7.2Het hof heeft het verweer van de verdediging – voor zover van belang voor de beoordeling van het middel – als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de [stal] niet beneden de waarde is verkocht. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft in het vonnis tegen [medeverdachte 1] overwogen dat de [stal] geen serieus te nemen onderneming was omdat er jaarlijks miljoenenverlies werd geleden. Maar de stal was een topsportonderneming en dan is structurele verlieslatendheid niet vreemd. Internationaal opererende sportclubs moeten het hebben van geldschieters, jaarlijkse sponsorbedragen van meer dan € 5 miljoen zijn dan niet vreemd. Bij de internationale paardensport lopen voor het [bedrijf 1] -concern veel potentiële stakeholders rond.
[medeverdachte 1] wilde niet acuut met de sponsoring stoppen, maar wilde wel dat de operationele verliezen niet meer op de resultaten van [bedrijf 1] zouden drukken. De beslissing dat de [stal] niet ontmanteld zou worden lag bij [medeverdachte 1] niet bij verdachte. [bedrijf 1] ging van € 3 miljoen kosten naar € 1 miljoen en behield door het sponsorcontract de promotievoordelen van een topsportstal. Het betekende voor verdachte wel dat hij een lopende onderneming moest overnemen met alle bijbehorende rechten en verplichtingen. Verdachte had er geen enkele invloed op dat [medeverdachte 1] niet de activa of losse paarden wilde verkopen maar alleen de hele onderneming.
De rechtbank heeft alle rechtshandelingen (de agiostorting, verkoop, lening en sponsorovereenkomst) in samenhang beoordeeld. De feiten verzetten zich daar echter tegen. Verdachte was namelijk niet bij alle rechtshandelingen betrokken en niet alle rechtshandelingen waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. Verdachte had geen hand in de omzetting van de [bedrijf 1] -lening in agioreserve. [medeverdachte 1] was als bestuurder van [bedrijf 1] de enige die hierover kon beslissen. leder voor zich had elke rechtshandeling een zelfstandige economische ratio: de schuld aan [bedrijf 1] kon niet worden geïnd. Dat de bedragen als lening te boek stonden was feitelijk niet reëel. De verkoop van de stal zorgde ervoor dat [bedrijf 1] een verliesgevende branchevreemde activiteit kon afstoten. De sponsorovereenkomst zorgde ervoor dat [bedrijf 1] naar de buitenwereld toe nog steeds een prestigieuze springstal had.
Verdachte had het voornemen om de exploitatie aan te passen zodat er een beter ondernemingsresultaat kon worden bereikt. Om de [stal] minder afhankelijk te maken van de sponsor, moest er wel een hoop gebeuren. En dat deed verdachte voor eigen rekening en risico.
De stal is niet, zoals het openbaar ministerie stelt, om niet vervreemd. Er moest immers rente over de lening worden betaald en die werd niet door de sponsorovereenkomst afgedekt. Een verkoop met ‘gesloten beurzen’ is niet hetzelfde als een verkoop om niet. De koopsom wordt verrekend, maar dat betekent niet dat de [stal] geen waarde had. Van een vervreemding om niet is dus geen sprake en dus ook niet van onttrekking aan de boedel.
Onttrekking leidt slechts tot benadeling van de schuldeisers als de stal klaarblijkelijk beneden de waarde is vervreemd. Dat is niet het geval. De discussie over de waarde van de activa van de onderneming richt zich op de waardering van het vastgoed en de voorraad paarden. Verdachte en zijn vader hebben zelf een schatting van de waarde van de paarden gemaakt en kwamen daarbij uit op ruwweg € 4,5 miljoen. Het vastgoed en de roerende zaken werden gewaardeerd op € 2,5 miljoen, zodat de koopsom op € 7.000.000,-- uitkwam. Na kritiek van de curatoren en de Rabobank op de waarde van de paarden, zijn de paarden getaxeerd door beëdigd taxateurs [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Zij kwamen uit op een waarde van ongeveer € 4,7 miljoen. Dat bevestigt de waardering door verdachte en zijn vader. De rechtbank heeft haar eigen taxatie daarvoor in de plaats gesteld, omdat verdachte onjuiste of onvoldoende informatie aan de taxateurs zou hebben verstrekt en een aantal paarden voor veel hogere prijzen is verkocht. De rechtbank ging daarbij uit van de onderliggende premisse dat grote waardestijgingen in korte tijd niet mogelijk zijn.
