ECLI:NL:PHR:2024:331

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
21 maart 2024
Zaaknummer
24/00386
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a FwArt. 352 FwArt. 354 FwArt. 295 FwArt. 3:276 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking aan verkoop eigen woning in schuldsaneringsregeling

Verzoekers zijn toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en eigenaar van een woning met overwaarde. De rechter-commissaris heeft hun verzoek tot behoud van de woning afgewezen, waarna de woning moest worden verkocht. Verzoekers hebben onvoldoende medewerking verleend aan de verkoop en het zoeken naar alternatieve woonruimte, ondanks duidelijke aanwijzingen en termijnen.

De rechtbank heeft de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zes maanden verlengd wegens toerekenbare tekortkomingen, met name het frustreren van het verkooptraject en het nalaten om alternatieve woonruimte te zoeken. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd, stellende dat de verplichting tot medewerking en het zoeken naar woonruimte voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling.

In cassatie betoogden verzoekers dat zij niet tekortgeschoten zijn en dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft, onder meer omdat zij toestemming hadden om financiering te zoeken en de bewindvoerder aanvankelijk een schone lei adviseerde. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de verplichting tot medewerking aan verkoop en het zoeken naar woonruimte een redelijke en uit de regeling voortvloeiende verplichting is, waarvan niet-naleving toerekenbaar is en verlenging van de regeling rechtvaardigt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00386
Zitting22 maart 2024
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak van
1. [verzoeker 1]
2. [verzoekster 2]
verzoekers tot cassatie,
advocaat: J. van Weerden
en
[de bewindvoerder] , bewindvoerder in de schuldsanering van verzoekers tot cassatie,
belanghebbende,
niet verschenen
Partijen worden hierna aangeduid als [verzoekers] en de bewindvoerder. [1]

1.Inleiding

[verzoekers] zijn bij beschikking van 23 september 2020 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij zijn eigenaren van een woning. De rechter-commissaris heeft hun verzoek tot behoud van de woning afgewezen en beslist dat de woning zal moeten worden verkocht, omdat [verzoekers] niet in staat zijn gebleken om de overwaarde van de woning op een andere wijze liquide te maken. Deze beslissing is onherroepelijk geworden.
Aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft de rechtbank de termijn daarvan met zes maanden verlengd, tot 23 maart 2024, omdat [verzoekers] diverse verplichtingen niet nakwamen, waaronder die om mee te werken aan de verkoop van de woning, door andere woonruimte te zoeken. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe overwogen dat [verzoekers] door de overwaarde niet naar de boedel te laten vloeien hun schuldeisers benadelen en toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
Het cassatieberoep van [verzoekers] is gericht tegen dit oordeel.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: [2]
(i) [verzoekers] zijn eigenaren van een woning. Op de zitting van 28 augustus 2020 waarop hun toelating tot de schuldsaneringsregeling is behandeld, is de mogelijke verkoop van deze woning aan de orde geweest. [verzoekers] hebben te kennen gegeven de woning te willen behouden. Op 12 mei 2021 en 10 oktober 2022 heeft een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris plaatsgevonden, waarbij nogmaals de verkoop van de woning aan de orde is gesteld. In het proces-verbaal van het verhoor van 12 mei 2021 is opgenomen dat de woning zal moeten worden verkocht als er geen plan komt om de overwaarde van de woning op een andere wijze liquide te maken. Het proces-verbaal van het verhoor van 10 oktober 2022 vermeldt dat de hypotheekhouder een aanvullende hypothecaire lening wil verstrekken, maar dat deze de overwaarde in onvoldoende mate liquide maakt.
(ii) De advocaat van [verzoekers] heeft getracht om via een akkoord aan de schuldeisers de woning voor [verzoekers] te behouden, maar tot een dergelijk akkoord is het niet gekomen.
(iii) Bij beschikking van 28 april 2023 heeft de rechter-commissaris het verzoek van [verzoekers] tot behoud van de woning afgewezen en bepaald dat de woning moet worden verkocht en daarbij de oplevertermijn na verkoop van de woning door de bewindvoerder, voor zover de hypotheekhouder niet zelf verkoopt, op maximaal vijf maanden bepaald. Daarnaast is aan [verzoekers] meegedeeld dat zij met spoed nieuwe woonruimte moeten zoeken.
