Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Het roljournaal vermeldt dat op de rol van 30 november 2021 [eiseres] een mondelinge behandeling heeft gevraagd en dat geïntimeerde – d.w.z. [advocaat] van [advocatenkantoor] [6] − arrest heeft gevraagd en heeft gefourneerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt, samengevat, dat het hof door eindarrest te wijzen zonder voorafgaande mondelinge behandeling en zonder [eiseres] de mogelijkheid te bieden een nieuwe advocaat te stellen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft geformuleerd.
De
onderdelen 2 en 3zijn ingesteld onder de voorwaarde dat
onderdeel 1faalt (zie de procesinleiding nr. 1.18).
Onderdeel 2is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.13 dat de polisvoorwaarde waarop ARAG een beroep doet ter zake van het kostenmaximum tot een bedrag van € 6.000,- per gebeurtenis of per reeks van met elkaar samenhangende gebeurtenissen, de toets aan de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn oneerlijke bedingen) kan doorstaan.
Onderdeel 3klaagt over het oordeel van het hof in rov. 4.18 dat sprake is van zodanige samenhang tussen de WOR-procedure en de eerste ontbindingsprocedure dat deze procedures zijn te beschouwen als verschillende, met elkaar samenhangende gebeurtenissen in de zin van de polis waarvoor tezamen slechts eenmaal het kostenmaximum geldt.
onderdelen 1.A, 1.B en 1.Cklagen over de overweging in rov. 2 dat alle partijen arrest hebben gevraagd.
Volgens
onderdeel 1.Ais deze overweging onbegrijpelijk, omdat uit niets blijkt dat [eiseres] ook om arrest heeft gevraagd.
Voor zover het hof uit [eiseres] ’ instemming met het uitstel van het wijzen van arrest heeft afgeleid dat zij expliciet of impliciet afstand heeft gedaan van haar recht op een openbare en mondelinge behandeling, is dat oordeel rechtens onjuist en onvoldoende gemotiveerd, aldus
onderdeel 1.B.
Volgens
onderdeel 1.Cgeeft rov. 2 blijk van een onjuiste toepassing van art. 87 lid 8 Rv Pro en artikel 6 lid 1 EVRM Pro voor zover het hof heeft overwogen dat door alle partijen een
eindarrest is gevraagd. Het hof had een verzoek om een mondelinge behandeling niet ongemotiveerd mogen afwijzen (
nrs. 1.6 en 1.8-1.10). Dat de zaak op de rol stond voor (dagbepaling) arrest kan niet anders worden uitgelegd dan als een verwijzing van de zaak voor (dagbepaling) arrest ter zake van [eiseres] ’ verzoek om mondeling behandeling (
nr. 1.7).
Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Döry tegen Zwedenoverwogen dat artikel 6 EVRM Pro ‘’implies a right to an oral hearing at least before one instance’’. [14] In diezelfde zaak overwoog het EHRM dat de verplichting om op grond van art. 6 lid 1 EVRM Pro een openbare hoorzitting te houden, niet absoluut is. Zo kan van een hoorzitting worden afgezien als een partij ondubbelzinnig afstand doet van zijn of haar recht daarop en er geen vragen van openbaar belang zijn die een hoorzitting noodzakelijk maken. Er kan uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand worden gedaan van het recht op een mondelinge behandeling. Van stilzwijgende afstand kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een partij afziet van het indienen of handhaven van een verzoek om te worden gehoord. [15] In
Håkansson and Sturesson tegen Zwedenen
Schuler-Zgraggen tegen Zwitserlandoordeelde het EHRM dat verzoekers stilzwijgend afstand hadden gedaan van hun recht op een mondelinge behandeling door de nationale rechter niet om een mondelinge behandeling te vragen, terwijl dit wettelijk gezien wel tot de mogelijkheden behoorde. [16] De omvang van de motiveringsplicht varieert met de aard van het gevraagde oordeel en dient te worden bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval. [17]
onderdeel 1.C (nrs. 1.6 en 1.8-1.10) terecht.
