Conclusie
1.NJSC Naftogaz of Ukraine,
Russische Federatierespectievelijk
Naftogaz c.s.
1.Inleiding en samenvatting
Belbek c.s.), zaak 22/03897 (
Privatbank) en zaak 22/03901 (
Everest c.s.). In de eerste twee zaken,
Belbek c.s.en
Privatbank, heeft het scheidsgerecht dezelfde samenstelling. Dat scheidsgerecht heeft een tussenvonnis over zijn bevoegdheid en een gedeeltelijk eindvonnis over de gegrondheid van de vorderingen gewezen. Het oordeel over welke specifieke investeringen zijn beschermd en wat de hoogte is van de schadevergoeding voor hun onteigening, is aangehouden tot de kwantumfase van de arbitrage en loopt op dit moment nog. In de derde zaak,
Everest c.s., is een arbitraal eindvonnis gewezen en de vernietigingsprocedure is daartegen gericht. In de laatste zaak, de onderhavige zaak
Naftogaz c.s.,heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijk eindvonnis (
Partial Award) gewezen; één arbiter heeft een
dissenting opiniongegeven. In april 2023, hangende de cassatieprocedure, heeft het scheidsgerecht eindvonnis gewezen, opnieuw bij meerderheid.
Belbek c.s.en in de zaak
Privatbankhet principaal cassatieberoep van de Russische Federatie moet worden verworpen. Het hof heeft op juiste gronden geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard. Alleen in de zaak
Everest c.s.concludeer ik tot vernietiging. Dat heeft te maken met de beoordeling van door de Russische Federatie aangevoerde grieven over de wijze waarop
Everest c.s.enkele vastgoedobjecten indertijd hebben verkregen. Ik acht in die zaak enkele oordelen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken.
Belbek c.s.onvoorwaardelijk en in de zaken
Privatbanken
Everest c.s.voorwaardelijk. Ik behandel in alle vier de zaken het incidenteel cassatieberoep en concludeer steeds tot verwerping ervan.
territory’in een situatie waarin tussen de twee verdragsstaten feitelijk de landsgrens is verlegd waardoor een investering in de rechtssfeer van de andere verdragsstaat is gekomen. In het verlengde daarvan is betwist of het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven omtrent het soevereiniteitsconflict over de Krim. Ten tweede is dat de vraag hoe moet worden bepaald of onteigende vermogensbestanddelen door de Oekraïense investeerders legaal waren verkregen. In het verlengde van die laatste vraag is alleen in de zaak
Everest c.s. concreet aan de orde of specifieke vastgoedobjecten rechtmatig waren verkregen. Al deze vragen zijn relevant voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Dáárover diende het hof te oordelen, ook al hangt de beantwoording van die vragen mede af van de uitleg van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie en dus van vreemd recht.
2.Feiten en procesverloop
BIT 1998). [2] De voor deze procedure relevante bepalingen uit dat verdrag luiden in de Engelse vertaling als volgt: [3]
Supreme Councilvan de Krim vóór aansluiting bij de Russische Federatie. Het agendeerde een referendum daarover op 16 maart 2014. Volgens de organisatoren van het referendum stemde 96% van de deelnemers daaraan vóór aansluiting. Op 17 maart 2014 verklaarden de
Supreme Councilen de gemeenteraad van Sebastopol zich onafhankelijk van Oekraïne. De volgende dag werd een verdrag ondertekend met de titel ‘
Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’. Ondertekenaars waren, de Russische Federatie, de Republiek de Krim en de stadsstaat Sebastopol. Het Grondwettelijk Hof van de Russische Federatie erkende op 19 maart 2014 dat het verdrag in overeenstemming is met de Russische grondwet. Op 21 maart 2014 werd het verdrag door het Russische parlement geratificeerd met het aannemen van de
Crimean Incorporation Law. In die wet werd (onder meer) de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen onroerend goed erkend per 18 maart 2014. [4]
State Council of the Republic of Crimea, de Staatsraad van de toen net opgerichte Republiek de Krim, besluit No. 1758-6/14 om vergunningen, gebruiksrechten, exploitatierechten en overige eigendommen van Chornomornaftogaz en Ukrtransgaz te nationaliseren. Op 11 april 2014 onteigende de Staatsraad van de Krim een aantal investeringen van Naftogaz, waaronder drie vergunningen voor offshore exploratie en het recht om het gaspijpleidingsysteem van de Krim te gebruiken. Op 30 april 2014 onteigende diezelfde Staatsraad het overige bezit van Naftogaz op de Krim.
