5.3Deze bewezenverklaring steunt – voor zover hier van belang – op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), d.d. 24 april 2019, pagina 63 tot en met 66, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pagina 63)
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Brabant, was op dinsdag 23 april 2019 belast met het uitvoeren van een algemene surveillance voor de politieregio Oost-Brabant, district ‘s-Hertogenbosch, team Maasland. Ik was gekleed in uniform en zodanig herkenbaar als ambtenaar van de politie. Ik maakte gebruik van een opvallend dienstvoertuig, ik was de bestuurder. Samen met collega [verbalisant 2] vormde ik de eenheid 13.02. Ik droeg een door de politie gefaciliteerde bodycam tijdens de dienst.
Op 23 april 2019 omstreeks 17.11 uur bevond ik mij in het dienstvoertuig op de Berghemseweg te Oss. Ik stond te wachten voor het rode verkeerslicht op de kruising met de Megensebaan. Ik stond met de neus van ons voertuig in de richting van de Osseweg te Berghem. Ik zag dat er vanuit de richting van Megen een witte Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken] rechtsaf van de Megensebaan de Berghemseweg in sloeg. Ik had direct zicht op het voertuig en de afstand tussen mij en de bestuurder van het voertuig betrof tijdens het passeren slechts enkele meters. Ik zag dat de bestuurder mij kort aankeek tijdens het passeren. Ik zag dat de bestuurder een blanke jonge man betrof en dat hij lichtblauw gekleurde bovenkleding droeg. Het viel mij op dat de bestuurder flaporen had en dat hij een smalle kaaklijn had. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] het betreffende voertuig aan het bevragen was in ons systeem. Ik reed vervolgens verder richting Berghem. Na een paar minuten hoorde ik collega [verbalisant 2] zeggen dat de bestuurder waarschijnlijk ene [verdachte] betrof en dat zijn rijbewijs geschorst was. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] zei dat die [verdachte] op de [a-straat 1] te [plaats] zou wonen. Het was mij ambtshalve bekend dat de straat [a-straat] slechts amper 2 minuten rijden was van de locatie waar ik het betreffende voertuig zag rijden. Ik draaide bij de eerstvolgende mogelijkheid ons dienstvoertuig en reed direct naar het betreffende adres.
Omstreeks 17.15 uur kwam ik samen met collega [verbalisant 2] ter plaatse op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Ik zag dat de betreffende Volkswagen Golf op de oprit geparkeerd stond met de neus richting de woning.
Ik liep samen met collega [verbalisant 2] naar de voordeur van de betreffende woning. Ik zag dat collega [verbalisant 2] aanbelde en dat de deur vervolgens open werd gedaan door een jongedame. De jongedame bleek later te zijn (het hof begrijpt telkens: medeverdachte) [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] . Ik zag dat vervolgens op ons verzoek een jongeman in de deuropening kwam staan. Ik herkende de jongeman direct als de persoon die enkele minuten eerder de betreffende witte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] bestuurde op de Berghemseweg te Oss. Ik zag dat de jongen gekleed was in een lichtblauw trainingspak. Ik begreep van collega [verbalisant 2] dat deze jongen zeer waarschijnlijk [verdachte] zou moeten zijn. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte) naar zijn rijbewijs vroeg en hem confronteerde dat wij hem als bestuurder hadden zien optreden terwijl zijn rijbewijs geschorst was. Ik hoorde dat [verdachte] ontkende het voertuig bestuurd te hebben. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat niet hij maar zijn vader gereden had.
(pagina 64)
Ik zei op enig moment tegen [verdachte] : “We hebben jou zien rijden, klaar.”. Ik hoorde dat [verdachte] daarop antwoordde: “Ja dus?”.
Ik had het sterke vermoeden dat de personen waar wij mee in gesprek waren niet zonder slag of stoot zouden gaan meewerken. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] vervolgens zei dat [verdachte] aangehouden was voor het rijden met een geschorst rijbewijs. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] aan [verdachte] vroeg of hij mee wilde werken en dat hij kon kiezen of hij het goedschiks of kwaadschiks wilde laten verlopen. Ik hoorde dat [verdachte] bleef ontkennen. Op dat moment stond [medeverdachte] nog steeds bij ons.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2019, pagina 79 tot en met 82, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
(pagina 79)
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, was op dinsdag 23 april 2019 omstreeks 17.00 uur samen met collega [verbalisant 1] belast met de algehele noodhulpsurveillance binnen district ’s-Hertogenbosch, team Maasland, standplaats Oss. Ik reed samen met collega [verbalisant 1] in een opvallend dienstvoertuig, we waren in uniform gekleed en zodanig herkenbaar als politieambtenaren.