In hoger beroep is deskundige Hendrix gehoord. Hij heeft verklaard dat de waarde van een sportpaard sterk kan fluctueren. De uitslag van een internationaal concours kan de waarde opeens beïnvloeden. Het ontstaan van een blessure kan de waarde van een paard ook zeer sterk beïnvloeden. De taxateur stelt zelf dat de verkoopprijs geen element is om rekening mee te houden, de rechtbank doet precies andersom. Daaruit blijkt wel dat de rechtbank de paardenwereld niet helemaal of helemaal niet begrijpt. Het is geen juiste vergelijking om de waarde bij de overname in december 2011 af te meten aan de verkopen in een periode tot 3 jaar daarna. Ook wordt buiten beschouwing gelaten dat het een sportstal was waarbij paarden werden opgeleid en getraind en dat is een waarde-toevoegend element.
Dat verdachte de taxateurs zou hebben misleid door onjuiste informatie te verschaffen wordt weersproken door het dossier. [betrokkene 2] heeft zelf aangegeven dat hij alle informatie had gekregen die hij nodig had om tot een goede taxatie te komen. Hij heeft verklaard dat hij de aankoop- en verkoopprijzen van de paarden ook helemaal niet wilde weten, omdat hij altijd naar de situatie op dat moment kijkt. Werner is wat betreft de gezondheid van de paarden uitgegaan van de veterinaire rapporten en niet, zoals de rechtbank heeft aangenomen, van de door verdachte aangeleverde lijsten.
De boekwaarde van de paarden kan ook niet als leidraad voor de waarde van de paarden worden genomen. Die boekwaarde is namelijk gebaseerd op de historische aankoopwaarde. Bij vergelijking van de boekwaarde en de verkoopprijs van de paarden (opmerking hof: de raadsman heeft een overzicht van de vergelijking in de pleitnota opgenomen) kan moeilijk worden volgehouden dat de boekwaarde representatief is voor de te verwachten verkoopprijs van de paardenvoorraad.
NVM-taxateur [betrokkene 4] , bemiddelaar in professioneel en particulier paardenvastgoed, heeft het vastgoed getaxeerd op afgerond € 3 miljoen. Daar zat de schatting van [verdachte] dus dichtbij. Overigens is het vastgoed uiteindelijk op een tweede veiling verkocht voor € 1.900.000,--. De conclusie is dat de schatting van verdachte redelijk was. Bij de prijsbepaling van de onderneming moet ook rekening gehouden worden met de kosten die met beëindiging van de bedrijfsactiviteiten gepaard gaan. Gezien de omvang van de onderneming is het niet onredelijk rekening te houden met minstens een derde van de jaarlijkse operationele kosten (€ 3 miljoen).
De waarde van de stal wordt ondersteund door uitgebreide taxaties. Het openbaar ministerie houdt vol dat de waarde te laag is, maar komt niet met een door deskundigen onderbouwde stelling over wat de waarde van [stal] dan wel zou zijn. Als we uitgaan van alle taxaties, € 4,5 miljoen voor de paarden, € 3 miljoen voor het vastgoed en € 0,3 miljoen voor de roerende zaken) dan is de koopsom van € 7.000.000,-- een redelijke prijs.
De wet vereist voor strafbaarheid dat een goed ‘klaarblijkelijk’ beneden de waarde moet zijn vervreemd. Beoogd is kennelijk om alleen evidente gevallen strafbaar te maken. De prijs van [stal] is in ieder geval niet zodanig afwijkend dat het ‘klaarblijkelijk’ beneden de waarde is.
Verdachte had bovendien geen (voorwaardelijk) opzet op benadeling van de schuldeisers. Hij werkte praktisch zijn hele leven al in de stal en wilde de stal graag zelf op een winstgevende wijze exploiteren. Dat [bedrijf 1] niets meer zou hebben aan sponsoractiviteiten en dat daarom gekeken zou moeten worden naar de opbrengst als [stal] geheel opgedoekt zou worden, was toen verdachte de stal kocht helemaal geen optie. Verdachte wilde de stal exploiteren en vanuit dat perspectief heeft hij de prijs bepaald en rekening gehouden met eventuele verliezen op kortere termijn.