UNCITRAL) van toepassing. Drie arbiters werden benoemd, zonder bemoeienis van de Russische Federatie. Het Permanent Hof van Arbitrage (hierna:
PHA)administreert de arbitrageprocedure. Den Haag is aangewezen als plaats van arbitrage.
non-disputing party submissioningediend. Daarin is haar standpunt over de toepasselijkheid van de BIT 1998 uiteengezet.
bifurcation) [6] met als doel om kwesties betreffende bevoegdheid (
jurisdiction) en aansprakelijkheid (
liability) in een preliminaire procedure te behandelen. Op 22 februari 2019 heeft de meerderheid van het scheidsgerecht een gedeeltelijke einduitspraak gedaan (
Partial Award). Het dictum van deze meerderheidsuitspraak luidt als volgt:
PART 20 - DISPOSITIF
Dissenting Opinion) te kennen gegeven.
Procedural Order no. 8van 6 oktober 2019. [7] Deze beslissing van het scheidsgerecht luidt als volgt:
4. The Tribunal’s Decision
issues not already dealt with in the Partial Award”. The respondent has outlined in Part III of its submissions dated 6 September 2019 the issues it wishes to argue. All of those issues have already been canvassed by the Tribunal and dealt with in both the majority and dissenting opinions. In particular, Item 5 in Part III asserts that “[t]he majority of investments were made before 1992”. In this case, however, the Tribunal bifurcated all issues dealing with the quantification of the claim. The Tribunal specifically noted in paragraph 175 of the Partial Award that “[t]he Treaty itself is not without temporal limitations. Article 12 restricts protection to investments made ‘on or after January 1, 1992’.” Accordingly subject matter jurisdiction was affirmed only in respect of investments made after that date. The quantification phase will only deal with investments made after that date.
hof) het arbitrale deelvonnis (
Partial Award) vernietigt op de grond (i) dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, (ii) dat het scheidsgerecht zijn opdracht heeft geschonden, én (iii) dat de vonnissen in strijd zijn met de openbare orde. Het zwaartepunt ligt bij het betoog dat het scheidsgerecht onbevoegd is wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Naftogaz c.s. hebben verweer gevoerd.
het arrest) heeft het hof de vorderingen van de Russische Federatie gedeeltelijk toegewezen en daartoe samengevat het volgende geoordeeld:
territorymoet volgens het scheidsgerecht niet worden uitgelegd als
sovereign territory. De Russische Federatie had
effective controlen de facto
authorityover de Krim. Als de verdragspartijen met
territorybedoelden
sovereign territorydan hadden ze dat wel zo bepaald. (rov. 5.4.5)
de factocontrole heeft over de Krim. De Krim valt onder
territoryvan de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998, omdat (i) de tekst van dit artikel niet spreekt van
sovereign territory; (ii) er geen regel is dat met
territoryaltijd wordt bedoeld
sovereign territory; en (iii) een uitleg conform art. 31 WVV Pro tot deze conclusie leidt. (rov. 5.5.6-5.5.7)
travaux préparatoiresen de statenpraktijk. (rov. 5.7.5.1-5.7.5.7)
investmentsals bedoeld in art. 1 lid 1 BIT Pro 1998, ook al zijn die investeringen aanvankelijk in Oekraïne gedaan. Uit de letterlijke bewoordingen van de bepaling volgt niet dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen. Een uitleg conform art. 31 WVV Pro leidt tot de slotsom dat het voldoende is dat de - na 1 januari 1992 gedane - investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden. (rov. 5.8.8)
investorszijn als bedoeld in de BIT 1998 gaat niet op en kan dus ook niet leiden tot (algehele) onbevoegdheid van het scheidsgerecht. (rov. 5.9.6)
Final Award) gewezen, waarbij in totaal meer dan USD 4 miljard aan Naftogaz c.s. is toegewezen als schadevergoeding. [10] Ook dit was een meerderheidsbeslissing. [11] De onderhavige cassatieprocedure ziet alleen op het arrest van het hof waarin is beslist op de vorderingen tegen het arbitraal deelvonnis (
Partial Award).
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1behelst klachten over de door het hof gegeven uitleg van het begrip
territory.
Onderdeel 2betreft het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
Onderdeel 3bevat klachten over de overweging van het hof waarin het zich onthoudt van een oordeel over de kwestie welke investeringen voor bescherming in aanmerking komen.
