De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens witwassen, waarbij hij op 19 juni 2019 in Emmeloord twee contante geldbedragen van in totaal €9.170 bij zich had terwijl hij geen legale inkomsten had. Het hof stelde vast dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf, omdat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gaf voor de herkomst.
De verdachte verklaarde aanvankelijk dat hij het geld had geleend, maar gaf geen details over de herkomst. Later werden stukken overgelegd die inkomsten uit 2017 en 2018 toonden, waaronder gokopbrengsten en verkoop van een auto, maar deze sloten niet aan bij de verklaring en waren verouderd. De verdachte stelde ter terechtzitting dat hij met dat geld lachgas had ingekocht en verkocht, maar het hof vond deze verklaring niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk.
De Hoge Raad volgt in zijn conclusie de motivering van het hof en acht het oordeel dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof voldoende redenen gaf waarom de verklaring van verdachte niet voldeed aan de eisen en het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen blijft bestaan.