoffer] door elkaar schudde en hem sloeg waardoor diens oogkas misschien was gebroken. Het hof gaat er bovendien van uit dat de verdachte voor wat betreft het schoppen vervolgens meer en zwaarder geweld heeft toegepast dan uit zijn eigen verklaringen volgt. Uit de bovengenoemde getuigenverklaringen, welke onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd, komt immers naar voren dat de verdachte [slachtoffer] , toen deze reeds op de grond lag, meermalen en over een langere periode tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt, dat die trappen werden afgewisseld met schelden en dat daartussen verscheidende en langere pauzes zaten.
Daarmee is sprake van gedragingen die in de kern aanvallend zijn en die niet noodzakelijk zijn voor zelfverdediging. De voorliggende feiten en omstandigheden rechtvaardigen een beroep op noodweer niet. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Subsidiair, voor het geval het hof de verdediging niet proportioneel zou achten, heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces. In de kern bezien heeft hij daaraan ten grondslag gelegd dat de gedragingen van de verdachte een onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt, doordat sprake is geweest van een aanranding in de woning en die aanranding heeft voortgeduurd tot buiten de woning.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals het hof hiervoor voorop heeft gesteld, is voor een geslaagd beroep op noodweerexces onder meer vereist dat sprake is van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging welke het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.
Het hof acht het gezien de voorliggende feiten en omstandigheden evenmin aannemelijk geworden dat de acties van de verdachte vanaf het moment dat [slachtoffer] op de straat lag, het gevolg zijn van een ‘hevige’ gemoedsbeweging, noch dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Daarnaast stelt het hof dat – zo er al gesproken zou kunnen worden van een hevige gemoedsbeweging welke het onmiddellijk gevolg is geweest van de aanranding – betekenis toekomt aan de mate waarin door de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Onder de genoemde omstandigheden kon van de verdachte redelijkerwijs worden gevergd op een andere, minder ingrijpende wijze te reageren dan door hem is gedaan. Zijn reactie vanaf het moment dat [slachtoffer] op de straat lag staat niet in een redelijke verhouding met de aard en de intensiteit van de bij de verdachte op dat moment mogelijk aanwezige hevige gemoedsbeweging, zodat niet gesproken kan worden van een ‘onmiddellijk gevolg’ in de zin van art. 41 lid 2 Sr Pro.
De voorliggende feiten en omstandigheden verontschuldigen het handelen van de verdachte niet. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.”
Het juridisch kader
10. Art. 41 Sr Pro luidt:
“1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”
11. Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
NJ2016/316, m.nt. Rozemond inzake noodweer en noodweerexces blijkt het volgende. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweerexces is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen. Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle eisen voor noodweer is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
12. Onder omstandigheden kan een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging in verhouding tot de aard en de intensiteit van de daaraan voorafgaande hevige gemoedsbeweging dermate disproportioneel zijn dat deze niet meer als ‘verontschuldigbaar’ onder noodweerexces kan worden gerubriceerd. In een dergelijk geval is de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet het “onmiddellijk gevolg” van de hevige gemoedsbeweging. [1]
13. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet in noodweerexces heeft gehandeld, is een feitelijk oordeel dat in cassatie alleen op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.
De bespreking van het middel
14. Het hof heeft overwogen dat het “gezien de voorliggende feiten en omstandigheden evenmin aannemelijk geworden [acht] dat de acties van de verdachte vanaf het moment dat [slachtoffer] op de straat lag, het gevolg zijn van een ‘hevige
gemoedsbeweging, noch dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.” Met deze in cassatie niet bestreden overweging valt – gelet op hetgeen hiervoor in randnummer 11 is vooropgesteld – reeds het doek voor het beroep op noodweerexces. Dit (overigens feitelijk niet onbegrijpelijke) oordeel van het hof draagt de verwerping van het beroep op noodweerexces namelijk zelfstandig, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. [2]
15. Desalniettemin bespreek ik hieronder volledigheidshalve de twee deelklachten die in het middel zijn vervat.
De eerste deelklacht
16. Met de eerste deelklacht wordt aangevoerd dat het hof het beroep op noodweerexces ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, omdat het bij zijn overwegingen niet heeft betrokken de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging en het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling.
17. Ik meen dat het hof, gelet op zijn bewijsvoering en de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer(exces), wel degelijk is ingegaan op de in het vorige randnummer genoemde omstandigheden.
