ECLI:NL:PHR:2024:340

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
23/03846
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 94 SvArt. 5.1.11 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslaglegging op telefoons op grond van Europees Onderzoeksbevel

De zaak betreft het beklag van klager tegen de inbeslagneming van twee mobiele telefoons (een zilveren iPhone en een zwarte Oppo) op grond van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van Belgische autoriteiten. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beklag ongegrond, omdat het beslag rechtmatig was en geen fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden.

Klager voerde aan dat het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel waren geschonden, omdat het beslag voortduurde terwijl het onderzoek aan de telefoons al had kunnen plaatsvinden en klager daardoor onnodig werd belast. Het Openbaar Ministerie stelde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om de gronden van het EOB te toetsen en dat het voortduren van het beslag wordt verondersteld noodzakelijk te zijn voor het strafrechtelijk onderzoek in België.

De Hoge Raad oordeelt dat de beklagrechter terecht heeft geoordeeld dat de telefoons het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat de overdracht aan de Belgische autoriteiten gerechtvaardigd is. De proportionaliteitstoets behoort niet tot de taak van de Nederlandse rechter bij een EOB. Het cassatieberoep faalt daarom en wordt verworpen.

De conclusie van de procureur-generaal benadrukt dat de toetsing beperkt is tot de rechtmatigheid van het beslag en de vraag of fundamentele beginselen zijn geschonden, en dat het belang van de strafvordering bij een EOB wordt aangenomen. De Hoge Raad volgt dit advies en bevestigt de rechtmatigheid van het beslag en de voortzetting daarvan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de telefoons blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/03846 Br
Zitting2 april 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de klager
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 3 oktober 2023 het beklag van klager strekkende tot teruggave aan hem van een tweetal naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Belgische autoriteiten inbeslaggenomen telefoons (een zilveren Iphone [001] en een zwarte Oppo telefoon [002] ), ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat met de beslaglegging op de telefoons geen fundamentele (rechts)beginselen zijn geschonden zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
3.2
Het klaagschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“In de strafzaak met bovengenoemd zaakskenmerk een IPhone en een Oppo-telefoon, met daarin tal van belangrijke inloggegevens voor (overheids)diensten.
Klager is eigenaar van de in beslag genomen goederen en heeft daarvan geen afstand gedaan. Evenmin heeft hij die goederen door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan, alsmede door het uitblijven van een last tot teruggave van die goederen. Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de gevraagde teruggave van de goederen”
3.3
Het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 31 augustus 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De Nederlandse beklagrechter kan geen onderzoek doen naar de gronden voor de uitvaardiging van het EOB en kan evenmin worden getoetst aan de proportionaliteit van de inbeslagneming, omdat het aan de uitvaardigende staat is om te bepalen of er grond is een EOB uit te vaardigen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, buiten beschouwing worden gelaten. In tegenstelling tot de beklagprocedure in Nederlandse strafzaken is dus niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert; het belang van strafvordering tot voortduren
van beslag wordt verondersteld aanwezig te zijn nu het EOB is uitgevaardigd.
Bij de vraag of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft, is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.
Zie HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940 en HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:511.
X Het belang van strafvordering vordert het voortduren van het beslag, omdat het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering de inbeslagneming toelaat het voortduren van het beslag nodig maakt.
X Zo kan het inbeslaggenomene dienen om de waarheid aan de dag te brengen (ook in een zaak betreffende een ander dan de klager).
(…)”
3.4
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De raadsvrouw:
Er is al weer enige tijd verstreken sinds de telefoons in beslag zijn genomen. Het onderzoek aan de telefoons zou toch nu al verricht moeten zijn. Cliënt is inmiddels alweer op op vrije voeten.
De officier van justitie:
Ik verwijs naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 31 augusuts 2023 en persisteer bij dit standpunt.”
3.5
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Inleiding
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Belgische autoriteiten in Antwerpen, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot betrokkenheid bij het plegen van poging tot afpersing, belaging, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bendevorming in de periode van 1 februari 2023 tot en met 15 mei 2023 in België, onder klager beslag gelegd op een zilveren Iphone (met goednummer [001] ) en een zwarte Oppo telefoon (met goednummer [002] ).