(iv) [verzoekers] hebben hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris ingesteld bij de rechtbank. Bij de mondelinge behandeling van dit beroep op 29 augustus 2023 hebben [verzoekers] het hoger beroep ingetrokken voor zover dit betrekking had op de verkoop van de woning. Bij beschikking van 27 september 2023 heeft de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris bekrachtigd, met dien verstande dat zij heeft bepaald dat de in de beslissing genoemde oplevertermijn moet worden gelezen als minimaal vijf maanden vanaf de datum waarop de woning zal zijn verkocht. [3]
2.2
Aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft de bewindvoerder in zijn eindverslag op verschillende gronden geadviseerd om vooralsnog geen schone lei te verlenen. Een van die gronden was dat [verzoekers] geen medewerking verlenen aan de verkoop van de woning. De bewindvoerder heeft verklaard te kunnen instemmen met een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met een periode van vier maanden, zodat onder meer de verkoop van de woning kan worden bewerkstelligd. [4]
2.3
De rechtbank heeft bij vonnis van 24 oktober 2023 vastgesteld dat [verzoekers] toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zijn tekortgeschoten en de termijn van de schuldsaneringsregeling met zes maanden verlengd, tot 23 maart 2024. [5] De rechtbank heeft onder meer overwogen:
“Door onvoldoende medewerking van schuldenaren is een forse bate van geschat een bedrag van tussen de € 90.000 en €115.000 nog steeds niet in de boedel gevloeid. Dit rekent de rechtbank schuldenaren aan. Dat schuldenaren ook na intrekking van het (initiële) beroep zich wederom gericht hebben op behoud van de woning en geen concrete melding van verhuisplannen hebben gemeld, betekent dat zij hun schuldeisers benadelen. Vooropgesteld dat de rechtbank in beginsel begrijpt dat schuldenaren geprobeerd hebben de woning te behouden. Verkoop van de eigen woning is zeer ingrijpend en dat wordt nog versterkt door het feit dat schuldenaren, ook nadat de schuldsaneringsregeling is afgerond, zullen worden geconfronteerd met hogere woonlasten dan thans het geval is. Dat is echter onvoldoende om af te kunnen wijken van het wettelijk systeem dat schuldenaren met hun hele vermogen instaan voor hun schulden (zie artikel 295 Fw Pro dat een uitwerking is van het bepaalde in artikel 3:276 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Dat de bank thans voldoende financiering wil verstrekken ligt niet voor de hand en is overigens niet onderbouwd. De tekortkoming in de afdrachtplicht, de nieuwe schuld en het gebrek aan medewerking van schuldenaren aan het verkooptraject van de woning staat aan verlening van de schone lei in de weg.
De rechtbank acht de beëindiging van de schuldsaneringsregeling thans zonder de verlening van een schone lei een te zware sanctie, gelet ook op het hoge gespaarde boedelsaldo van ruim € 68.000.--. De rechtbank beslist daarom als volgt.
De rechtbank zal de looptijd van de schuldsaneringsregeling - anders dan door de wsnp-bewindvoerder is voorgesteld - verlengen met een periode van zes maanden tot 23 maart 2024. Tijdens de verlenging mogen schuldenaren het verkooptraject van de woning niet frustreren en moeten zij zich aantoonbaar inspannen om binnen de gestelde termijn verhuisd te zijn. De medewerking van schuldenaren is niet alleen in het belang van de schuldeisers om met de overwaarde van de woning (een deel van) hun vordering voldaan te krijgen, maar ook in het belang van schuldenaren om de kans te krijgen om na beëindiging van de schuldsaneringsregeling met een schone lei verder te kunnen. Daarnaast is vereist dat de boedelachterstand en de nieuwe schuld worden ingelost.
(…)
De rechtbank wijst er met klem op dat aan schuldenaren hiermee een kans wordt geboden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen.”