Op 23 april 2019 omstreeks 17.11 uur stond ik samen met collega [verbalisant 1] stil voor het rode verkeerslicht op het kruispunt Megensebaan/Graafsebaan te Oss. Ik kwam, samen met collega [verbalisant 1] , uit de richting van Oss en wij reden in de richting van Berghem. Ik zat als bijrijder in ons dienstvoertuig en collega [verbalisant 1] trad op als bestuurder. Ik zag dat er een witte Golf, voorzien van kenteken [kenteken] , op de Megensebaan reed, komende vanuit de richting van Megen. Ik zag dat dit voertuig rechtsaf de Berghemseweg op reed en ons hierbij passeerde. Ik zag ik dat dit voertuig ons op enkele meters afstand, met lage snelheid, passeerde. Hierdoor had ik direct en open zicht op het voertuig en zag dat de bestuurder een jonge manspersoon was. Ik zag dat de bestuurder donkerblond kort haar, een pokdalig gezicht had en ik vermoedde dat hij ongeveer 20 jaar oud was. Ook zag ik dat hij een lichtblauw trainingspak aan had.
Ik raadpleegde middels mijn diensttelefoon het politiesysteem Integrale Bevraging en zag dat het voornoemde kenteken was afgegeven voor: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1967 en woonachtig op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Ik zag dat dit een vrouw betrof en dat zij een kind had, genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] . Ik raadpleegde de personalia van [verdachte] in het RDW-systeem en zag dat de gelaatsfoto volledig en voor 100% overeenkwam met de zojuist genoemde bestuurder. Ik zag dat deze persoon volledig genaamd was:
Naam : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum] -1997 (22) te [geboorteplaats]
Adres : [a-straat 1] , [plaats]
Ook zag ik het rijbewijs AM en B Van [verdachte] sinds 6 maart 2019 volledig was geschorst.
Ik verklaar dat [verdachte] vanaf heden wordt aangeduid als [verdachte] .
Ik zag dat er op het voornoemde adres in totaal 3 personen ingeschreven waren, zijnde vader, moeder en zoon […] .
(pagina 80)
Daar [verdachte] een volledige schorsing had op zijn rijbewijs, besloot ik, samen met collega [verbalisant 1] , om omstreeks 17.15 uur aan te gaan op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Toen wij ons dienstvoertuig voor de woning parkeerden, zag ik dat de voornoemde Golf onder de carport stond.
Ik belde aan en zag dat een jonge vrouw opendeed, waar ik aan vroeg of [verdachte] thuis was. Ik verklaar dat later bleek dat deze vrouw [medeverdachte] heette en zij de vriendin was van [verdachte] . Ik zag dat [medeverdachte] naar binnen liep en na enkele seconden terugkwam met een jonge manspersoon. Ik herkende deze manspersoon direct en voor 100% als de voornoemde bestuurder van de Golf, zijnde [verdachte] . Ik herkende [verdachte] aan zijn gelaat en ik zag dat hij een lichtblauw trainingspak droeg. Ik vorderde van [verdachte] inzage in zijn rijbewijs en ik hoorde dat hij zei dat hij geen rijbewijs bij zich had. Hierna vroeg ik aan [verdachte] of hij zojuist in de voornoemde Golf had gereden en ik hoorde dat hij zei: “nee dat was ik niet, dat was mijn vader maar hij is nu even met de hond wandelen”.
Ik zei tegen [verdachte] dat wij hem zojuist hadden zien rijden en dat zijn rijbewijs volledig geschorst was. Ik hoorde dat [medeverdachte] zich met het gesprek ging bemoeien en zeer luidruchtig begon te praten. Ook zag ik dat zij zeer dicht bij mij en collega [verbalisant 1] kwam staan.
Op 23 april 2019 te 17.20 uur hield ik, samen met collega [verbalisant 1] , de [verdachte] aan. Ik deelde dit mondeling mede aan de verdachte (het hof begrijpt telkens: [verdachte] ) en
vroeg aan hem of hij ging meewerken aan zijn aanhouding. Ik vroeg aan de verdachte of hij mee ging werken en ik hoorde dat de verdachte zei dat hij niet had gereden in het voertuig en niet met ons meeging. […]
4. Een geschrift, te weten een print van 26 april 2019 te 14:53:17 uur als resultaat van een bevraging voor [verbalisant 2] van door de politie toegankelijke digitale systemen, waaronder het RDW, op basis van het ingegeven zoekcriteria: Achternaam ‘ [verdachte] ’, Voorletters/naam ‘ [verdachte] ’ en Geboortedatum ‘ [geboortedatum] -1997’ (pagina 89), voor zover inhoudende een kleurenfoto van een volledig gelaat van een jongeman alsmede:
NL-RDW
Identiteit [verdachte]
Geboren [geboortedatum] -1997 te [geboorteplaats]
Laatst bekend adres [a-straat 1] , [plaats]
RIJBEWIJS
Rijbewijsnummer [001]
Datum afgifte 15-01-2016
Autoriteit afgifte [plaats]
Cat. Eerste afgifte Geldig tot
AM 28-06-2013 15-01-2026
B 15-01-2-16 15-01-2026
VERBLIJFPLAATS DOCUMENT
Verblijfplaats Niet ingeleverd
5. Een geschrift, te weten een print van 26 april 2019 te 14:53:38 uur als resultaat van een bevraging voor [verbalisant 2] van door de politie toegankelijke digitale systemen, waaronder het RDW, op basis van het ingegeven zoekcriteria: Achternaam ‘ [verdachte] ’, Voorletters/naam ‘ [verdachte] ’ en Geboortedatum ‘ [geboortedatum] -1997’ (pagina 90), voor zover inhoudende:
NL-RDW
Volgnummer 2
Soort Vorderingsprocedure
Autoriteit Cbr Divisie Vorderingen
Registratie 06-03-2019
Inleversoort Volledige schorsing
Gevorderde inleverdatum 06-03-2019
VORDERING
Schorsing periode vanaf 06-03-2019
Categorie Periode Soort
AM vanaf 06-03-2019 Schorsing
B vanaf 06-03-2019 Schorsing
6. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), d.d. 25 april 2019, pagina 103 tot en met 106, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
(pagina 103)
Op 25 april 2019 deed ik onderzoek naar de camerabeelden. Voor zover ik weet is het beeld opgenomen vanaf de bodycam die mijn collega [verbalisant 2] droeg ten tijde van het incident, dat plaatsvond op 23 april 2019.
