Conclusie
1.[eiser 1] (hierna: [eiser 1] )
[eiseres 2])
[eiser], in mannelijk enkelvoud)
[verweester])
openbaarwater of niet? In eerste aanleg en in hoger beroep is deze vraag bevestigend beantwoord. Daartegen komt [eiser] in cassatie op, m.i. zonder succes.
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof).
strook) direct naast de recreatiewoning van [eiser] , die overloopt in een grotere strook grond met water (langs perceel [002] ) (hierna: de
opvaart) en in een open verbinding staat tot het [meer] en het [kanaal] /de [sloot] .
bestuurrespectievelijk de
coöperatie) houdt, voor zover van belang, het volgende in:
7. Recht van overvaart in het algemeen en in het Waterpark Heeg in het bijzonder
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Zij heeft een verklaring voor recht en een dienovereenkomstig verbod gevorderd, met de strekking dat de eigenaar van het (toenmalige) perceel [003] en de toekomstige eigenaren van de op perceel [003] nieuw te bouwen recreatiebungalows vrij gebruik hebben van perceel [002] om via dit perceel met gebruik van vaartuigen te komen van, en te gaan naar, het om perceel [003] liggende vaarwater.
eindvonnis) de onder 2.1 hiervoor bedoelde vorderingen van [verweester] , na herformulering van het gevorderde, toegewezen:
Primair:te verklaren voor recht dat de eigenaren van percelen [gemeente] [sectie] [004] , [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] en [016] vrij gebruik hebben van perceel [gemeente] [sectie] [002] om via dit perceel met gebruik van pleziervaartuigen te komen van en te gaan naar het om perceel [002] liggende vaarwater;
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1.
correspondentie zijdens [eiser]- niet buiten beschouwing te blijven. Ook niet in beginsel. Ik licht dit toe onder 3.4.2-3.4.11 hierna.
vaarwater. Daarvoor is vereist dat het gaat om een openbaar water dat met enige duurzaamheid en frequentie
voor het economisch vervoer van goederen en personen wordt gebruikt. [19] Daarvan is in het arrest geen spoor te vinden. Het hof verwijst daarin ook niet naar die maatstaf. Dat de term ‘vaarwater’ niettemin voorkomt in het arrest komt door het gebruik van die term in de correspondentie tussen partijen en de formulering van [verweester] ’s vorderingen. Dat het hof die term ook kiest in het dictum, is een onvolkomenheid(je). Ik wijs erop dat het predicaat “openbaar vaarwater” verdergaande rechtsgevolgen heeft, in het bijzonder het vermoeden van art. 5:27 lid 1 BW Pro dat de Staat daarvan eigenaar is. Daarvan blijft deze zaak weg.
water. Wanneer is een water openbaar? De openbaarheid van een water regardeert het publiek in algemene zin, dus niet bijvoorbeeld alleen ‘naburen’ als bedoeld in Titel 5.4 BW. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat “[e]en openbaar water in de zin van Boek 5 (…) ieder water [is], dat voor enig gebruik openstaat voor het publiek.” [20] In het Staat/Kerkewaard-arrest heeft de Hoge Raad op basis van een andere, daarmee corresponderende passage uit de parlementaire geschiedenis [21] overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of een water openbaar is, het feitelijke gebruik van het water bepalend is; indien daaruit blijkt dat eenieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar. [22]
elkgebruik van een openbaar water is toegestaan. En dat een persoon onder omstandigheden misbruik kan maken van de uit de openbaarheid voortvloeiende bevoegdheid om het relevante (deel van het) water (op de toegestane wijze) te gebruiken (art. 3:13 BW Pro). Kort en goed: dat een water openbaar is, betekent niet dat gebruikers ervan in dit verband ‘carte blanche’ hebben. In voorkomende gevallen kan ter zake recht worden gedaan, onrecht worden voorkomen.
duurzaamheid en frequentievereist, zoals is bepleit in annotaties [24] en door het hof onbestreden tot uitgangspunt is genomen in rov. 3.21-3.25? Indien de gerechtvaardigde percepties van het publiek omtrent eenieders mogelijkheid van gebruik van het water inderdaad beslissend zijn, zoals genoemde parlementaire geschiedenis en rechtspraak m.i. suggereren, dan zijn een zekere duurzaamheid en frequentie van het feitelijk gebruik van het water wel indicatief, maar niet per definitie nodig. In het licht van het citaat onder 3.4.8 hiervoor kan men ook vanuit praktisch opzicht een vraagteken plaatsen bij zo’n vereiste. Hoe dan ook: in cassatie moet het dus als onbestreden ervoor worden gehouden dat dit vereiste inderdaad geldt.