2.4
[verzoekers] hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof. Bij arrest van 30 januari 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [6] Het hof heeft overwogen:
“3. (…)
Appellanten zijn van mening dat zij niet in de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling zijn tekortgeschoten, laat staan dat zij toerekenbaar zijn tekortgeschoten. (…)
Appellanten hebben verder aangevoerd dat zij zich gedurende de gehele looptijd van de schuldsaneringsregeling op het standpunt hebben gesteld dat zij de koopwoning wensten te behouden. Appellanten betwisten dat zij onvoldoende medewerking hebben verleend om de overwaarde in de boedel te laten vloeien. Immers appellanten hebben steeds getracht een manier te vinden om de overwaarde van de koopwoning te financieren, zodat op een andere wijze dan door verkoop van de woning de overwaarde in de boedel zou kunnen vloeien. De rechter-commissaris was hiervan op de hoogte en heeft appellanten steeds hiertoe gelegenheid gegeven. Dit blijkt ook uit de processen-verbaal van de verhoren bij de rechter-commissaris.
Uiteindelijk zijn appellanten er niet in geslaagd een geldverstrekker te vinden die bereid was om de overwaarde te financieren. Dit heeft de rechter-commissaris doen besluiten dat appellanten de koopwoning niet mochten behouden. Appellanten hebben hiertegen hoger beroep aangetekend. Bij beschikking van 27 september 2023 heeft de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris bekrachtigd. Laatstgenoemde beschikking is echter genomen nadat de materiële termijn van de schuldsaneringsregeling van drie jaar was verstreken, namelijk op 20 september 2023. Op een eindzitting dient de rechtbank te toetsen of saniet ten tijde van de schuldsaneringsregeling toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
Gelet op het voorgaande zijn appellanten van mening dat zij zich ten tijde van de schuldsaneringsregeling, lopende vanaf 20 september 2020 tot en met 20 september 2023, hebben gehouden aan hun verplichtingen. Appellanten verzoeken het hof dan ook het bestreden vonnis te vernietigen en hun alsnog de schone lei toe te kennen.
4. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. Sinds de toelating tot de schuldsaneringsregeling zijn appellanten ervan op de hoogte dat de woning verkocht moet worden ten behoeve van de schuldeisers, tenzij zij de overwaarde door kunnen compenseren. Vast staat dat appellanten, ondanks pogingen daartoe, niet in staat zijn gebleken de overwaarde te financieren. Dit was hun in ieder geval al op 10 oktober 2022 duidelijk, zo blijkt uit het proces-verbaal van het verhoor van de rechter-commissaris, waarbij appellanten gemaand zijn met spoed alternatieve woonruimte te zoeken. Hierin zijn appellanten toerekenbaar tekortgeschoten, nu zij zich zijn blijven richten op het behoud van hun woning, terwijl er geen vooruitzicht was om de overwaarde in de boedel te laten vloeien ten behoeve van de schuldeisers. In hoger beroep is gebleken dat appellanten zich nog steeds richten op behoud van de koopwoning en dat zij, ondanks dat zij hiertoe sinds oktober 2022 door de rechter-commissaris met spoed zijn gemaand, nog steeds geen concrete stappen hebben ondernomen om alternatieve woonruimte te vinden. Desgevraagd hebben appellanten ter zitting van het hof ook geen duidelijkheid kunnen geven over de wijze waarop zij de overwaarde van de woning denken te kunnen financieren zonder de woning te verkopen. Door de overwaarde niet in de boedel te laten vloeien benadelen appellanten hun schuldeisers en zijn zij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. (…)”
2.5
[verzoekers] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [7] In de procesinleiding hebben [verzoekers] zich het recht voorbehouden om het middel aan te vullen na ontvangst van het nog niet beschikbare proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 januari 2024. Na ontvangst van dit proces-verbaal hebben [verzoekers] te kennen gegeven dat dit geen aanleiding geeft tot aanvulling van het middel. De bewindvoerder is in cassatie niet verschenen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen, die alle zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4 van het arrest van het hof dat [verzoekers] , door er niet aan mee te werken dat hun woning wordt verkocht en dat de overwaarde ervan aldus ten goede komt aan de boedel, hun schuldeisers benadelen en toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
3.2
Voordat ik de klachten van de onderdelen bespreek, sta ik eerst even kort stil bij de voorwaarden voor verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
Verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling
3.3
De termijn en beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn geregeld in de art. 349a Fw e.v. Deze bepalingen zijn recent gewijzigd bij een tweetal wetten, die op 1 januari en 1 juli 2023 in werking zijn getreden, namelijk de Implementatiewet richtlijn herstructurering en insolventie [8] en de Wet van 10 februari 2023 ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen. [9] Volgens het overgangsrecht bij deze wetten zijn op deze zaak de bepalingen van toepassing zoals die luidden vóór 1 januari 2023. [10] In deze conclusie wordt dan ook, tenzij anders vermeld (met de aanduiding ‘Fw nieuw’), naar die bepalingen verwezen.
