Voetnoten
4.Tot 1 januari 2017 was [eiser] samen met zijn broer, laatstgenoemde via [F] B.V., (indirect) bestuurder van [A] . De broer speelt in deze procedure geen rol.
5.Gelijk twee andere leveranciers van [A] : Twenteland Eieren B.V. (hierna:
6.Twenteland en [G] zijn van de afwijzing van hun vorderingen niet in hoger beroep gekomen. Zij zijn (daarom) in cassatie evenmin partij.
7.Daadwerkelijk incidenteel appel lijkt niet te zijn ingesteld, nu geen grieven worden gericht tegen het vonnis. Het hof heeft [eiser] ook niet omschreven als appellant in het incidenteel appel en geen incidentele grieven besproken.
9.Specifiek: “Zolang [eiser] heeft kunnen menen dat [A] reële mogelijkheden had om te blijven voortbestaan, kan hem niet worden verweten dat hij pogingen in het werk stelde om die mogelijkheden voor [A] te realiseren. Daartoe was nodig dat hij eieren bleef leveren en dus ook dat hij eieren bleef afnemen.”
10.Door het subonderdeel omschreven als de negatieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep.
11.Zie dus noot 9 hiervoor.
12.Zie noot 1 hiervoor.
13.Daarmee kennelijk doelend op o.a. de inleidende dagvaarding van [verweerster] , nrs. 14, 54-81, 89-92 en de spreekaantekeningen in eerste aanleg van [verweerster] , nrs. 3-5. Zie overigens bijv. ook de memorie van grieven van [verweerster] , nrs. 19, 37, 41, 49-50, waaronder: “ [verweerster] [heeft] van meet af aan gesteld dat [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat de aansprakelijkheid niet zozeer schuilt in selectieve betaling, maar veel meer in het opdrachten verstrekken op het moment dat [eiser] wist “
14.In cassatie wordt de toepasselijkheid van dit criterium op zichzelf niet bestreden. M.i. terecht. Daaraan doet niet af dat [eiser] (enig) indirect bestuurder was van [A] . Zie bijv. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204, 15.Zie o.a. de inleidende dagvaarding van [verweerster] , nrs. 63, 76, 92; de spreekaantekeningen in eerste aanleg van [verweerster] , nr. 3; en de memorie van grieven van [verweerster] , nr. 37.
16.Zie o.a. de inleidende dagvaarding van [verweerster] , nrs. 73, 112 en de memorie van grieven van [verweerster] , nr. 37.
17.Zie de memorie van grieven van [verweerster] , nr. 41.
18.Dit advies “zegt in accountantstermen glashard "doorgaan betekent bestuurdersaansprakelijkheid".”
19.Zie noot 17 hiervoor.
20.Zie de memorie van grieven van [verweerster] , nr. 49.
21.“Namelijk orders die op 6, 8 juni en 2 x op 12 juni 2017 zijn geplaatst.”
22.Zie de memorie van grieven van [verweerster] , nrs. 44, 48.
23.Zie de memorie van grieven van [verweerster] , nrs. 45-49.
24.Zie de memorie van grieven van [verweerster] , nr. 43, alsook nrs. 23-26.
25.Zie de memorie van grieven van [verweerster] , nr. 50.
26.Het tegendeel lijkt te worden gesuggereerd in noot 5 van de procesinleiding, in het kader van subonderdeel 1.1.
27.Zie de vorige noot.
28.Zie de memorie van grieven van [verweerster] , nrs. 51-53.
29.Zie o.a. de inleidende dagvaarding van [verweerster] , nr. 80 en de memorie van antwoord van [eiser] , nr. 57.
30.Zie de vorige noot. De inleidende dagvaarding van [verweerster] , nr. 80 bevat een overzicht van facturen die door [A] betaald zijn aan [verweerster] , lopend van factuurdatum 10 maart 2017 (voldaan op 20 maart 2017) t/m factuurdatum 26 mei 2017 (voldaan op 8 juni 2017).
31.Het ‘weten of redelijkerwijze behoren te begrijpen’ als bedoeld in o.a. HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, 32.Te weten: (i) dat [A] met het blijven aangaan van verplichtingen in de periode vanaf december 2016 tot aan het pas op 26 september 2017 uitgesproken faillissement de concurrente schuldenlast teruggebracht heeft met € 370.000; en (ii) dat de volledige schuld aan Rabobank ingelost is zonder doorbreking van de paritas creditorum.
34.Dat door (adviseurs van) [C] tijdens gesprekken met [eiser] kenbaar was gemaakt dat zij bezig was met het verkrijgen van bankfinanciering, waarmee [C] haar schuld aan [A] en [A] vervolgens haar krediet bij Rabobank zou hebben kunnen aflossen.
35.Dit klemt te meer nu, zoals vastgesteld door het hof in rov. 4.5, [C] schuld aan [A] eind 2016 ongeveer € 796.000 bedroeg en op de faillissementsdatum van [A] (26 september 2017, zie rov. 3.1) was opgelopen naar ruim € 922.000.
36.Zie de memorie van antwoord van [eiser] , nrs. 33-34, 71, 73-74, met inbegrip van daarin genoemde producties van [eiser] .
37.Zie de vorige noot. Ik lees alleen in nrs. 33, 71 en 73 iets over een aanbod om de in de klacht genoemde personen te horen in verband met gesprekken met [C] en aflossing door haar van de schuld aan [A] . Dit heeft hoe dan ook geen betrekking op de vraag of bij toekenning van dat bankkrediet aan [C] concreet vooruitzicht bestond op aflossing door [A]
38.Hierbij wijst het onderdeel op stellingen van [eiser] .
39.In de kern: dat de facturen van schuldeisers t/m 12 juni 2017 door [A] binnen de afgesproken betalingstermijn werden voldaan aan de schuldeisers. Blijkens de verwijzing in de memorie van antwoord van [eiser] , nr. 29 “naar randnummers 80 e.v. van de dagvaarding” doelde [eiser] daarmee, naast [verweerster] , op schuldeisers Twenteland en [G] . Wat betreft Twenteland blijkt uit de inleidende dagvaarding van [verweerster] , nrs. 82-84 o.a. dat het hier ging