Op 1 december 2011 zijn vier rechtshandelingen verricht:
1. [bedrijf 2] en [bedrijf 1] sluiten een overeenkomst waarin wordt overeengekomen dat een vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] van € 38.250.000,- ter finale kwijting wordt verrekend met een (agio)storting door [bedrijf 1] ter grootte van datzelfde bedrag op de door haar gehouden aandelen in [bedrijf 2] ;
2. [bedrijf 1] draagt haar aandelen in [bedrijf 2] over aan [bedrijf 4] voor een bedrag van € 7.000.000,--. Tevens wordt bepaald dat [bedrijf 4] de koopsom van € 7.000.000,-- bij wijze van geldlening schuldig blijft aan [bedrijf 1] ;
3. [bedrijf 4] en [bedrijf 1] sluiten een geldleningsovereenkomst waarin wordt overeengekomen dat [bedrijf 1] een bedrag van € 7.000.000,- leent aan [bedrijf 4] , welk bedrag [bedrijf 4] in zeven jaarlijkse termijnen van € 1.000.000,- zal aflossen, te beginnen op 1 december 2012;
4. [bedrijf 3] en [bedrijf 1] sluiten een sponsorovereenkomst waarin wordt overeengekomen dat [bedrijf 1] vanaf 1 december 2012 gedurende zeven jaren jaarlijks, voor het eerst op 1 december 2012, een bedrag van € 1.000.000.-- betaalt aan [bedrijf 3] voor sponsoractiviteiten.
De vordering van € 38.250.000,-- op [bedrijf 2] was door [bedrijf 1] tot zekerheid voor nakoming van haar schulden verpand aan de Rabobank. Door de agiostorting is de schuld van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] omgezet in eigen vermogen van [bedrijf 2] .
Het feitelijke gevolg van deze overeenkomsten is ook dat verdachte door middel van [bedrijf 4] [stal] van [bedrijf 1] overneemt voor een bedrag van € 7 miljoen. [bedrijf 4] hoeft de koopsom niet te betalen, maar leent het geld van [bedrijf 1] . De aflossingen vinden plaats in zeven jaarlijkse termijnen van € 1 miljoen. Ook die hoeft [bedrijf 4] niet te betalen, maar kan zij verrekenen met het van [bedrijf 1] te ontvangen sponsorgeld. Voor het pandrecht van de Rabobank betekent dit onder meer dat de vordering van [bedrijf 1] van € 38.250.000,-- op [bedrijf 3] werd vervangen door een vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 4] van € 7.000.000,--. Bovendien was tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 4] overeengekomen dat [bedrijf 1] voor ditzelfde bedrag [stal] zou sponsoren zodat [bedrijf 4] de te betalen koopsom kon verrekenen met te ontvangen sponsorbijdragen. Deze handelingen benadeelden niet alleen de Rabobank als houder van het pandrecht, maar zij leidden ook tot onttrekking van vermogen aan de boedel van [bedrijf 1] in de vorm van het vervreemden beneden de waarde van vermogensbestanddelen. Dat wordt hieronder verder uiteengezet.
Met betrekking tot de zo-even bedoelde vier rechtshandelingen kan het volgende worden vastgesteld:
De waarde van de aandelen (€ 7.000.000,-) is (veel) te laag;
De waardering van de door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] te leveren tegenprestatie (€ 1.000.000.- per jaar) is veel te hoog en vanuit [bedrijf 1] bezien volstrekt onzakelijk.
Elk van deze omstandigheden rechtvaardigt de conclusie dat daardoor sprake is van benadeling van schuldeisers.
Verdachte heeft over deze transacties verklaard dat de sponsorovereenkomst en de geldleningovereenkomst niet met elkaar in verband staan. Gelet op overeenkomsten in de betalingsdatum, het bedrag en de datum van het sluiten van de overeenkomsten, acht het hof deze verklaring niet geloofwaardig. De verdediging heeft ook aangevoerd dat verdachte niet bij de totstandkoming van al deze overeenkomsten betrokken was. Dat is in tegenspraak met de verklaring van verdachte bij de rechtbank in eerste aanleg: “Het staat inderdaad niet ter discussie dat ik betrokken ben bij de rechtshandelingen die zien op de overname van de stal”. De overeenkomsten zijn overigens ook door hem getekend.