3.4
De termijn van de schuldsaneringsregeling bedraagt drie jaar, maar in afwijking daarvan kan de rechter bij de aanvang van de schuldsaneringsregeling de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen (art. 349a lid 1 Fw). De rechter-commissaris kan de termijn nadien ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers wijzigen. De termijn bedraagt ook dan ten hoogste vijf jaar (art. 349a lid 2 Fw). Ook de rechtbank kan de termijn nadien wijzigen (art. 349a lid 3 Fw).
3.5
In deze zaak heeft de rechtbank de termijn van de schuldsaneringsregeling aan het einde van de vastgestelde looptijd verlengd. De gang van zaken voorafgaand aan die verlenging is als volgt. De rechtbank bepaalt uiterlijk een maand vóór het einde van de termijn de zitting waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld (art. 352 lid 1 Fw Pro). Op de zitting of uiterlijk op de achtste dag daarna doet de rechtbank uitspraak of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend (art. 354 lid 1 Fw Pro). Ingeval van een toerekenbare tekortkoming kan de rechter daarbij bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (art. 354 lid 2 Fw Pro). De rechtbank kan in het geval van een toerekenbare tekortkoming de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen of de toepassing van de schuldsaneringsregeling verlengen (art. 349a lid 3 jo 352 Fw). De beslissing om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan eventueel nog worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn afloopt, maar de schuldsaneringsregeling nog niet met inachtneming van art. 352-356 Fw is geëindigd. [11]
3.6
In de hier toepasselijke versie van art. 349a lid 2 en 3 Fw is niet omschreven onder welke omstandigheden de rechter-commissaris respectievelijk de rechtbank de termijn van de schuldsaneringsregeling kan verlengen. De Hoge Raad heeft in een arrest van 30 juni 2017 geoordeeld dat uit de hiervoor in 3.5 weergegeven regeling volgt dat verlenging van de schuldsaneringsregeling aan het einde van de looptijd daarvan uitsluitend mogelijk is indien de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en de rechter geen toepassing geeft aan art. 354 lid 2 Fw Pro. [12]
3.7
Met de mogelijkheid van verlenging heeft de wetgever met name beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. In dergelijke gevallen kan verlenging van de termijn ertoe dienen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen. [13] Deze grond voor verlenging is inmiddels gecodificeerd in art. 349a lid 2 Fw nieuw. In de toelichting op deze bepaling heeft de wetgever opgemerkt dat voor verlenging van de termijn alleen plaats is indien de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van zodanig gewicht is dat, als de schuldenaar deze verplichtingen ook gedurende de verlengde termijn niet nakomt, dit onthouding van de schone lei rechtvaardigt. [14]
3.8
De vraag kan worden gesteld welke verplichtingen moeten worden begrepen onder de ‘uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen’ in de zin van het arrest uit 2017 en art. 349a lid 2 Fw. Hieronder vallen in ieder geval de verplichtingen die de regeling van de schuldsanering in de Faillissementswet op de schuldenaar legt. [15] De uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zijn hiertoe echter niet beperkt. [16] Zo wordt in de literatuur aangenomen dat op de schuldenaar ook de verplichting rust om afspraken met de bewindvoerder en de rechter-commissaris na te komen. [17] Dat beslissingen van de rechter-commissaris van invloed zijn op en invulling geven aan de op de schuldenaar rustende verplichtingen, volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad uit 2017. [18]
3.9
De rechter dient in zijn oordeelsvorming ten behoeve van zijn beslissing omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling acht te slaan op alle relevante feiten en omstandigheden. [19] Bij de beslissing om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen dan wel de schuldsanering te beëindigen, komt hem een zekere vrijheid toe. [20] De wetgever heeft in de toelichting op art. 349a Fw (nieuw) opgemerkt dat verlenging een minder vergaand alternatief vormt voor onthouding van de schone lei, zodat de rechter daarmee de mogelijkheid heeft om maatwerk te leveren en te beoordelen welke reactie op een tekortkoming in de specifieke omstandigheden van het geval het meest passend is. [21]
Bespreking onderdelen
3.1
Onderdeel 1klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de verplichting om alternatieve woonruimte te zoeken op te vatten als een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting, waarvan een toerekenbare tekortkoming in de nakoming grond kan vormen voor verlenging van de termijn van de schuldsanering.
