ECLI:NL:PHR:2024:410

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
10 april 2024
Zaaknummer
22/04138
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 lid 1 SvArt. 432 lid 2 SvArt. 366 lid 4 SvArt. 29b lid 3 SvArt. 326 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn bij diefstallen in trein

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld voor twee diefstallen met geweld gepleegd in een treinreis van Rotterdam naar Amsterdam. Hij kreeg een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte werden twee cassatiemiddelen ingediend. Het eerste middel betrof de bewezenverklaring van de pleegplaats Amsterdam, die volgens de verdediging onvoldoende uit de bewijsmiddelen volgde. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de inzendtermijn van stukken in cassatie, wat volgens de verdediging een schending van het recht op een redelijke termijn opleverde.

De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel faalt omdat de pleegplaats na terugwijzing kan worden aangepast en de bewezenverklaring op basis van de bewijsmiddelen niet ter discussie staat. Het tweede middel slaagt omdat de stukken ruim een maand te laat werden ingezonden, waardoor strafvermindering moet volgen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot de gebruikelijke maatstaf, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, beroep voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04138

Zitting16 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 24 augustus 2022 door het gerechtshof Amsterdam bij verstek wegens onder 1 “diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken” en onder 2 “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest omschreven.
Namens de verdachte heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3. Voordat ik de middelen bespreek, ga ik in op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
4. De vraag is of het cassatieberoep op tijd is ingesteld. Op grond van art. 432 lid 1 Sv Pro moet binnen veertien dagen na de einduitspraak cassatieberoep zijn ingesteld als de verdachte op de hoogte was van de dag van de terechtzitting waarop het onderzoek ter terechtzitting is gesloten. Als hij daarvan niet op de hoogte was, moet op grond van art. 432 lid 2 Sv Pro het cassatieberoep zijn ingesteld binnen veertien dagen nadat de einduitspraak hem bekend is geworden.
5. Het arrest is van 24 augustus 2022 en het cassatieberoep is ingesteld op 7 november 2022. Omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de terechtzitting van 10 augustus 2022, is de termijn van veertien dagen na de einduitspraak niet van toepassing.
6. Wel is op 8 september 2022 een mededeling van de uitspraak in persoon aan de verdachte uitgereikt. In de schriftuur wordt daarover echter aangevoerd dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is en dat bij de mededeling van de uitspraak geen vertaling is gevoegd in het Arabisch dat hij wel beheerst. Het dossier bevat in dat verband (i) een ID-staat SKDB van 17 oktober 2023 dat inhoudt dat de verdachte de Marokkaanse nationaliteit heeft, (ii) een oproeping van een tolk in de Arabische taal om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep en (iii) een proces-verbaal van verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris van 8 september 2021 waaruit blijkt dat de verdachte daar werd bijgestaan door een tolk. Deze stukken wekken het ernstige vermoeden dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, zoals bedoeld art. 366 lid 4 Sv Pro. [1] Dat zou betekenen dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte vóór het instellen van het cassatieberoep bekend was met de einduitspraak, zodat de verdachte ontvankelijk is in het cassatieberoep.
7. Daar staat tegenover dat in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 2021 niet staat dat de verdachte is bijgestaan door een tolk. Op grond van art. 29b lid 3 Sv wordt van de bijstand van een tolk aan de verdachte bij een verhoor mededeling gedaan in het proces-verbaal. Dit artikel heeft een algemene strekking en geldt dus ook voor het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting bij de politierechter (art. 326 lid 1 jo Pro. 367 Sv). [2]
8. Mede gelet op de hiervoor opgesomde omstandigheden legt dit wat mij betreft onvoldoende gewicht in de schaal om ervan uit te gaan dat de verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerste om de mededeling van de einduitspraak te begrijpen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2021, waarin de aantekening van het mondeling vonnis staat, niet is ondertekend door de politierechter en daarom aan nietigheid lijdt. [3] Wat mij betreft kan de Hoge Raad de zaak daarom behandelen.
9. De verdachte is ontvankelijk in het cassatieberoep.