Onderdeel 4heeft als doelwit de beslissing van het hof om alleen het bevoegdheidsoordeel deels te vernietigen, maar niet de verklaring voor recht dat de Russische Federatie met betrekking tot alle voorgelegde investeringen de BIT 1998 heeft geschonden.
Onderdeel 5heeft een voortbouwend karakter.
Bilateral Investment Treaty,hierna:
BIT) is een volkenrechtelijke overeenkomst tussen twee staten die inhoudt dat – over en weer – bescherming wordt geboden aan investeerders uit de ene staat (‘thuisstaat’) die investeren in de andere staat (‘gaststaat’). Deze verdragen zijn gesloten ter bevordering van grensoverschrijdende investeringen.
investment) als aan het begrip investeerder (
investor).
territory). Waar het normaal gesproken een investeerder is die zich verplaatst naar het andere land om op het grondgebied daarvan een investering te doen, is het hier de grens tussen de beide staten die is verplaatst waardoor investeringen die op het grondgebied van de eigen staat zijn gedaan, zich zijn gaan bevinden op het grondgebied van de andere staat en daarmee investeringen in die staat zijn geworden.
in accordance with its legislation’. Dit vereiste wordt aangeduid als het ‘legaliteitsvereiste’. Als een investering op het grondgebied van de ene staat is gedaan maar zich vervolgens is komen te bevinden op het grondgebied van de andere staat, ziet de term ‘
its legislation’ dan op de wetgeving van de oorspronkelijke staat? Die vraag lijkt hier door beide partijen bevestigend te worden beantwoord. Toetsdatum is het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de Russische rechtssfeer, hier vastgesteld op 21 maart 2014. Als is aangetoond dat bepaalde investeringen niet voldoen aan het legaliteitsvereiste is het scheidsgerecht ten aanzien van die investeringen niet bevoegd. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of het scheidsgerecht bevoegd is, afhangt van de uitleg van de BIT.
investor, investmentsen
territorymoeten worden uitgelegd aan de hand van de internationaalrechtelijke uitlegregels van het WVV. Art. 31 WVV Pro noemt in dat verband de volgende elementen: tekst, context en ‘
object and purpose’, die tezamen ‘
in good faith’ moeten worden toegepast.
rov. 5.5.20 en 5.5.21. Deze overwegingen luiden als volgt (onderstreping hier en hierna in deze conclusie toegevoegd):
Gezien het voorgaandeis er op basis van een uitleg te goeder trouw van artikel 1 lid 4 van Pro de BIT 1998 overeenkomstig de gewone betekenis, in zijn context en in het licht van doel en voorwerp van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als gedefinieerd in dit artikel.
Het hof tekent daarbij nog aan dat hetbij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 31 WVV Pro, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking,
niet erop aankomt datde verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien.
Het komt erop aanna te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan. De bedoeling van partijen was om investeringen van de onderdanen van een verdragspartij te beschermen tegen onder meer onteigeningen door de andere verdragspartij. Daarbij past dat tot het grondgebied van een verdragsstaat wordt gerekend, elk gebied waarover een verdragspartij rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, die haar de mogelijkheid geven om investeringen van onderdanen van de andere verdragspartij te onteigenen.
territoryen dat dit dus geen grond voor vernietiging van het arbitrale (tussen)vonnis oplevert. […].”
territorymoet worden uitgelegd in die zin dat het ziet op grondgebied waar een partij feitelijk de mogelijkheid heeft over te gaan tot onteigening.
territoryvan de Russische Federatie als gedefinieerd in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998. De eerste zin van art. 5.5.20 geeft al aan dat díe conclusie is gebaseerd op ‘het voorgaande’. Daarmee doelt het hof op rov. 5.5.6-5.5.19 waarin uitgebreid het oordeel is onderbouwd dat de Krim valt onder de
territoryvan de Russische Federatie (na in rov. 5.5.6 overwogen te hebben dat partijen het er over eens zijn dat de Russische Federatie
de factocontrole heeft over de Krim). Al deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Slechts ten overvloede heeft het hof vanaf de tweede zin van rov. 5.5.20 het oordeel gegeven dat met het middel wordt aangevallen. Een aanwijzing daartoe geven de woorden: “
Het hof tekent daarbij nog aan dat”. Gelet hierop ontbreekt belang bij het slagen van de klacht tegen rov. 5.5.20.
territoryis immers ook gebaseerd op ‘het voorgaande’, en dus op hetgeen is overwogen in rov. 5.5.6-5.5.19.