klacht clopen ook vast. Deze nemen eveneens tot uitgangspunt - gelijk klacht a - dat
de correspondentie zijdens [eiser], dus vanaf 2009, van belang is bij de beantwoording van de vraag of het water boven perceel [002] een openbaar water is. Blijkens rov. 3.12 en in het bijzonder rov. 3.15 meent het hof evenwel, en terecht, dat die correspondentie daarbij zónder belang is. Zo’n correspondentie is - wat er verder van zij - voor het publiek immers niet kenbaar en kan reeds daarom, gezien 3.4-3.4.11 hiervoor, niet van invloed zijn op de openbaarheid van het water. Ik kan daarlaten of het hof daartoe ook deze redenering volgt. Waar het hier om gaat, is dat ’s hofs conclusie - die correspondentie is daarbij zónder belang - juist is. Bij die stand van zaken gaf deze correspondentie, alsmede daarop gerichte stellingen van [eiser] , het hof hoe dan ook geen reden zijn oordeel nog weer nader te motiveren. Iets anders geldt logischerwijs niet voor de stelling van [eiser] dat [verweester] en [betrokkene 2] ook uit een procedure bij de Raad van State wisten dat [eiser] - in genoemde correspondentie - de coöperatie en haar leden heeft laten weten dat de strook zijn eigendom is en deze niet zonder zijn toestemming mag worden overvaren. Daarom behoeven klacht b en klacht c geen verdere behandeling.
subonderdeel 2.2.
2015heeft plaatsgevonden (rov. 2.1, 2.3-2.4). [31]
subonderdeel 2.3.
gang” (onderstreping toegevoegd in het subonderdeel). Dit is onbegrijpelijk. Zoals het hof in rov. 2.14 heeft vastgesteld, stond op dit bord de tekst “Privé terrein - Geen vrije door
vaart” (idem). Bovendien blijkt van laatstgenoemde tekst uit de gedingstukken en is deze tussen partijen niet in geschil.
vaart) is evenmin begrijpelijk dat deze tekst volgens het hof ook erop zou kunnen duiden dat het bord bedoeld was voor enkel het perceel van [betrokkene 4] , in die zin dat het daar voor derden verboden was aan te leggen (en kennelijk vervolgens over diens perceel te ‘gaan’). Een mededeling dat geen sprake is van vrije doorvaart zal immers geen betrekking hebben op aanleggen (en vervolgens over een perceel ‘gaan’).
In ieder geval had het hof dit oordeel nader moeten motiveren. Het subonderdeel verwijst daarbij naar (i) een stelling van [eiser] en (ii) getuigenverklaringen.
hoe dan ookgeen relevantie toekomt. Rov. 3.10-3.12 en 3.18 van het arrest spreken ter zake boekdelen.
subonderdeel 3.1.
subonderdeel 3.2.
subonderdeel 3.3.
eerst klachtbehelst het volgende. Het hof oordeelt in het arrest “dat [eiser] moeten dulden dat perceel [002] wordt gebruikt voor pleziervaart, omdat het een openbaar water betreft (rov. 3.1).” In zijn motivering van dit oordeel stelt het hof voorop dat het feitelijk gebruik van een water bepalend is voor het antwoord op de vraag of dat water openbaar is, alsmede voor het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar moet dulden als normaal gebruik (rov. 3.10). Het hof spitst de beoordeling van het feitelijk gebruik vervolgens toe op het feitelijk gebruik door de bewoners van de recreatiewoningen met hun
pleziervaartuigen(rov. 3.19). In dit licht is onbegrijpelijk dat het hof het gebruik door [betrokkene 2] meeweegt bij de beoordeling of sprake is van openbaar water (rov. 3.23, 3.26, 3.27, 3.31 en 3.32) dat openbaar is voor
pleziervaart(rov. 3.34). Het gebruik van de opvaart en (volgens het hof ook) de strook door [betrokkene 2] kan namelijk niet (zonder nadere motivering) begrijpelijk worden aangemerkt als pleziervaart. Uit de getuigenverklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] blijkt dat als [betrokkene 2] al gebruik maakte van de strook, dit gebruik steeds bedrijfsmatig is geweest, namelijk om met zijn pont (‘overzet’) gasten van de zeilschool over te zetten dan wel als kapitein van de historische rondvaartboot de [naam] . Ook [eiser] heeft het gebruik door [betrokkene 2] altijd in verband gebracht met de bedrijfsmatige vaart, namelijk in het kader van het overzetten van gasten van de door hem geëxploiteerde groepsaccommodatie. Gezien deze stelling van [eiser] en de eenduidige getuigenverklaringen had het hof zijn (kennelijke) oordeel dat het gebruik van de strook door [betrokkene 2] pleziervaart betrof (nader) moeten motiveren om het begrijpelijk te doen zijn.
tweede klachtkomt erop neer dat voor zover het hof niet heeft geoordeeld dat het gebruik door [betrokkene 2] pleziervaart betrof, onbegrijpelijk is dat het hof het gebruik door [betrokkene 2] dan niettemin heeft betrokken bij de beoordeling van het openbare karakter van de strook. Dit gezien ’s hofs oordeel dat die beoordeling moest worden toegespitst op het gebruik van de bewoners van de recreatiewoningen met hun pleziervaartuigen (rov. 3.19) en dat het gaat om de beoordeling of de strook openbaar is voor pleziervaart (rov. 3.34).
eerste klacht.
Dat het daarbij vooral of zelfs alleen gaat om vaarbewegingen tijdens het vaarseizoen spreekt voor zich nu het om pleziervaart gaat. (…).” [41] [onderstreping toegevoegd, A-G]
tweede klacht.