Dit betoog stuit er naar mijn mening op af dat het hof geen enkele overweging heeft gewijd aan de vraag of uit de proceshouding van [eiseres] afstand van haar recht op, respectievelijk haar verzoek om een mondelinge behandeling kan volgen. Ik meen dat het hof hieraan een overweging had dienen te wijden, gezien het verzoek van [eiseres] om een mondelinge behandeling en het belang dat blijkens de rechtspraak aan een dergelijk verzoek toekomt.
onderdeel 1.A.Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet begrijpelijk op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat ook door [eiseres] arrest is gevraagd.
onderdeel 1.Bveronderstelt, uit het gezamenlijke verzoek tot uitstel van partijen heeft afgeleid dat [eiseres] afstand deed van haar recht op een mondelinge behandeling. Ik meen overigens dat deze veronderstelling onjuist is, zodat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In het licht van de weergave van het procesverloop in het arrest en het roljournaal is er geen aanleiding voor de gedachte dat het hof een oordeel heeft gegeven over afstand van recht.
onderdeel 1.Cin
nr. 1.7faalt naar mijn mening bij gebrek aan feitelijke grondslag. In het licht van de weergave van het procesverloop in het arrest en het roljournaal is er geen aanleiding voor de gedachte dat het hof slechts de mogelijkheid van het wijzen van een tussenarrest met het oog op een mondelinge behandeling voor ogen stond.
onderdelen 1.D en 1.Eklagen dat [eiseres] geen extra mogelijkheid is geboden om een nieuwe advocaat te stellen nadat haar advocaat zich op de rol van 6 december 2022 had onttrokken en [eiseres] op de rol van 20 december 2022 geen nieuwe advocaat had gesteld.
Volgens
onderdeel 1.D(in
nr. 1.11) heeft het hof door eindarrest te wijzen zonder dat [eiseres] daarop bedacht hoefde te zijn, in ontoelaatbare mate afbreuk gedaan aan haar recht om zich erover uit te laten of zij nog mondelinge behandeling wenste. Ook had [eiseres] na voortzetting van de zaak op 31 januari 2023 in de gelegenheid moeten worden gesteld om alsnog een nieuwe advocaat te stellen, aldus het onderdeel (in
nr. 1.12). In
nr. 1.13bevat het onderdeel een motiveringsklacht.
Onderdeel 1.Eklaagt (in
nrs. 1.14-1.16) dat voor zover aan rov. 2 de gedachte ten grondslag ligt dat het verzoek om mondelinge behandeling vervallen of ingetrokken kon worden beschouwd nadat [eiseres] op de rol van 20 december 2022 geen nieuwe advocaat had gesteld, dit blijk geeft van een onjuiste toepassing van art. 4.2 en 8.3 het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij gerechtshoven, twaalfde versie, april 2021 (hierna: Lpr) en onvoldoende gemotiveerd is. [18]
Ik bespreek deze klachten met twee gedachten in het hoofd. De eerste is natuurlijk of de klachten van de
onderdelen 1.D en 1.Eal dan niet slagen.
De tweede gedachte betreft de vraag of er wel belang bestaat bij slagen van de klachten van de
onderdelen 1.A en 1.C. Daarvoor lijkt mij relevant of het hof [eiseres] een tweede kans had
kunnengeven om een advocaat te stellen. Indien [eiseres] sowieso geen recht had op een tweede kans om een advocaat te stellen en zonder procesvertegenwoordiging geen mondelinge behandeling bij het hof zou plaatsvinden, [19] zouden de
onderdelen 1.A en 1.C, hoewel zij slagen, mogelijk bij gebrek aan belang niet tot cassatie kunnen leiden.
