Conclusie
de eigenaar). De eigenaar verzet zich tegen een door de Staat gerealiseerde verlenging van de steigers in de overnachtingshaven, stellende dat deze leidt tot een intensiever gebruik van het noordelijke deel van het waterperceel, waartoe de erfdienstbaarheid zich niet uitstrekt. De Staat betoogt dat de eigenaar het gebruik van het noordelijke deel heeft te dulden omdat het een openbaar vaarwater betreft. Het hof heeft het gehele perceel, inclusief het noordelijke deel, als openbaar vaarwater aangemerkt. Nochtans heeft het hof geoordeeld dat de eigenaar zich kan verzetten tegen de verlenging van de steigers, omdat deze leidt tot een verzwaring van de erfdienstbaarheid. De in cassatie over en weer aangevoerde klachten betreffen met name de kwalificatie van het noordelijke deel als (al dan niet) openbaar vaarwater en de gevolgen daarvan voor de rechtspositie van de eigenaar.
1.Feiten en procesverloop
de haven), gelegen aan de rivier de Waal. Het perceel maakte onderdeel uit van een groter perceel, waarop de eigenaar in 1968-1970 een industrieterrein met haven heeft gerealiseerd. In 1999/2000 heeft de eigenaar een groot deel van het aan de haven gelegen industrieterrein, inclusief een strook water, in eigendom overgedragen aan een transportbedrijf. [3]
de erfdienstbaarheid) verleend aan de Staat op het zuidelijke deel van de haven. In artikel 1 van Pro de overeenkomst, dat gelijk is aan artikel 1 van Pro de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid van 22 december 1983, [5] is de rivier de Waal als ‘heersend’ erf aangemerkt en zijn de op een aangehechte tekening [6] omlijnde gedeelten van de haven als ‘lijdend’ erf aangemerkt. De erfdienstbaarheid behelst volgens artikel 1:
het noordelijke deel’ respectievelijk ‘
het zuidelijke deel’. [8]
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1 tot en met 6stellen de kern van het geschil aan de orde: [25] de vraag of de eigenaar zich – ondanks de publieke bestemming van de haven als openbaar vaarwater – kan verzetten tegen de verlenging van de steigers met de meerpalen.
Onderdeel 7betreft de dwangsommen die het hof heeft verbonden aan de veroordeling in het vonnis van 27 november 1996. Die veroordeling betrof een ander geschilpunt: de vraag of de Staat op grond van artikel 1 van Pro de overeenkomst en de vestigingsakte – dat spreekt over gebruik van de overnachtingshaven ‘voor de duur van de nacht’ – maatregelen dient te treffen om te bereiken dat beroepsschippers gedurende werkdagen overdag niet in de overnachtingshaven blijven liggen.
Onderdeel 8behelst een voortbouwende klacht die geen bespreking behoeft.
publieke bestemmingvan openbare zaken ontstaat (bij gebreke van een bijzondere regeling als art. 4 Wegenwet Pro) wordt beantwoord in de Toelichting Meijers bij art. 5:28 BW Pro. Voor de toepasselijkheid van dit artikel – dat een bewijsvermoeden voor de eigendom van openbare onroerende zaken behelst – is nodig dat de zaak door een openbaar lichaam wordt onderhouden en dat de zaak openbaar is. Aan dit laatste vereiste is volgens de wetgever voldaan als de zaak ‘feitelijk openbaar is, d.w.z. dat in beginsel een ieder van de zaak gebruik kan maken’. [31] Dienovereenkomstig wordt in de literatuur aangenomen dat de publieke bestemming van openbare zaken (niet zijnde openbare wegen) ontstaat door
feitelijk gebruikals zodanig. [32] Of de openbaarheid tevens kan ontstaan door een
bestemmingshandelingvan de eigenaar (zoals bij wegen op grond van art. 4 lid 1 onder Pro III Wegenwet) [33] en of de overheid daarbij betrokken dient te zijn (zoals bij wegen op grond van art. 5 lid 1 Wegenwet Pro), is niet geheel duidelijk. [34]
gevolgende publieke bestemming heeft voor de rechtspositie van de eigenaar van een openbare zaak (bij gebreke van een bijzondere regeling als art. 5:22 (slot) BW jo. art. 14 Wegenwet Pro), wordt voor openbare wateren beantwoord in art. 5:33 lid 1 BW Pro en de bijbehorende toelichting. Dit artikellid bepaalt dat, indien de oeverlijn van een openbaar water zich landinwaarts verplaatst nadat de grens is vastgelegd, de eigenaar van het overspoelde erf ‘het gebruik van het water overeenkomstig de bestemming’ moet dulden. De Toelichting Meijers vermeldt hierbij dat ‘de zwaarte van het onus publicum voor de eigenaar’ zal afhangen van ‘de bestemming van het openbaar water’. [35] Die bestemming wordt, zoals gezegd, door het feitelijke gebruik ervan bepaald. Dienovereenkomstig wordt in de literatuur aangenomen dat (ook) de invulling van de op de eigenaar van openbare zaken rustende
duldplicht– het voornaamste rechtsgevolg van de publieke bestemming – door het feitelijke gebruik van de zaak wordt bepaald. De literatuur spreekt in dit verband van ‘normaal’, ‘gewoon’ of ‘algemeen’ gebruik (dat de eigenaar moet dulden), ter onderscheiding van ‘bijzonder’ gebruik (dat de eigenaar kan verbieden of beperken). [36] Sommige auteurs merken op dat de publieke bestemming en de duldplicht een circulair karakter hebben: beide worden uiteindelijk bepaald door het feitelijke gebruik van de zaak. [37]
Onderdeel 3.2bouwt hierop voort met de klacht dat rov. 5.9 onbegrijpelijk is indien het hof heeft geoordeeld dat de Staat afstand heeft gedaan van zijn beroep op openbaarheid van het noordelijke deel.