rov. 5.5.10. [13] Deze overweging luidt:
territoryin het internationale verdragenrecht altijd de betekenis heeft van
sovereign territory, ongeacht doel of strekking van het verdrag. Noch uit de juridische literatuur waarnaar de Russische Federatie verwijst, noch uit internationaalrechtelijke rechtspraak valt zo'n categorische conclusie te trekken. Uit het feit dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van een staat, volgt immers niet de conclusie dat verdragen niet
ookwerking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zoals in het onderhavige geval.”
territory(in beginsel) verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Anderzijds sluit dit volgens het hof niet uit dat verdragen ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zodat het begrip
territorytevens verwijst naar de Krim. Deze benadering is praktisch onhanteerbaar omdat zij leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’.
territoryniet altijd de betekenis heeft van
sovereign territory. Dit licht het hof toe door te overwegen dat een verdrag over het algemeen gelding heeft op het gehele soevereine grondgebied van een staat, maar
daarnaast(‘
ook’) gelding kan hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Anders dan het middel betoogt, is deze benadering wel degelijk praktisch hanteerbaar (en zeker niet onbegrijpelijk). Omdat de Russische Federatie langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent op de Krim, kan immers alleen de Russische Federatie verplichtingen uit hoofde van de BIT 1998 hebben op de Krim, zoals in geval van onteigening door middel van overheidsbevoegdheden die sinds maart 2014 alleen de Russische Federatie op de Krim kan uitoefenen (zie rov. 5.5.18).
territoryin artikel 1 lid 4 BIT Pro 1998. Volgens de Russische Federatie moet dit begrip worden uitgelegd als
sovereign territory, terwijl één van de (noodzakelijke) elementen van het begrip
sovereign territoryis, dat de soevereiniteit van een staat over een bepaald grondgebied internationaal wordt erkend. Als deze uitleg juist is, zou de meerderheid van het scheidsgerecht met haar oordeel dat de Krim kan worden gezien als
territoryvan de Russische Federatie in de zin van artikel 1 lid 4 van Pro de BIT 1998, inderdaad (impliciet) een oordeel hebben gegeven over de soevereiniteitskwestie. De meerderheid van het scheidsgerecht heeft in de arbitrale tussenuitspraak echter geoordeeld, dat het begrip
territorynu juist niet moet worden uitgelegd als
sovereign territoryin deze zin. De meerderheid van het scheidsgerecht oordeelde dat de Russische Federatie
effective control and de facto authorityhad en dat als de contractspartijen met
territorybedoelden
sovereign territory, zij dat wel gezegd zouden hebben. Het scheidsgerecht hoefde, gegeven deze uitleg, geen oordeel te geven over het soevereiniteitsgeschil tussen de Russische Federatie en Oekraïne en heeft dat ook niet gedaan. Het heeft zich enkel gebaseerd op de feitelijke stand van zaken op de Krim. Of deze uitleg van het begrip
territoryjuist is, komt hierna aan de orde. Waar het hier om gaat is dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de soevereine status van de Krim.”
territory. Een dergelijk exclusief 'feitelijke invulling' staat haaks op de alternatieve 'soevereine invulling' die het hof uitdrukkelijk - zelfs als algemene basis van het begrip
territory, buiten en binnen de BIT - in zijn eigen overwegingen heeft erkend.
nietheeft gedaan. Anders dan de Russische Federatie betoogt, hoefde het hof in deze context niet zelf de voorvraag te beantwoorden die in dit onderdeel wordt geformuleerd.
unity of investmentdat tot gevolg zou hebben dat de gehele investering van Naftogaz c.s. in het gas- en olieconcern vóór 1 januari 1992 is gedaan. Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunten stukken uit de
quantum phasevan de arbitrage in het geding gebracht.
subonderdeel 3.1klaagt de Russische Federatie dat het hof de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht ten onrechte heeft overgelaten aan het scheidsgerecht. Met het oordeel dat het scheidsgerecht alleen bevoegd is voor zover sprake is van investeringen die daadwerkelijk ná 1 januari 1992 zijn gedaan, beslist het hof niet over de bevoegdheid van het scheidsgerecht omdat het hof niet oordeelt
welkeinvesteringen aan de vereisten van art. 12 BIT Pro 1998 voldoen. Het hof beoordeelt in dat kader niet de
unity of investment-en rechtsopvolgingsargumenten die de Russische Federatie hebben gevoerd. Daarmee miskent het hof dat de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht de exclusieve verantwoordelijkheid van de overheidsrechter is. Die beoordeling kan niet aan het scheidsgerecht worden overgelaten, althans daarvoor kan (de facto) niet worden terugverwezen naar het scheidsgerecht.