18. Het hof heeft met betrekking tot “de mate waarin door de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden” vastgesteld dat het door het slachtoffer buiten zijn woning eenmalig uithalen om de verdachte te slaan een onmiddellijk dreigend gevaar voor wederrechtelijke aanranding opleverde, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat kort gezegd de (eerste) reactie van de verdachte daarop, te weten het ontwijken van de klap, het bij de middel grijpen en het naar de grond werken van het slachtoffer, proportioneel is geweest. Het hof laat daar echter onmiddellijk op volgen dat de daaropvolgende gedragingen van de verdachte, te weten onder meer het over een langere periode met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer schoppen, terwijl het slachtoffer bewusteloos op de grond ligt, gezien de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, niet geboden en naar de kern bezien aanvallend (en niet noodzakelijk voor zelfverdediging) waren en dat deze gedragingen niet in redelijke verhouding stonden met de aard en de intensiteit van de bij de verdachte op dat moment mogelijk aanwezige hevige gemoedsbeweging.
19. Voorts heeft het hof over “de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging” overwogen dat het “gezien de voorliggende feiten en omstandigheden evenmin aannemelijk geworden [acht] dat de acties van de verdachte vanaf het moment dat [slachtoffer] op de straat lag, het gevolg zijn van een ‘hevige’ gemoedsbeweging, noch dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging”.
20. Ten aanzien van het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling blijkt uit de bewijsvoering van het hof en diens motivering van de verwerping van het beroep op noodweer(exces) dat de verdachte, nadat het slachtoffer door hem naar de grond was gewerkt en buiten bewustzijn was geraakt, gedurende een langere periode van meerdere minuten tegen het hoofd van het slachtoffer is blijven schoppen, dat hij dat schoppen heeft afgewisseld met schelden en dat tussen het schoppen en het schelden meerdere, langere pauzes zaten.
21. In zoverre berust de eerste deelklacht derhalve op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, waardoor het feitelijke grondslag mist.
De tweede deelklacht
22. Geklaagd wordt dat het oordeel van het gerechtshof dat er geen sprake is van noodweerexces bovendien tekortschiet “daar het gerechtshof op een verkeerd punt toetst, althans de motivering de indruk wekt dat op een verkeerd punt wordt getoetst.” Hiertoe wordt aangevoerd dat het “kenmerkende van noodweerexces is dat de verdediging niet in redelijke verhouding staat tot de aanranding, maar de grenzen overschrijdt van wat noodzakelijk is” en dat de omstandigheid dat er geen sprake is van een "redelijke verhouding" nog niet maakt dat er geen sprake is van een "onmiddellijk gevolg".
23. Ik versta het middel zó, dat daarin wordt geklaagd dat het hof bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces een onjuiste maatstaf heeft aangelegd met het oordeel dat de reactie van de verdachte vanaf het moment waarop het slachtoffer op de straat lag niet in een redelijke verhouding staat tot de aard en de intensiteit van de bij de verdachte op dat moment mogelijk aanwezige hevige gemoedsbeweging, zodat niet kan worden gesproken van een onmiddellijk gevolg in de zin van art. 41, tweede lid, Sr.
24. De overwegingen van het hof waarop de tweede deelklacht betrekking heeft, zal ik voor het lezersgemak nog een keer citeren:
“Daarnaast stelt het hof dat – zo er al gesproken zou kunnen worden van een hevige gemoedsbeweging welke het onmiddellijk gevolg is geweest van de aanranding – betekenis toekomt aan de mate waarin door de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Onder de genoemde omstandigheden kon van de verdachte redelijkerwijs worden gevergd op een andere, minder ingrijpende wijze te reageren dan door hem is gedaan. Zijn reactie vanaf het moment dat [slachtoffer] op de straat lag staat niet in een redelijke verhouding met de aard en de intensiteit van de bij de verdachte op dat moment mogelijk aanwezige hevige gemoedsbeweging, zodat niet gesproken kan worden van een ‘onmiddellijk gevolg’ in de zin van art. 41 lid 2 Sr Pro.”
25. Het hof heeft aldus geoordeeld dat de door de verdachte gepleegde poging tot doodslag niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van de veronderstelde (hevige) gemoedsbeweging, waarbij het hof in het bijzonder belang heeft toegekend aan de aard en de intensiteit van de veronderstelde (hevige) gemoedsbeweging en de mate van disproportionaliteit van de gedragingen van de verdachte, te weten het minutenlang en met tussenpozen met kracht schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer bewusteloos op de grond lag. Dat oordeel getuigt, gelet op hetgeen hiervoor in randnummer 12 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens evenmin onbegrijpelijk, en kan in cassatie, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet verder worden getoetst. Ook in zoverre mist het middel het beoogde doel.
Slotsom
26. Het middel faalt in beide onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459,
2.Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788,