De verdediging heeft verder betoogd dat de transacties wel degelijk een zakelijk belang van [bedrijf 1] diende. Zo zou [bedrijf 1] niet meer hoeven bij te springen om de jaarlijkse verliezen die € 2 tot 3 miljoen bedroegen te compenseren. Het hof is van oordeel dat [bedrijf 1] geen enkel zakelijk belang bij de transacties heeft gehad. Tegenover het wegvallen van de verliezen stond allereerst een jaarlijkse sponsoring van € 1.000.000,-- en ten gevolge van de transacties deed [bedrijf 1] in feite afstand van de mogelijkheid om de werkelijke waarde van [bedrijf 3] aan haar of haar schuldeisers ten goede te laten komen.
Het hof merkt op dat de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe of de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de waarde ‘going concern’ en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Over de waarde going concern kan het hof kort zijn. [stal] was al jaren verlieslatend en kon in feite alleen door financiële steun van [bedrijf 1] op de been blijven. Het hof zal om die reden de directe opbrengstwaarde van [bedrijf 2] / [bedrijf 3] beoordelen.
Daarbij is met name van belang de waarde van de paarden, het vastgoed en de roerende zaken. Het hof zal beoordelen of de door partijen daaraan toegekende waarde correct is.
De waarde van de stal, de paarden
De verdediging heeft aangevoerd dat de paarden per 1 december 2011 op ongeveer € 4,7 miljoen zijn getaxeerd en dat dit bedrag aardig overeenkomt met de door partijen geschatte waarde van € 4,5 miljoen.
De taxateurs [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben de volgende taxatierapporten uitgebracht:
- Op 25 september 2012 hebben zij 65 paarden getaxeerd voor een gezamenlijke waarde van € 4.247.500,-;
- Op 22 november 2012 hebben zij nog eens vijftien paarden getaxeerd op een gezamenlijke waarde van € 320.750,--;
- Voor [paard 1] is bij brief een aparte waardebepaling afgegeven op 14 januari 2013. De waarde van [paard 1] op 1 december 2011 bedroeg € 100.000,--; en
- Op 20 februari 2013 is een taxatie van 26 paarden afgegeven met een gezamenlijke waarde van € 115.450,--.
De totale waarde, van 107 paarden, bedroeg volgens de taxatierapporten van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] per 1 december 2011 € 4.783.700,-.
Op 31 december 2011 stonden in totaal 125 paarden op de balans van [bedrijf 3] met een totale boekwaarde van € 12.654.342.
Van de in de boekhouding van [bedrijf 3] opgenomen 125 paarden kwamen 26 paarden niet voor in de taxatierapporten. Deze 26 paarden stonden op de grootboekrekeningen met een totale waarde van € 204.748,58. Acht paarden die in de taxatierapporten waren vermeld kwamen niet voor in de boekhouding van [bedrijf 3] . Deze acht paarden stonden in de taxatierapporten met een totale waarde van € 43.250,--.
De [stal] was een sport- en handelsstal. De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank de taxatiewaarden heeft vergeleken met de verkoopwaarden, die in de drie jaar na 1 december 2011 zijn gerealiseerd en daaruit de conclusie heeft getrokken dat de paarden op 1 december 2011 veel meer waard moeten zijn geweest. Dat is volgens de verdediging onjuist. De waarde van een paard kan in korte tijd sterk fluctueren door bijvoorbeeld in de tussentijd behaalde prestaties of door blessures. Bovendien werden de paarden opgeleid en getraind, wat ook tot waardevermeerdering kan leiden.