3.11
Het onderdeel faalt. De toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling zal normaal gesproken meebrengen dat een eigen woning moet worden verkocht, zeker als sprake is van overwaarde, tenzij de overwaarde op een andere wijze dan door verkoop van de woning in de boedel kan vloeien. [22] De overwaarde dient immers ten goede te komen aan de schuldeisers. De schuldenaar zal dan ook, waar nodig, aan een verkoop moeten meewerken. [23] Doet hij dat niet, dan komt hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet na.
Ook het hof is hiervan uitgegaan blijkens zijn niet door het middel bestreden overweging in rov. 4 tweede zin. Op grond daarvan houdt zijn oordeel in dat [verzoekers] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen door geruime tijd geen concrete stappen te ondernemen om andere woonruimte te vinden, maar zich te blijven richten op het behoud van hun woning, terwijl er geen vooruitzicht was om langs die weg de overwaarde in de boedel te laten vloeien ten behoeve van de schuldeisers. Onderdeel van dit oordeel is dat [verzoekers] op dit punt al langdurig in gebreke zijn, nu zij al in oktober 2022 wisten dat zij die stappen met spoed moesten nemen. Tot in elk geval de behandeling van het hoger beroep door het hof hebben zij echter niets ondernomen.
Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Als [verzoekers] nog in de woning verblijven, zal deze allicht moeilijker, zo niet onmogelijk, zijn te verkopen, zo ligt evident aan de gedachte van bewindvoerder, rechter-commissaris, rechtbank en hof ten grondslag dat [verzoekers] met spoed moeten verhuizen. Dat zij met spoed moeten proberen te verhuizen, is dus onmiskenbaar aan te merken als een verplichting die redelijkerwijs uit de schuldsaneringsregeling voor hen voortvloeit.
3.12
Onderdeel 2voert aan dat het hof kennelijk en ten onrechte heeft gemeend dat medewerking van [verzoekers] nodig was om de overwaarde van de woning door verkoop in de boedel te laten vloeien, dan wel dat het feit dat [verzoekers] niet naar alternatieve woonruimte hebben gezocht van belang was voor de beslissing om de woning te verkopen en tot benadeling van de schuldeisers heeft geleid. [verzoekers] dienden pas binnen de oplevertermijn na verkoop van de woning de woning te verlaten, aldus het onderdeel.
3.13
Dit onderdeel faalt om dezelfde redenen als onderdeel 1. Van [verzoekers] kon redelijkerwijs worden verlangd dat zij met spoed op zoek gingen naar andere woonruimte om de verkoop van de woning mogelijk te maken dan wel te vergemakkelijken. Dat het in dit geval ook goed mogelijk was geweest om de woning te verkopen terwijl [verzoekers] daarin nog wonen, is in feitelijke instanties niet aangevoerd. Dat valt overigens ook niet zonder meer in te zien. Wie wil immers een woning kopen met de oude eigenaren er nog in, zeker als die eigenlijk de woning niet willen verlaten en daaraan tot dan toe ook geen medewerking hebben gegeven? Hoe dan ook, het gaat hier om een feitelijk en dus niet toelaatbaar novum in cassatie.
3.14
Onderdeel 3klaagt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat het de volgende omstandigheden niet bij zijn oordeel heeft betrokken: (a) [verzoekers] hebben steeds met toestemming van de rechter-commissaris naar financiering van de overwaarde gezocht, (b) de duur van de tekortkoming is opgelopen, omdat de rechter-commissaris op het verzoek tot behoud van de woning heeft beslist zonder [verzoekers] te horen, waarbij [verzoekers] in de tussentijd mochten menen dat zij op de inslagen weg konden voortgaan, en (c) de bewindvoerder heeft het hof geadviseerd om een schone lei toe te kennen. De omstandigheden onder (a) en (b) brengen mee dat van toerekenbaarheid in de zin van art. 354 lid 1 Fw Pro geen sprake is, aldus het onderdeel.