Het beklag strekt tot teruggave van voornoemde voorwerpen.
(…)
Beoordeling
Klager is ontvankelijk in het beklag.
De rechter stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. Klager wordt door de Belgische justitie onder meer verdacht van betrokkenheid bij het plegen van poging tot afpersing, belaging, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bendevorming in de periode van 1 februari 2023 tot en met 15 mei 2023. De Belgische justitie heeft middels een EOB van 28 juni 2023 de Nederlandse justitiële autoriteiten verzocht om voorwerpen in beslag te nemen die kunnen bijdragen aan het bewijs van voornoemd feit. Hierop is door de rechter-commissaris op 5 juli 2023 toestemming verleend het pand aan [a-straat 1] te [plaats] te doorzoeken. Op 12 juli 2023 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in dit pand. Tijdens deze doorzoeking zijn voornoemde telefoons in beslag genomen.
De toetsing van de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag omvat de vraag of aan de eisen van de wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden. De rechter is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten is voldaan en dat geen fundamentele beginselen zijn geschonden. Het EOB van de Belgische autoriteiten is gebaseerd op het Europees Rechtshulpverdrag van 1959. Er is voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid. Daarnaast zouden de in beslag genomen voorwerpen ook voor inbeslagneming vatbaar zijn geweest indien de aan de orde zijnde feiten in Nederland zouden zijn begaan.
De toetsing van de beklagrechter behelst niet de toets of het belang van strafvordering zich tegen teruggave van de voorwerpen verzet. De omstandigheid dat een staat een EOB uitvaardigt in een (kennelijk) lopend onderzoek of strafrechtelijke procedure is voldoende om dit strafvorderlijk belang aan te nemen. Conform artikel 5.1.11 lid 3 Sv kan de Nederlandse rechter geen onderzoek doen naar de gronden voor het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek.
In de onderhavige klaagschriftprocedure staat ter beoordeling van de rechter of de inbeslaggenomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteiten met dat bevel beogen te verkrijgen. Nu in het EOB in bijlage A op blad 1 wordt verzocht aan de Nederlandse autoriteiten om op de [a-straat 1] te [plaats] over te gaan tot inbeslagname van onder andere “gsm toestellen” van de verdachten, is de rechter van oordeel dat de inbeslaggenomen telefoons voorwerpen zijn die de Belgische autoriteiten met het EOB beoogd hebben te verkrijgen.
Nu de Belgische autoriteiten niet meegedeeld hebben af te zien van het beslag, is er naar het oordeel van de rechter geen reden aan te nemen dat er geen onderzoeksbelang meer is. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt dan ook verworpen.
Gelet op het voorgaande zal de rechter het beklag ongegrond verklaren”
3.6
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de mobiele telefoons op 5 juli 2023 in beslag zijn genomen en de bestreden beschikking dateert van 3 oktober 2023, zodat er voor de Nederlandse justitiële autoriteiten alle gelegenheid is geweest om deze telefoons uit te lezen en de databestanden van die uitlezing aan de Belgische autoriteiten toe te zenden. Dat handelen zou meer proportioneel en meer subsidiair zijn geweest, aldus de steller van het middel. Klager had dan weer spoediger over beide telefoons - met daarin tal van belangrijke (inlog)gegevens voor (overheids)diensten - kunnen beschikken. Nu het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel belangrijke en zwaarwegende fundamentele rechtsbeginselen zijn is het oordeel van de rechtbank dat er geen fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden onbegrijpelijk.
3.7
Ik merk allereerst op dat namens de klager in feitelijke instantie niet met zoveel woorden is aangevoerd dat sprake is van schending van (voornoemde) fundamentele (rechts)beginselen. Los daarvan ziet het middel eraan voorbij dat de beklagrechter niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft toetst. [1] Verder gaat het in het onderhavige geval om gegevensdragers en daarvoor geldt als uitgangspunt dat deze gegevensdragers - en niet een kopie van de inhoud daarvan - worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit, omdat het aan de uitvaardigende autoriteit is om te bepalen in hoeverre na overdracht van de voorwerpen onderzoek moet worden verricht aan die voorwerpen en hoe dat onderzoek moet worden ingericht. Uit de inhoud van he onderhavige EOB blijkt niet dat de overdracht van zo’n kopie volstaat. [2]
3.8
Het oordeel van de rechtbank strekt ertoe dat de telefoons die in beslag zijn genomen, het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen, en dat zich geen grond voordoet die in de weg staat aan de overdracht van de inbeslaggenomen telefoons aan de autoriteiten van België ter uitvoering van het EOB. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.9
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108, NJ 2020/276, HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, NJ 2022/372 en HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:511.
2.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, NJ 2022/372.