Conclusie
Nummer22/00460
Inleiding
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
Oordeel van het hof
Het eerste middel en de toelichting daarop
nietdoor de verdachte werd gedwongen om een verbintenis met hem aan te gaan omdat die verbintenis al bestond. De ontmoeting was erop gericht dat de verbintenis door de aangever zou worden nagekomen.
De beoordeling van het eerste middel: gedwongen tot het aangaan van een schuld?
al bestond” en dat de aangever dus niet is gedwongen tot het “
aangaan” van die schuld. In deze stelling ligt besloten dat de ‘onder dwang vastgelegde’ schuld identiek is aan een schuld die voortvloeit uit een (verbintenisscheppende) overeenkomst die de aangever en de verdachte voorafgaande aan het ondertekenen van de schuldbekentenis reeds hadden gesloten. Of de door de aangever ‘onder dwang vastgelegde’ schuld werkelijk identiek is aan een mogelijk reeds bestaande schuld betreft een vraag van feitelijke aard.
nietheeft gevoerd. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Het eerste middel mist daarmee feitelijke grondslag. Omtrent een ‘al bestaande’ schuld die identiek is aan de schuld waarvan de schuldbekentenis getuigt, heeft het hof niets vastgesteld. Een dergelijke kwestie kan niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht.
Het tweede middel en de toelichting daarop
NJgepubliceerde annotatie van Bronkhorst. De steller van het middel beroept zich op die annotatie en stelt dat de wijze waarop de verdachte heeft aangedrongen op nakoming van de gemaakte afspraken weliswaar onbehoorlijk is geweest, maar dat het de vraag is of alleen op basis daarvan gesproken mag worden van (poging tot) afpersing. Afpersing als bedoeld in artikel 317 Sr Pro heeft een ander karakter dan misdrijven waarbij geweld en bedreiging met geweld strafbaar zijn gesteld (hetzelfde geldt voor dwang ex artikel 284 Sr Pro) en is onmiskenbaar een vermogensdelict, aldus de steller van het middel.
De beoordeling van het tweede middel
“nu hetgeen req. tot het behalen van die beoogde bevoordeling heeft verricht van zodanige aard is en op zodanige wijze is geschied, dat daaruit door het Hof kon worden afgeleid, dat req. moet hebben beseft, dat hij (ook indien hij de voormelde mening[dat hij recht had op dat geld, D.A.]
toegedaan zou zijn geweest) de grenzen van het maatschappelijk betamelijke daarmede verre overschreed.” Ik verwijs bovendien naar de woorden van mijn voormalig ambtgenoot Kist, in zijn aan dit arrest voorafgaande conclusie: “
ook het nastreven van voordelen waarop de dader recht meende te hebben kan door de gebruikte middelen wederrechtelijk worden”. De toelichting op het middel geeft mij geen aanleiding voor een hiervan afwijkende opvatting.
Het derde middel en de toelichting daarop
De beoordeling van het derde middel
In de woning is er geweld toegepast op aangever, waarbij het hof ervan uitgaat dat dat onderdeel was van het plan van verdachte. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat aangever vrijwel meteen na binnenkomst werd geslagen, maar ook uit het inschakelen van [medeverdachte] als incasseur voor een bedrag van € 70.000,- als het door verdachte beoogde doel werd bereikt, een bedrag dat bovenmatig ver uitstijgt boven het gebruikelijke incassotarief. Verdachte moest hoe dan ook zijn geld hebben. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder ook niet dat verdachte zich ter plaatse heeft gedistantieerd van het toegepaste geweld op aangever. Het hof acht dan ook bewezen dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] voor het op aangever toegepaste geweld.”
Sla hem maar een paar keer nog” heeft horen zeggen en dat, zoals ook onderschreven door de getuigenverklaring van [slachtoffer 2], er meermaals geweld werd toegepast als de verdachte zei dat de aangever moest tekenen en dat vervolgens niet gebeurde.