De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld voor twee diefstallen met geweld gepleegd in een treinreis van Rotterdam naar Amsterdam. Hij kreeg een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte werden twee cassatiemiddelen ingediend. Het eerste middel betrof de bewezenverklaring van de pleegplaats Amsterdam, die volgens de verdediging onvoldoende uit de bewijsmiddelen volgde. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de inzendtermijn van stukken in cassatie, wat volgens de verdediging een schending van het recht op een redelijke termijn opleverde.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel faalt omdat de pleegplaats na terugwijzing kan worden aangepast en de bewezenverklaring op basis van de bewijsmiddelen niet ter discussie staat. Het tweede middel slaagt omdat de stukken ruim een maand te laat werden ingezonden, waardoor strafvermindering moet volgen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot de gebruikelijke maatstaf, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.