subonderdeel 3.2stelt de Russische Federatie dat het oordeel van het hof neerkomt op een onjuiste of verboden delegatie aan het scheidsgerecht, dan wel rechtsweigering door het hof. Een oordeel over de geldigheid van de arbitrageovereenkomst kan niet naar het scheidsgerecht worden terugverwezen.
welkeinvesteringen voor bescherming in aanmerking komen, heeft het hof miskend dat het scheidsgerecht een gewezen deelvonnis niet zelf kan aantasten (afgezien van de regelingen voor aanvulling en verbetering).
bifurcation) in verschillende fases is een procedurele maatregel, [16] in dit geval genomen om een discussie over de vertrouwelijkheid van bepaalde documenten uit te stellen tot de kwantumfase. [17] De UNCITRAL-regels geven de mogelijkheid tot splitsing indien een onbevoegdheidsverweer wordt gevoerd (art. 23 lid Pro 3).
definitievebevoegdheidsoordeel aan het scheidsgerecht. De partij die het niet eens is met het (ten tijde van het uitspreken van het arrest van het hof nog te geven) bevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht [18] , kan namelijk een vernietigingsprocedure starten. Indien de data van de investeringen van Naftogaz c.s. in díe te entameren procedure aan de orde worden gesteld, zal het hof zich daarover in beginsel wél moeten uitspreken.
onderdeel 4zijn gericht op
rov. 5.7.6en het daaraan ontleende
dictum. Deze overweging en beslissing luiden als volgt:
Gevolgen voor het arbitrale vonnis
(a) that the Tribunal has jurisdiction over the claims;”.
The Tribunal specifically noted in paragraph 175 of the Partial Award that “[t]he Treaty itself is not without temporal limitations. Article 12 restricts protection to investments made ‘on or after January 1, 1992 ’. ”Accordingly, subject matter jurisdiction was affirmed only in respect, of investments made after that date. The quantification phase will only deal with investments made after that date.” (onderstreping hof).
Procedural Orderconsequenties verbindt voor zijn uitspraak in de
Partial Awarddat hij bevoegd is over de (dus in beginsel alle) claims te oordelen.
Procedural Order no. 8niet duidelijk zijn, zal de
Partial Awardvoor alle zekerheid worden vernietigd, maar dan alleen voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen, aangezien het alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan.
6.Beslissing
Partial Awardvan 22 februari 2019 voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen, aangezien het alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan;
subonderdeel 4.1stelt de Russische Federatie dat uit het zojuist geciteerde kan worden afgeleid dat het hof slechts heeft vernietigd de beslissing dat het scheidsgerecht bevoegd is met betrekking tot alle investeringen. Daarmee laat het hof in stand de door het scheidsgerecht gegeven verklaring voor recht dat de Russische Federatie met betrekking tot alle voorgelegde investeringen de artikelen 2, 3 en 5 van de BIT 1998 heeft geschonden. Dat laatste acht de Russische Federatie onbegrijpelijk. Er bestaat immers een onverbrekelijk verband tussen de bevoegdheidsbeslissing en de verklaring voor recht, zodat het hof niet kon volstaan met een partiële vernietiging van de bevoegdheidsbeslissing.
subonderdeel 4.2luidt: indien en voor zover de beslissing van het hof zo moet worden uitgelegd dat pas in de
quantum phaseduidelijk zou worden of sprake is van een schending van de BIT 1998, de onwenselijke situatie ontstaat dat onduidelijk blijft of en in hoeverre de arbiters gebonden zijn aan de verklaring voor recht. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de arbiters in de
quantum phasealsnog zouden mogen beslissen over hun bevoegdheid met betrekking tot bepaalde investeringen (en de arbiters in zoverre niet zijn gebonden aan de verklaring voor recht), is dat oordeel rechtens onjuist.
