Conclusie
eerstemiddel klaagt, kort gezegd, dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door niet te voldoen aan de ingevolge artikel 15i Boek 3 BW op hem rustende bewaar- en administratieplicht, hem heeft veroordeeld op grond van artikel 341 (oud) Sr (strafmaximum 6 jaar) en ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het met ingang van 1 juli 2016 ingevoerde artikel 344a Sr (strafmaximum 4 jaar).
NJ2012/78 m.nt. Keijzer onder
NJ2012/80 heeft Uw Raad naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet die A-G Knigge tegen de achtergrond van EHRM 17 september 2009, appl. nr. 10249/03, Scoppola v. Italië had ingediend, het volgende overwogen:
NJ1992/322 m.nt. Knigge was sprake van verandering van wetgeving in wat de straftoemeting betreft voor de verdachte gunstige zin. Het strafbare feit viel ten tijde waarop het werd begaan onder art. 6, eerste lid, Vuurwapenwet 1919 en was met een gevangenisstraf van vier jaar bedreigd. Ten tijde van de veroordeling gold art. 31, eerste lid, WWM; dat stelde een maximale straf van drie maanden gevangenisstraf op het bewezenverklaarde. Aan de verdachte was een geldboete van vijfhonderd gulden voorwaardelijk opgelegd. De Hoge Raad leidde uit het bestreden arrest af dat het hof bij de straftoemeting de nieuwe wet had toegepast en casseerde (alleen) tegen die achtergrond niet ten aanzien van de strafoplegging. In HR 12 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1032,
NJ1998/650 liep het anders af. Het hof had de verdachte wegens 1. opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, eerste lid, aanhef en onder C, Opiumwet gegeven verbod en 2. handelen in strijd met art. 13, eerste lid (oud) WWM veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf voorwaardelijk. Het onder 2 ten laste gelegde was ten tijde van de veroordeling niet langer strafbaar als een misdrijf (dat met maximaal drie maanden gevangenisstraf bedreigd werd) maar als een overtreding (die met een geldboete bedreigd werd). Door de strafoplegging mede te doen berusten op art. 55 (oud) WWM en art. 57 Sr Pro had het hof art. 1, tweede lid, Sr geschonden. [5] Cassatie wat betreft de strafoplegging volgde, hoewel aan het strafmaximum ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde (destijds vier jaar, dus ver boven de opgelegde straf) niets was veranderd. [6]
obligation to apply, from among several criminal laws, the one whose provisions are the most favourable to the accused’. Maar het geeft ook aan dat ‘
it is consistent with the principle of the rule of law (…) to expect a trial court to apply to each punishable act the penalty which the legislator considers proportionate’. Aan die eis is, zo kan de gedachte zijn, voldaan als de nieuwe bepaling de oplegging van de betreffende straf toestaat. A-G Knigge ziet de eerste zin van rov. 108 als de belangrijkste uit deze rechtsoverweging en koppelt daaraan de vaststelling: ‘Straffen die volgens de wetgever disproportioneel (excessive) zijn, mogen niet worden opgelegd’. [9] Als daar inderdaad de nadruk op ligt, en mij komt dat aannemelijk voor, laat dat wellicht ruimte om bij opgelegde straffen die met toepassing van de nieuwe bepaling eveneens hadden kunnen worden opgelegd, niet -te snel- aan te nemen dat art. 7 EVRM Pro is geschonden.
NJ2012/236 m.nt. Mevis bijvoorbeeld was cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem van 17 juni 2010. Nadien was op 6 juli 2011 het Besluit van 14 juni 2011,
Stb.337 in werking getreden. Uit de nota van toelichting op dat besluit volgde een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het instellen, aanduiden en handhaven van het rookverbod voor een zelfstandige zonder personeel met een (kort gezegd) klein horecabedrijf. Uw Raad casseerde op die grond na een ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak. Mij komt het voor dat een dergelijke ambtshalve toets alleen in de rede ligt als de verandering van wetgeving ingetreden is nadat de bestreden uitspraak gewezen is. Bij de huidige uitleg van art. 1, tweede lid, Sr wordt niet nagegaan of de bewezenverklaring onder de nieuwe strafbaarstelling te rubriceren is. [15] En een ambtshalve toets of het bewijs toereikend is, wordt naar geldend recht ook niet uitgevoerd als de strafbaarstelling waar de veroordeling op gebaseerd is niet gewijzigd is.
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaar heeft vastgesteld. Aan de verdachte kon volgens het middel slechts een proeftijd van twee jaren worden opgelegd, nu aan de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf slechts de algemene voorwaarde is verbonden dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.