Conclusie
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens bedrieglijke bankbreuk gepleegd tussen 2009 en 2010. Het hof wees een verzoek tot aanhouding van de zaak af, ondanks medische problemen van de verdachte, omdat het belang van een spoedige berechting zwaarder woog. De verdachte was niet verschenen op de terechtzitting en had geen medische stukken overlegd ter onderbouwing van zijn verzoek.
De advocaat-generaal concludeerde dat de verwijzing door het hof naar een proeftijd van drie jaar een misslag was, omdat de wet destijds een maximale proeftijd van twee jaar voorschreef voor dit soort feiten. Het hof had echter de proeftijd van twee jaar opgelegd, wat conform de wettelijke mogelijkheden was en niet werd bestreden. De Hoge Raad oordeelde dat de belangenafweging van het hof omtrent het aanhoudingsverzoek begrijpelijk was en dat de strafoplegging passend was, mede gelet op het tijdsverloop van de procedure en eerdere veroordelingen van de verdachte.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling met strafvermindering vanwege termijnoverschrijding en wijst het aanhoudingsverzoek af.