3.15
Ook dit onderdeel faalt. Het hof heeft in rov. 4 overwogen dat aan [verzoekers] in ieder geval op 10 oktober 2022 duidelijk was dat zij niet in staat waren om de overwaarde te financieren, op welk moment de rechter-commissaris hen heeft gemaand om met spoed andere woonruimte te zoeken. Hierin ligt een verwerping besloten van de stellingen die onder (a) en (b) in het onderdeel worden genoemd. Met betrekking tot de stelling onder (c) geldt dat de rechter in een procedure op de voet van art. 352 Fw Pro e.v. ambtshalve dient te beoordelen of een schone lei kan worden verleend en daarbij niet is gebonden aan hetgeen de bewindvoerder in zijn advies of naderhand in de procedure naar voren brengt. [24] Bovendien heeft de bewindvoerder in dit geval in zijn eindverslag van 1 augustus 2023 juist geadviseerd om geen schone lei toe te kennen (zie hiervoor in 2.2). Weliswaar heeft hij dit advies herzien bij zijn nieuwe eindverslag van 3 januari 2024 (onder 5) – waarnaar bij stelling (c) in het onderdeel wordt verwezen –, maar in zijn tot de gedingstukken behorende, van daarna daterende brief aan het hof van 19 januari 2024 heeft hij het hof bericht dat hij geen aanleiding ziet voor ‘herziening’ van het vonnis van de rechtbank van 24 oktober 2023, omdat [verzoekers] hun schuldeisers benadelen door zich te blijven richten op behoud van de woning en geen concrete verhuisplannen te melden. Stelling (c) geeft de feiten dus evenmin juist weer.
Slotsom
3.16
Het middel faalt dus in al zijn onderdelen. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.[de bewindvoerder] is sinds 15 februari 2024 de bewindvoerder in de schuldsanering van [verzoekers] , zo blijkt uit het Centraal Insolventieregister. Daarvoor was dat [naam] .
2.Vgl. rov. 1.1-1.4 van het arrest van het hof.
3.Rb Rotterdam 27 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9060.
4.Zie het vonnis in eerste aanleg, p. 2-3. Het eindverslag, dat dateert van 1 augustus 2023, bevindt zich bij de stukken van de zaak.
5.Het vonnis is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
6.Hof Den Haag 30 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:158.
7.De cassatietermijn bedraagt op grond van art. 349a lid 3, derde zin, jo 351 lid 5 Fw acht dagen na de dag waarop het hof arrest heeft gewezen. De procesinleiding in cassatie is op 7 februari 2024 bij de Hoge Raad ingediend.
8.Stb. 2022, 491. Deze wet is in werking getreden op 1 januari 2023. In deze wet zijn onder meer specifieke gronden opgenomen waarop de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden verlengd.
9.Stb. 2023, 87. Deze wet is in werking is getreden op 1 juli 2023. In deze wet is de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling teruggebracht tot anderhalf jaar.
10.Volgens art. IV aanhef en onder c Implementatiewet en art. II Wet van 10 februari 2023 blijft namelijk op schuldsaneringsregelingen die zijn uitgesproken vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wetten het oude recht van toepassing.
11.Zie onder meer HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935,
12.HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203,
13.HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935,
15.In de toelichting op de Implementatiewet richtlijn herstructurering en insolventie heeft de wetgever opgemerkt dat van een toerekenbare tekortkoming in ieder geval sprake is in de gevallen genoemd in art. 350, lid 3, onder c-f, Fw. Zie
16.Zie bijv. HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144,
17.Engberts, in:
18.Vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203,
19.HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935,
20.Zie aldus de conclusie van A-G De Bock in zaak 17/01458, ECLI:NL:PHR:2017:563, onder 2.8.
22.Zie met zoveel woorden
23.Zie opnieuw art. 3.7 onder a van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen 2009, alsmede Wessels Insolventierecht IX 2021/9086a, en Van Bommel, a.w., par. 5.4.2.
24.HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145,