De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk vervoeren van ruim zes kilogram cocaïne. Het hof baseerde zijn bewijs op monsters van zes in beslag genomen blokken cocaïne die positief testten bij het Nederlands Forensisch Instituut. De verdachte werd aangehouden na een achtervolging in Amersfoort waarbij in zijn auto de drugs werden aangetroffen.
De verdediging voerde in cassatie aan dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de hoeveelheid cocaïne ruim zes kilogram bedroeg, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen omdat het hof voldoende nauwkeurig naar het proces-verbaal verwees waarin het gewicht expliciet werd vermeld. Daarnaast klaagde de verdediging over de strafoplegging, omdat het hof rekening hield met handel in cocaïne terwijl dit niet bewezen was verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit als omstandigheid bij de strafoplegging mocht meenemen.
Het hof motiveerde de straf met verwijzing naar de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne, de aanwezigheid van versleutelde telefoons, contant geld en een drugspers bij de verdachte, en de onwaarschijnlijkheid dat hij slechts een koerier was. De Hoge Raad wees op overschrijding van de redelijke termijn en achtte daarom een strafvermindering passend. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
De uitspraak bevestigt dat het vervoeren van een dergelijke hoeveelheid cocaïne per definitie bestemd is voor handel en dat omstandigheden waaronder het delict is begaan meegewogen mogen worden bij de strafoplegging. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest, welke straf lager is dan het gebruikelijke oriëntatiepunt van 28 maanden.