(pagina 104)
Toen mijn collega [verbalisant 2] bij de voordeur stond, ging de voordeur open. In de hal stond een jonge vrouw.
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 2] concludeer ik dat deze vrouw (het hof begrijpt telkens: medeverdachte) [medeverdachte] heet.
Nadat mijn collega [verbalisant 2] mededeelde waarvoor hij kwam, zag ik dat [medeverdachte] wegliep en ik hoorde dat ze iemand riep. Kort daarna kwam vanuit de woning een man tevoorschijn.
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 2] concludeer ik dat die man [verdachte] heet en verder in dat proces-verbaal als [verdachte] genoemd wordt. Zo zal hij in dit proces-verbaal ook genoemd worden.
Vervolgens hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 2] tegen [verdachte] zei: “dat hij hem net zag rijden in die Golf” en “als het goed is, is jouw rijbewijs geschorst”. Waarna mijn collega [verbalisant 2] vroeg om het rijbewijs zodat hij dat zou kunnen controleren. Daarna hoorde ik dat [verdachte] zei: “dat ik net niet gereden had”. Daarna ontstaat er een discussie tussen [verdachte] en mijn collega [verbalisant 2] . Ik hoorde aan de vrouwenstem, dat er een vrouw zich mengde in de discussie. [verdachte] bleef daarbij ontkennen dat hij had gereden en verklaarde dat zijn vader net had gereden. Vervolgens hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 2] zei tegen [verdachte] : “het kan moeilijk of makkelijk maar jij wordt wel aangehouden. Het kan goedschiks of kwaadschiks mij maakt het niet uit. Maar je bent wel aangehouden bij deze”. […]
7. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), d.d. 25 april 2019, pagina 109 tot en met 112, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
(pagina 109)
Op 25 april 2019 keek ik de bodycambeelden die mijn collega [verbalisant 1] droeg ten tijde van het incident dat plaatsvond op 23 april 2019.
Toen mijn collega [verbalisant 2] voor de voordeur stond, zag ik dat de voordeur openging. Ik zag dat in de hal van de woning een jonge vrouw stond.
(pagina 110)
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 1] concludeer ik dat deze vrouw (het hof begrijpt telkens: medeverdachte) [medeverdachte] heet.
Ik hoorde dat mijn collega [verbalisant 2] ; ‘hoi [verdachte] ” zei en vervolgens zei dat ze hem net hadden zien rijden in een Golf. Direct daarop draaide het beeld waarop er een man zichtbaar werd die op dat moment in de voordeur opening stond. Ik zag dat hij een lichtblauw Adidas trainingspak met witte strepen droeg.
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 1] concludeer ik dat die man [verdachte] heet (het hof begrijpt telkens: verdachte) en verder wordt hij in dit proces-verbaal genoemd als [verdachte] .
Vervolgens hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 2] tegen [verdachte] zei: “dat hij hem net zag rijden in die Golf en als het goed is jouw rijbewijs geschorst?”. Waarna mijn collega [verbalisant 2] vroeg om het rijbewijs zodat hij hem zou kunnen controleren. Daarna ontstaat er een discussie tussen Vos1en mijn collega [verbalisant 2] .
[verdachte] bleef daarbij ontkennen dat hij had gereden en verklaarde dat zijn vader er net in gereden had. In dat gesprek hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 1] zei dat ze hem net hadden zien rijden. Kort erop hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 2] zei tegen [verdachte] : “het kan moeilijk of makkelijk maar jij wordt wel aangehouden. Het kan goedschiks of kwaadschiks mij maakt het niet uit. Maar je bent wel aangehouden bij deze”. […]”