schippersdie gebruik maken van de overnachtingshaven. In rov. 5.8 e.v. onderzoekt het hof, uitgaande van die openbaarheid en de bijbehorende duldplicht, of de eigenaar zich op grond van haar eigendomsrecht kan verzetten tegen het bijzondere gebruik dat de
Staatmaakt van het
zuidelijkedeel door verlenging van de steigers met de meerpalen, gezien de verzwaring van de erfdienstbaarheid die daarvan het gevolg is.
binnenvaartschippers(op grond van de publieke bestemming als openbaar vaarwater) en anderzijds het inrichten, hebben, behouden en onderhouden van de overnachtingshaven door de
Staat(op grond van de privaatrechtelijke erfdienstbaarheid). [75] Het is dat onderscheid dat het hof in rov. 5.3 e.v. en 5.8 e.v. heeft gemaakt, en dat het onderdeel miskent. De opmerkingen over bijzonder gebruik in de schriftelijke toelichting namens de Staat doen aan het voorgaande niet af. [76]
verbiedteen kortere ligtijd te bepalen of om (zoals in dit geval bevolen door de rechtbank) maatregelen te treffen om te bereiken dat beroepsschippers gedurende werkdagen overdag niet in de overnachtingshaven blijven liggen. Art. 14.11 lid 1 onder g schrijft een in beginsel maximale ligduur voor van drie opeenvolgende dagen, in de vorm van een tot de
schippersgericht verbod. Uit niets blijkt dat dit verbod tevens een tot de
Staatals havenbeheerder gericht gebod behelst om een ligduur van drie opeenvolgende dagen te garanderen. [88] De Staat noemt ook geen vindplaatsen of argumenten waaruit dit (dwingend) volgt. [89]
misbruik van bevoegdheidzou maken door nakoming van het vonnis uit 1996 te verlangen (art. 3:13 BW Pro), zou hierover anders kunnen worden gedacht. [96] Dat heeft de Staat echter niet aangevoerd. Het middel vermeldt hiervan ook geen vindplaatsen. [97]
nieuwe feitenen het standpunt heeft ingenomen dat de eigenaar in het licht daarvan
onvoldoende belangheeft bij de nakoming van het vonnis, kan zonder nadere uitwerking en onderbouwing – die de Staat achterwege heeft gelaten – geen doorbreking van het gezag van gewijsde van het vonnis uit 1996 rechtvaardigen. Mocht blijken dat de eigenaar op enig moment (in het licht van nader aan te voeren feiten) misbruik van bevoegdheid maakt, door nakoming van het vonnis te verlangen, dan kan de Staat dit in een executiegeschil aan de orde stellen.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
randnummer 1.2). Meer in het bijzonder zou het bestreden oordeel onbegrijpelijk zijn om een drietal redenen (
randnummer 1.3). Ten eerste zou het hof het onderscheid tussen de begrippen ‘openbaarheid’ en ‘vaarwater’ hebben miskend. Dat sprake is van frequent feitelijk gebruik als
vaarwater, zou nog niet de conclusie rechtvaardigen dat dit vaarwater ook
openbaaris (
randnummer 1.4). Ten tweede zou het hof de openbaarheid ten onrechte hebben ‘geclausuleerd tot een specifiek gebruik’ door een ‘specifieke doelgroep’. Dit zou ook een innerlijke tegenstrijdigheid opleveren: een water kan volgens de eigenaar niet openbaar zijn als het maar door een beperkte doelgroep voor een specifiek doel wordt gebruikt (
randnummer 1.5). Ten derde zou het hof essentiële stellingen van de eigenaar hebben miskend, die (eveneens) ten betoge strekten dat de haven niet door het algemene publiek wordt gebruikt als vaarwater, maar slechts door een specifieke doelgroep voor een specifiek doel, namelijk overnachting in het zuidelijke deel (
randnummer 1.6).
randnummer 2.2). Meer in het bijzonder zou het hof hebben miskend dat overnachten een vorm van bijzonder gebruik van openbaar vaarwater is, nu overnachten op de Waal – buiten daartoe aangewezen overnachtingshavens – niet is toegestaan (
randnummer 2.3). Bijgevolg zou ook de kwalificatie van het noordelijke deel als openbaar vaarwater onjuist, althans onbegrijpelijk zijn (
randnummer 2.4).
randnummer 3.2). Het oordeel zou tevens onbegrijpelijk zijn in het licht van essentiële stellingen van de eigenaar betreffende ‘haar opstelling inzake het gebruik van het noordelijke deel van de haven’. Volgens het onderdeel bleek daaruit dat de eigenaar ‘wel degelijk (continu) bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van het noordelijk deel om de overnachtingshaven te gebruiken’ en dat ‘nooit sprake is geweest van toestemming’ voor dat gebruik (
randnummer 3.3). In het verlengde hiervan zou ook ’s hofs oordeel in rov. 5.10 tot en met 5.12 geen stand kunnen houden (
randnummer 3.4).