Het eerste middel

10. Het middel klaagt dat de pleegplaats Amsterdam niet uit de bewijsmiddelen volgt.
11. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“1.
hij op of omstreeks 4 september 2021 te Amsterdam een ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de ketting met kracht los te trekken van de nek van [slachtoffer 1];
2.
hij op of omstreeks 4 september 2021 te Amsterdam een iPhone telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen”.
12. Daarvan is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 4 september 2021 te Amsterdam een ketting, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de ketting met kracht los te trekken van de nek van [slachtoffer 1];
2.
hij op 4 september 2021 te Amsterdam een iPhone telefoon, die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
13. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[slachtoffer 1]:
Zaterdag 4 september 2021 ben ik op CS Rotterdam ingestapt in een trein naar Amsterdam CS. Ik zag twee mannen onze coupe inlopen. Eén van de jongens had een rode jas aan. De jongen keek mij aan en begon vervolgens om mij heen te draaien en met zijn voeten tussen mijn voeten door te vogelen. Ik voelde op een gegeven moment een ruk en het leek of de man mij wilde slaan. Ik zag dat de man bij mij vandaan liep en voelde en zag toen dat de gouden ketting van mijn nek/hals gerukt was.
Tijdens het rukken aan de ketting voelde ik geen pijn maar nu voel ik dat ik een schrijnende kras in mijn nek heb. Dat is gebeurd doordat de ketting van mijn nek is gerukt. Ik kan de man die mijn ketting van mijn hals heeft getrokken als volgt omschrijven:
- Marokkaans uitziende man
- De man droeg een rood stoffen pofjasje dicht geknoopt
- wit T-shirt
- zwart haar met veel krullen bovenop
- licht getint
- ergens begin 20 jaar
- 170-180 lang
De politie kwam vrij snel ter plaatse en de trein binnen en ik heb vervolgens gezien dat de man die mijn ketting had geroofd met het rode jasje en zijn vriend met de zwarte jas beiden werden aangehouden en meegenomen door de politie.
2. Een proces-verbaal van aangifte […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[slachtoffer 2]:
Zaterdag 4 september 2021 heb ik de trein van uit Rotterdam naar Amsterdam genomen. Ik zag twee mannen, waarvan ik één man als volgt kan omschrijven:
- de man had een midden oosten uiterlijk
- een rode jas
- een wit T-shirt
- tussen de 20-30 jaar oud
- 75-180 cm
De man in de rode jas deed als of hij dronken was en begon tegen mij aan te leunen en viel toen tegen mij aan. Ik kwam te vallen en de man liep vervolgens van mij weg. Ik liep terug naar mijn coupe. Toen ik bij mijn stoel kwam voelde ik in mijn rechter broekzak en voelde dat mijn telefoon weg was.
De telefoon die ik van de politie terug kreeg is inderdaad mijn telefoon.
3. Een proces-verbaal van bevindingen […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten:
Wij verbalisanten kregen een melding dat er op spoor 13B een trein stond waar een beroving zou hebben plaatsgevonden. De hoofdconducteur heeft de deuren gesloten gehouden tot wij ter plaatse waren. Eenmaal bij de trein werden er 3 mannen aangewezen als verdachten. 1 van deze verdachten zou een volledig rode jas dragen. De verdachte die ons later bekend werd als
[verdachte]droeg een rode jas die bij aantreffen binnenstebuiten zat.
Wij verbalisanten hebben de verdachte
[verdachte]Afgezonderd van publiek en gefouilleerd op het balkon in de trein.
Naast de verdachte hing een prullenbak. In deze prullenbak troffen wij een iPhone aan. Bij navraag van het slachtoffer kon hij de iPhone ontgrendelen door middel van een pincode.
4. Een proces-verbaal van bevindingen […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
De bewakingsbeelden van het Centraal Station van 4 september 2021 van het perron tussen de sporen 14B en 13 zijn gevorderd. Blijkens deze bewakingsbeelden is de verdachte [verdachte] de enige verdachte met krullen. De verdachte [verdachte] wordt als enige verdachte vanuit de trein bij een snoepautomaat geplaatst door twee bijzondere opsporingsambtenaren van V&S. De verdachte [verdachte] is dan alleen gekleed in een wit T-shirt. Door een derde medewerker van V&S wordt een rode jas en een rugtas gedragen, die deze medewerker bij de verdachte [verdachte] op de grond neerlegt. De twee andere verdachten staan op ruime afstand van de snoepautomaat. Deze verdachten dragen daarbij een donkerkleurige jas, die niet rood gekleurd is. Op de bewakingsbeelden is te zien dat de twee andere verdachten nooit bij de snoepautomaat hebben gestaan.
Wanneer de drie verdachten vanaf het perron worden weggevoerd door de politie en de medewerkers van V&S, is de verdachte [verdachte] nog steeds in zijn witte T-shirt gekleed. Een agent van politie loopt achter de verdachte [verdachte] aan, waarbij deze agent de rode jas en de rugtas meeneemt. Op de bewakingsbeelden herkende ik de verdachte [verdachte] vanaf zijn progis en FIKS foto’s.”
14. In de schriftuur wordt aangevoerd dat uit deze bewijsmiddelen niet volgt dat de diefstallen in Amsterdam zijn gepleegd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de diefstallen tijdens een treinreis vanuit Rotterdam naar Amsterdam zijn gepleegd, maar niet op welke plaats tijdens dat traject. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.
15. De wijziging van een pleegplaats in de tenlastelegging kan niet worden gezien als herstel van een kennelijke misslag dat door de rechter zelf kan worden gedaan, maar levert een wijziging van de tenlastelegging op die alleen op de voet van art. 313 en Pro 314 Sv kan plaatsvinden. [4]
16. In deze zaak is het middel in zoverre gegrond dat inderdaad niet uit de bewijsmiddelen volgt dat de feiten in Amsterdam zijn begaan. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat na terugwijzing de tenlastelegging kan worden gewijzigd in bijvoorbeeld die zin dat de feiten in Amsterdam of “in elk geval in Nederland” zijn gepleegd. [5] Dat vervolgens op basis van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, staat verder niet ter discussie. Daarom faalt het middel bij gebrek aan belang.
17. Het middel faalt.

Het tweede middel

18. Het middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
19. Op 7 november 2022 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 15 augustus 2023 door de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim een maand overschreden. Omdat de overschrijding meer dan een maand bedraagt en niet meer kan worden hersteld door een voortvarende afdoening, moet strafvermindering volgen. [6]
20. Het middel slaagt.

Slotsom

21. Het eerste middel faalt. Omdat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en het middel over de bewezenverklaring gaat, ligt niet voor de hand het middel af te doen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. [7] Het tweede middel slaagt.
22. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2008, r.o. 2.5.
3.HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1803,
4.HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8787, r.o. 2.3 en 2.4.
5.Zoals in eerste aanleg wel was gebeurd in HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:803, r.o. 2.4.
6.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
7.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,