Conclusie
[eiser]),
[verweerster]).
[A]) veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [verweerster] . Het betreft een geval van externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro in de bekende ‘Beklamelvariant’. [1] Hiertegen komt [eiser] op in cassatie, m.i. zonder succes.
1.Feiten
raamovereenkomst). [A] verkocht de eieren met name aan Duitse afnemers. De kooi-eieren werden gebruikt in de levensmiddelenindustrie en voor een klein deel aan supermarkten (door)verkocht.
[adviseur]), heeft in een notitie van 28 december 2016 aan onder anderen [eiser] geschreven dat er een serieuze dreiging van bestuurdersaansprakelijkheid is doordat sprake is van een negatief vermogen en de crediteuren niet en/of niet tijdig betaald kunnen worden:
[C]), had een grote schuld aan [A] . Deze bedroeg eind 2016 ongeveer € 796.000.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank).
hof)
. [6]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2.
sub aluidt dat, anders dan het hof in rov. 4.12 oordeelt, niet van belang is of [C] daadwerkelijk krediet aangevraagd heeft. Van belang is of [eiser] mocht menen dat er vooruitzicht bestond op de betaling aan [A] door [C] van een vordering, door welke betaling de financiële positie van [A] zou (kunnen) verbeteren. Aldus heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht
sub bluidt dat het hof ten onrechte, althans ten onrechte niet of ontoereikend gemotiveerd, het bewijsaanbod van [eiser] [34] heeft gepasseerd.
klacht a.
op korte termijnvan het (reeds opgezegde) krediet van Rabobank, wat wel nodig zou zijn voor voortzetting van de onderneming van [A] .
klacht b.