Volgens [eiseres] moet – bij wege van hypothetische feitelijke grondslag in cassatie − worden aangenomen dat partijen een schikking hebben bereikt en dat [eiseres] om die reden op de rol van 20 december 2022 geen nieuwe advocaat heeft gesteld. De zaak werd op 20 december 2022 geroyeerd omwille van de met ARAG bereikte schikking. ARAG heeft desondanks de zaak hervat op de rol van 31 januari 2023. [25] Volgens ARAG is er geen schikking tot stand gekomen. De zaak leek volgens ARAG geschikt en was daarom aanvankelijk geroyeerd per 20 december 2022, maar is daarna weer op de rol gekomen. [26] Ik maak hieruit op dat partijen het er in ieder geval over eens zijn dat op de rol van 20 december 2022 de zaak is geroyeerd, dat dit in de beleving partijen geschiedde omdat zij op dat moment meenden een schikking te hebben bereikt, en dat de zaak nadien (op 31 januari 2023) door ARAG weer op de rol is gebracht.
onderdelen 1.D en 1.E.
nr. 1.12) dat het in dit geval op de weg van (de griffier van) het hof lag om (naar ik begrijp) [eiseres] erop te wijzen dat de zaak zou worden opgepakt in de stand waarin deze zich op 20 december 2022 bevond en dat zij in de gelegenheid moest worden gesteld om alsnog een nieuwe advocaat te stellen. Het onderdeel doet een beroep op HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387. [29]
Onderdeel 1.Ebetoogt (in
nr. 1.16) dat ARAG heeft verzuimd om [eiseres] conform artikel 8.3 Lpr te verwittigen van de hervatting van het geding. De communicatie tussen ARAG en hof en eventueel (de voormalige advocaat van) [eiseres] ontbreekt. Onder deze omstandigheden zie ik onvoldoende reden om aan te nemen dat het op de weg van (de griffier van) het hof lag om [eiseres] er in dit geval op te wijzen dat de zaak zou worden hervat. Los daarvan, biedt HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387 geen aanknopingspunten voor de gedachte dat (de griffie van) het hof een informatieplicht zou hebben ten aanzien van de procespositie van [eiseres] naar de stand van zaken in de procedure per 20 december 2022. De klacht van
onderdeel 1.D in nr. 1.12faalt daarom naar mijn mening.
onderdeel 1.D in nr. 1.11. Daarin wordt betoogd dat het hof, door eindarrest te wijzen zonder dat [eiseres] daarop bedacht hoefde te zijn, een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op het recht van [eiseres] om zich uit te laten of zijn nog een mondelinge behandeling wenste. Zoals gezegd, kan in cassatie niet tot uitgangspunt dienen dat [eiseres] er niet op bedacht behoefde te zijn dat het hof eindarrest zou wijzen.
In het verlengde daarvan faalt ook de motiveringsklacht van
onderdeel 1.D in nr. 1.13, die voortbouwt op de voorgaande klachten van het onderdeel.
onderdeel 1.E in de nrs. 1.14-1.16berust op de veronderstelling dat aan de overweging van het hof in rov. 2 dat ten slotte alle partijen om arrest hebben gevraagd, de gedachte ten grondslag ligt dat zich voor [eiseres] op de rol van 20 december 2022 geen nieuwe advocaat heeft gesteld en daarom het verzoek om mondelinge behandeling van 30 november 2021 als vervallen of ingetrokken kon worden beschouwd.
onderdelen 1.D en 1.Efalen. ARAG voert echter naar mijn mening ten onrechte aan dat artikel 6.4 Lpr meebrengt dat [eiseres] na 20 december 2022 geen advocaat meer kon stellen. Daarom kan niet worden gezegd dat belang ontbreekt bij het slagen van de klachten van de
onderdelen 1.A en 1.C(zie hiervoor in 2.8).
er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de gevolgtrekking kunnen dragen dat ARAG in het onderhavige geval een beroep doet op een oneerlijk of anderszins (ver)nietig(baar) beding”. Dit had voor het hof aanleiding moeten zijn om [eiseres] (alsnog) in de gelegenheid te stellen een nieuwe advocaat te stellen; dan had zij die omstandigheden kunnen stellen dan wel haar stellingen kunnen toelichten, aldus de klacht.
Onderdeel 1.Ffaalt.
onderdelen 1.A en 1.Cslaagt ook de voortbouwklacht van
onderdeel 1.G.
onderdeel 1(gedeeltelijk) slaagt, behoeven de voorwaardelijk ingestelde
onderdelen 2 en 3geen bespreking.