Het hof neemt wel aan dat een paard in relatief korte tijd aanzienlijk meer waard kan worden. Een goed voorbeeld daarvan is [paard 2] dat door zijn prestaties op de Olympische Spelen in 2012 € 8,6 miljoen heeft opgebracht. Maar er zijn ook onverklaarbare verschillen tussen de taxatiewaarden en de verkoopwaarden, die heel kort na de taxatie zijn gerealiseerd. Zo is [paard 3] in het rapport van 25 september 2012 getaxeerd op € 100.000,-- (met als peildatum 1 december 2011). [paard 3] was echter al op 1 april 2012 verkocht voor € 2.200.000,--, en had het seizoen vóór de verkoop goed gepresteerd. Het [paard 4] kent ook een vreemde geschiedenis. Het is in 2011 gekocht voor € 230.000,-- van [bedrijf 11] , is getaxeerd op € 35.000,-- en is op 23 januari 2012 - dat is althans de factuurdatum - weer verkocht aan [bedrijf 11] voor € 110.000,--. [bedrijf 11] zou het paard volgens de factuur (van 13 januari 2012) vóór die tijd al weer hebben doorverkocht voor € 190.000,--. Het [paard 5] is getaxeerd op € 150.000,-- en op 24 juli 2012 verkocht voor € 1.450.000,--.
Daarnaast zijn er taxaties van paarden die dekgelden opbrachten. Zo is [paard 6] getaxeerd op € 75.000,--, terwijl in 2011 totaal ruim € 275.000,-- (netto ruim € 191.000,--) aan dekgeld is ontvangen. Hetzelfde geldt voor het [paard 7] , dat is getaxeerd op € 75.000,--. Op een in beslaggenomen lijst van dekkingen in 2012 komt naar voren dat voor [paard 7] in 2012 voor een totaalbedrag van ongeveer € 120.000,-- dekgeld is ontvangen en in 2011 voor een totaalbedrag van ruim € 136.000,-- netto.
Taxateur [betrokkene 2] is door de FIOD gehoord. Over de waarde van [paard 3] , die hij heeft getaxeerd nadat het paard was verkocht, verklaarde hij: “Daar blijkt wel uit dat we dat niet hebben geweten. Of wij deze gegevens hadden moeten weten is een ethisch vraagstuk, ik ben van mening dat wij dit wel hadden moeten weten. Voor [paard 5] geldt hetzelfde. Dit is ons door [verdachte] junior niet meegedeeld”.
Het hof is van oordeel dat de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen voor de waarde van de paarden op 1 december 2011. Alles overziende oordeelt het hof dat de gehanteerde waarde van de paarden van € 4,5 miljoen veel te laag is en dat verdachte en zijn medeverdachte zich van het aanzienlijke verschil met een reële waarde bewust moeten zijn geweest.
Waarde van de stal, het vastgoed
De waarde van het vastgoed is door [betrokkene 4] Makelaardij & Hypotheken per 1 december 2011 getaxeerd op € 3.095.000,--. De bij de stal behorende roerende zaken zijn per 1 december 2011 getaxeerd op € 302.600,--. Totale waarde van de onroerende en roerende zaken bedroeg € 3.397.600,--. Dit bedrag wijkt bijna € 900.000,-- af van de waarde die [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn overeengekomen. Dat de opbrengst bij verkoop in het kader van de executie aanzienlijk lager was, doet daaraan niet af.
Het hof stelt vast, zonder een exacte waarde van de [stal] te kunnen bepalen, dat de verkoopprijs van € 7.000.000,-- voor de aandelen klaarblijkelijk te laag is geweest, nog daargelaten de vraag of aan de samenhangende sponsorovereenkomst een prijs van € 7.000.000 kan worden toegekend. Het hof is van oordeel dat [bedrijf 1] geen enkel zakelijk belang bij de transactie heeft gehad. Tegenover het wegvallen van de verliezen stond allereerst een jaarlijkse sponsoring van € 1.000.000,-- en haar vordering op [bedrijf 3] verminderde met niet minder dan ruim € 30 miljoen. De voordelen die voor [bedrijf 1] uit de sponsorovereenkomst voortvloeiden (onder meer ontvangst van bestuur en gasten van [bedrijf 1] ) en de eventuele naamsbekendheid van [bedrijf 1] rechtvaardigden geenszins een jaarlijkse sponsorbijdrage van € 1 miljoen. Gezien de liquiditeitspositie van [bedrijf 1] was de sponsorovereenkomst volstrekt onzakelijk en onverantwoord.
De (onverbrekelijk met elkaar samenhangende) rechtshandelingen zoals genoemd onder feit 1 leveren in samenhang gezien bedrieglijke bankbreuk op, door onttrekking van (een deel van) een vordering aan het vermogen van [bedrijf 1] en het klaarblijkelijk beneden de waarde verkopen van de aandelen in [bedrijf 3] .”
De eerste deelklacht van het derde middel