ECLI:NL:PHR:2024:425

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
22/01000
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArtikel 2 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk vervoeren van ruim zes kilogram cocaïne met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk vervoeren van ruim zes kilogram cocaïne. Het hof baseerde zijn bewijs op monsters van zes in beslag genomen blokken cocaïne die positief testten bij het Nederlands Forensisch Instituut. De verdachte werd aangehouden na een achtervolging in Amersfoort waarbij in zijn auto de drugs werden aangetroffen.

De verdediging voerde in cassatie aan dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de hoeveelheid cocaïne ruim zes kilogram bedroeg, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen omdat het hof voldoende nauwkeurig naar het proces-verbaal verwees waarin het gewicht expliciet werd vermeld. Daarnaast klaagde de verdediging over de strafoplegging, omdat het hof rekening hield met handel in cocaïne terwijl dit niet bewezen was verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit als omstandigheid bij de strafoplegging mocht meenemen.

Het hof motiveerde de straf met verwijzing naar de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne, de aanwezigheid van versleutelde telefoons, contant geld en een drugspers bij de verdachte, en de onwaarschijnlijkheid dat hij slechts een koerier was. De Hoge Raad wees op overschrijding van de redelijke termijn en achtte daarom een strafvermindering passend. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.

De uitspraak bevestigt dat het vervoeren van een dergelijke hoeveelheid cocaïne per definitie bestemd is voor handel en dat omstandigheden waaronder het delict is begaan meegewogen mogen worden bij de strafoplegging. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest, welke straf lager is dan het gebruikelijke oriëntatiepunt van 28 maanden.

Uitkomst: De gevangenisstraf van 24 maanden wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01000

Zitting16 april 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 11 maart 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens
"handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod"veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen omtrent in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een gevangenisstraf van één week, die voorwaardelijk was opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 4 september 2018.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/01001. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. van Stratum, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ruim zes kilogram cocaïne heeft vervoerd.
5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 2 juli 2019 te Amersfoort opzettelijk heeft vervoerd 6041,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
6. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voor zover relevant het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“Bewijsmiddelen

Op 2 juli 2019 omstreeks 22:55 uur reden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in een opvallend politievoertuig in Amersfoort. Op de kruising van de Holkerweg met de Sara Burgerhartsingel zag [verbalisant 2] een auto (Volkswagen Golf) rijden waarvan het linker achterlicht niet brandde. [verbalisant 2] stuurde deels in op het tegemoetkomende voertuig, stak zijn hand uit het raam en zette het politievoertuig stil om de bestuurder van de Golf aan te spreken. Vervolgens maakte de bestuurder van de Golf een stuurbeweging naar rechts waarbij hij snel doorreed, het politievoertuig passeerde en links afsloeg richting de Holkerweg. Vervolgens zijn de verbalisanten achter de Golf aangereden. Kort daarna kruisten de Golf en een passerende Volkswagen Passat elkaar, waarbij de Passat de Golf in de flank raakte. Terwijl de bestuurders werden nagekeken door ambulancemedewerkers, keek [verbalisant 2] door een kapotte ruit van de passagiersdeur van de Golf en zag hij op de achterbank een Big Shopper tas liggen, waarin hij een rechthoekig, bruinkleurig ingetapet blok zag dat leek op een verpakking met cocaïne. De verbalisanten hebben de gehele tas gepakt en zij zagen in totaal 6 blokken in de tas liggen, welke vervolgens in beslag zijn genomen. De bestuurder van de Golf werd geïdentificeerd als [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990 en werd aangehouden. Van de 6 blokken zijn monsters afgenomen. Alle monsters zijn door het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht en testten positief op de aanwezigheid van cocaïne. (…).”
7. In de toelichting op het eerste middel wordt betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen weliswaar volgt dat onder de verdachte een tas met zes blokken cocaïne in beslag is genomen, maar dat daaruit niet zonder meer volgt dat het ruim zes kilogram betrof.
8. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte 6041,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne heeft vervoerd. In zijn op de promis-leest geschoeide bewijsmotivering stelt het hof onder meer vast dat van het materiaal van alle zes in beslag genomen blokken monsters zijn afgenomen en dat alle monsters na onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut positief testten op de aanwezigheid van cocaïne. Het hof heeft bij die vaststelling in een voetnoot verwezen naar het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina’s 56 tot en met 58. In dat proces-verbaal wordt het gewicht van de zes blokken cocaïne expliciet vermeld, namelijk (in totaal) 6041,3 gram. [1] Hoewel het niet had misstaan als het hof de hoeveelheid van het in beslag genomen materiaal uitdrukkelijk in zijn bewijsmotivering had opgenomen, kon het hof uit de bewijsmiddelen waarnaar het voldoende nauwkeurig verwijst hoe dan ook opmaken dat de verdachte ruim zes kilogram van een materiaal bevattende cocaïne heeft vervoerd.
9. Het middel faalt.

