ECLI:NL:PHR:2024:272

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
6 maart 2024
Zaaknummer
22/01263
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 327 SvArt. 415 SvArt. 425 lid 3 SvArt. 432 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken handtekening raadsheer en overschrijding inzendtermijn in cassatie

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens diefstal. In cassatie werden twee middelen aangevoerd: het ontbreken van de handtekening van de raadsheer op het proces-verbaal van de zitting en de overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad.

De conclusie van de plv. AG stelt vast dat het proces-verbaal niet overeenkomstig de wettelijke vereisten is ondertekend door de behandelend raadsheer, omdat deze niet meer werkzaam was bij het hof. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak, aangezien geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die dit verzuim kunnen compenseren.

Daarnaast is de inzendtermijn van acht maanden overschreden, aangezien het cassatieberoep op 6 april 2022 is ingesteld, maar de stukken pas op 27 december 2022 zijn ontvangen. Dit overschrijding kan niet worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening.

Gezien de ernst van deze procedurele fouten beveelt de plv. AG vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01263

Zitting5 maart 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 maart 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "diefstal", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat art. 327 Sv Pro in verbinding met art. 415 Sv Pro is geschonden omdat het proces-verbaal van 26 maart 2021 niet overeenkomstig art. 327 Sv Pro is vastgesteld en ondertekend.
2.2
Tussen de stukken van het geding bevinden zich:
(i) een geschrift met het opschrift “aantekening mondeling arrest” dat, zo blijkt uit de inhoud, een verkorte aantekening mondeling arrest betreft van de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021. Dit geschrift is ondertekend door de behandelend raadsheer;
(iia) een geschrift met het opschrift “proces-verbaal”, dat blijkens zijn inhoud betrekking heeft op de zitting van 26 maart 2021. Dit geschrift is niet ondertekend;
(iib) een geschrift met het opschrift “aantekening van het mondeling arrest” dat blijkens zijn inhoud een uitwerking betreft van het onder (i) genoemde geschrift. Dit geschrift is alleen door de griffier ondertekend.
2.3
Uit de bewoordingen van het onder (iib) genoemde geschrift maak ik op dat dit bedoeld is om onderdeel uit te maken van het onder (iia) bedoelde proces-verbaal waardoor beide geschriften tezamen in wezen één stuk behelzen en het proces-verbaal vormen als bedoeld in art. 425 lid 3 Sv Pro. Aan het slot van het onder (iib) bedoelde geschrift valt te lezen:
“Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat alleen door de griffier is vastgesteld en ondertekend, daartoe was de raadsheer niet in staat nu hij vanaf 30 april 2022 niet meer werkzaam is bij het gerechtshof Amsterdam.”
2.4
De reden dat de raadsheer het proces-verbaal niet meer heeft kunnen ondertekenen zal verband houden met het feit dat het cassatieberoep is ingesteld op 6 april 2022, dus ruim een jaar na het wijzen van het arrest. Gelet op het feit dat de verdachte bij verstek is veroordeeld (zo volgt uit het onder (i) bedoelde geschrift), terwijl uit de overige stukken van het geding blijkt dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet in persoon aan de verdachte is betekend terwijl ook niet blijkt van andere in art. 432 lid 1 Sv Pro genoemde omstandigheden, [1] moet het er evenwel voor worden gehouden dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld.
2.5
Uit het voorgaande volgt dat het proces-verbaal van de zitting niet overeenkomstig het - krachtens art. 415 lid 1 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing zijnde - art. 327 Sv Pro door de behandelend raadsheer is ondertekend. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2020 volgt dat de enkele onderaan het proces-verbaal vermelde grond dat de betrokken raadsheer niet meer werkzaam is bij het hof, niet een zodanig bijzondere omstandigheid vormt dat het aan zo’n verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege kan blijven. [2] Van bijzondere omstandigheden als aan de orde waren in het arrest van 3 maart 2018 blijkt mij niet. [3] Dat het proces-verbaal - althans het onder (iib) bedoelde geschrift - wel is ondertekend, maakt bovendien niet dat de handtekening van de behandelend raadsheer kon worden gemist. [4]
2.6
Het middel slaagt.

Het tweede middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Het cassatieberoep is ingesteld op 6 april 2022. De stukken van het geding zijn op 27 december 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening.
3.3
Het middel slaagt. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde straf kan in beginsel evenwel worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het eerste middel gegrond is en terugwijzing moet volgen, behoeft het tweede middel bovendien geen bespreking.

Afronding

4.1
Beide middelen slagen
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Het dossier bevat slechts een op 5 april 2022 gedateerde uitreiking inzake executie.
2.HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605, rov. 2.4.
3.HR 3 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:501. Ik wijs erop dat in die zaak ter zitting in hoger beroep een gemachtigd raadsman aanwezig was en door hem alleen een strafmaatverweer was gevoerd.
4.HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1803, rov. 2.4.1.