Het tweede middel

10. Het tweede middel behelst de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, althans verbazing wekt.
De strafmotivering
11. Het hof heeft de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden als volgt gemotiveerd:

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van ongeveer zes kilogram cocaïne. Een dergelijke hoeveelheid drugs is per definitie voor de handel bedoeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat Nederland wordt geteisterd door de georganiseerde criminaliteit die drugs verhandelt. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met veel geweld. Ook zorgt het gebruik van cocaïne voor schade aan de volksgezondheid. Bij een feit van deze ernst past alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur.
Het hof zal het oriëntatiepunt dat binnen de rechtspraak wordt gehanteerd, te weten 28 maanden gevangenisstraf, voor het vervoeren van zes kilogram cocaïne gebruiken als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 20 januari 2022. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De verdediging heeft bepleit dat verdachte gelet op zijn rol (drugskoerier) een lagere straf behoort te krijgen. Het hof gaat hier niet in mee en overweegt als volgt. Bij verdachte zijn goederen aangetroffen die duiden op een aanzienlijk grotere rol dan ‘slechts’ de rol van vervoerder (twee versleutelde telefoons, grote contante geldbedragen en een drugspers). De verklaring van verdachte dat hij enkel op verzoek van een ander iets vervoerd heeft past hier niet bij. Het hof gaat er dan ook vanuit dat verdachte meer betrokken was bij de bij hem aangetroffen cocaïne dan hij heeft doen voorkomen. Dat stelling van verdachte dat hij in de rol van koerier door de eigenaren niet wordt aangesproken voor het verlies van de cocaïne (die een straatwaarde van om en nabij de anderhalve ton vertegenwoordigt) omdat hij geen namen noemt, acht het hof ongeloofwaardig en sterkt haar in de overtuiging dat de rol van verdachte omvangrijker was dan hij het hof wil doen geloven.
In strafmatigende zin zal het hof de persoon van verdachte en de ouderdom van de feiten meewegen. Verdachte was ten tijde van het feit nog jong. Ook is het feit bijna drie jaar geleden gepleegd. Alles overwegend acht het hof verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.”
Toelichting op het middel
12. Volgens de steller van het middel wekt de opgelegde straf om twee redenen verbazing. In de eerste plaats heeft het hof in de strafmaat ten nadele van de verdachte ‘handel in cocaïne’ meegewogen terwijl dit niet bewezen is verklaard en de procespartijen onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te laten. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het onbegrijpelijk is dat het hof ten nadele van de verdachte gewicht heeft toegekend aan de door de verdachte afgelegde verklaring voor zover die inhoudt dat hij in de rol van koerier niet wordt aangesproken voor het verlies van de cocaïne omdat hij geen namen noemt.
De beoordeling van het tweede middel
13. In onderhavige zaak is bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk ruim zes kilogram cocaïne heeft vervoerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat het om een (eenmalig) incident ging. De verdachte heeft daarnaast onder meer verklaard dat hij slechts koerier was. In de strafmotivering heeft het hof overwogen dat het, gelet op de hoeveelheid cocaïne die door de verdachte werd vervoerd, moet gaan om handel. Volgens het hof is het niet aannemelijk dat de verdachte slechts koerier was omdat de bij de verdachte aangetroffen goederen (twee versleutelde telefoons, grote contante geldbedragen en een drugspers) duiden op een aanzienlijk grotere rol.
14. Deze overwegingen van het hof vormen kennelijk een nadere uitwerking van de door het hof in aanmerking genomen en ter terechtzitting in hoger beroep besproken omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is begaan. Het staat de feitenrechter op zichzelf vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde delict is begaan, ook wanneer die omstandigheden bestaan uit gedragingen die in beginsel zouden kunnen worden aangemerkt als een zelfstandig, niet ten laste gelegd delict. [2]
15. Het oordeel dat het hier voor de straftoemeting relevante omstandigheden betreft, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarnaast merk ik op dat het hof inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig acht en waarom hij van oordeel is dat de rol van de verdachte groter was dan die van ‘slechts’ vervoerder. De bekritiseerde overwegingen uit de strafoplegging wekken, gelet op het voorgaande, geen verbazing. [3] , [4]

Slotsom

16. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro wordt overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf zal moeten leiden.
17. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie pagina 56 van het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen.
2.HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968,
3.Daarbij valt nog op te merken dat de opgelegde straf gelijk is aan de eis van het Openbaar Ministerie en lager is dan het oriëntatiepunt van 28 maanden gevangenisstraf dat doorgaans door rechters bij de straftoemeting in aanmerking wordt genomen.
4.Het verbazingscriterium is in de vorige eeuw ontwikkeld in de rechtspraak voor situaties waarin een door de feitenrechter opgelegde straf tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden verbazing oproept (HR 25 februari 1947,