Partial Award:
PART 20 - DISPOSITIF
quantum phaseduidelijk kan of moet worden of de vermelde bepalingen van de BIT 1998 zijn geschonden. Wat nog duidelijk moet worden is welke investeringen zijn gedaan op of na 1 januari 1992. Dat betreft de vraag naar de
application of the agreementvan art. 12 BIT Pro 1998. In het licht hiervan zijn de aangevallen overweging en dictum niet als rechtens onjuist of als onbegrijpelijk te bestempelen.
onderdeel 5behelst louter dat het voorgaande ook
rov. 5.12.1 en 5.15.1 en het dictumvitieert.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
eerste onderdeelklagen Naftogaz c.s. dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de Russische Federatie niet in de arbitrageprocedure is verschenen. Het
tweede onderdeelbetoogt in de kern dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het subsidiaire rechtsverwerkingsverweer van Naftogaz c.s.
rov. 5.3.7 en 5.3.8van het arrest, waarin wordt ingegaan op de juridische betekenis van de onder 2.9 geciteerde brief van de Russische Federatie.
derde onderdeel, dat alleen in deze zaak is aangevoerd, komen Naftogaz c.s. op tegen het oordeel van het hof in rov. 5.7.5.5 - 5.7.5.7 dat art. 12 BIT Pro 1998 zó moet worden uitgelegd dat alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan onder de werking van de BIT 1998 vallen.
rov. 5.3.7 en 5.3.8. Deze overwegingen luiden:
Partijen gaan er terecht beide vanuit dat in een arbitrale procedure geen formele eisen gelden voor het verschijnen in de procedure. Op zich is het dus mogelijk dat een dergelijke brief, ook als er verder geen participatie is, als een verschijnen moeten worden aangemerkt. Dat kan het geval zijn als de desbetreffende brief het karakter heeft van een (beknopt) verweerschrift. Het gaat hier om uitleg van de brief aan de hand van objectieve maatstaven. Niet doorslaggevend is dat de brief aan het PHA is gestuurd, en niet aan het scheidsgerecht. Naftogaz c.s. hebben terecht naar voren gebracht dat de Russische Federatie ervan moest uitgaan dat haar brief zou worden doorgestuurd aan het scheidsgerecht en aan de raadslieden van Naftogaz c.s. Doorslaggevend is dat de hoofdboodschap van de brief van 19 januari 2017 is dat de Russische Federatie de
notice of initiation (...) of the international arbitration proceedingsterugzendt (inclusief de toegezonden 54 bladzijden),
met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met een korte toelichting, bestaande uit vier volzinnen, waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht.
De brief heeft daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. Dat het scheidsgerecht het in de brief genoemde bevoegdheidsverweer wel heeft behandeld, maakt dit niet anders. Het scheidsgerecht was immers gehouden ook eigener beweging te toetsen of het bevoegd was en heeft dat ook - los van de desbetreffende brief - gedaan. In alinea 137 van de
Partial Awardvan 22 februari 2019 overwoog het scheidsgerecht immers: “
In addition to consideration of the broad objection of Russia, the Tribunal must satisfy itself on the basis of the provisions of the Treaty and general principles of international law, that all of the other conditions under the BIT respecting jurisdiction are fulfilled.''
De Russische Federatie heeft verder terecht naar voren gebracht dat zowel het scheidsgerecht (in de alinea’s 14, 135 en 196) als Naftogaz c.s. er tijdens de arbitrale procedure blijk van hebben gegeven dat zij de Russische Federatie beschouwden als “niet verschenen”.
Een partij die in het arbitraal geding is verschenen, dient een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren te doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen, (…).”
is verschenen. De tekst van de wet biedt geen handvat voor de lezing dat het voorschrift van art. 1052 lid 2 Rv Pro tevens geldt voor de partij die niet is verschenen maar wel deugdelijk is opgeroepen. [21]
Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende – een verweer ten principale voert zonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. Voert zij verweer (waaronder begrepen: referte) zonder beroep op onbevoegdheid te doen, dan heeft zij het recht verwerkt daar in een later stadium op terug te komen.
Voert een partij geen verweer ten principale, dan kan zij in een later stadium nog wel op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht een beroep doen.”
in algemene zinruim opgevat te worden. [23] Daarvan is vrij snel sprake, ook gezien de woorden ‘op enigerlei wijze deelneemt’. Van ‘verschenen’
in de context van art. 1052 lid 2 Rv Prois minder snel sprake. Dat wordt nader uitgelegd in het weergegeven citaat (na het woordje ‘echter’).
Kompetenz-Kompetenz). Hoewel deze bepaling anders kan doen vermoeden, zal het scheidsgerecht niet in alle gevallen ambtshalve mogen beslissen of het al dan niet tot kennisneming van het geschil bevoegd is. Alleen indien de verweerder in het arbitraal geding
nietis verschenen, zal aanleiding bestaan om naar de bevoegdheid ambtshalve onderzoek te doen. [27]
[…] /Ruwaover het samenstel van de hiervoor aangehaalde bepalingen van art. 1052 lid 1 en Pro 2 en art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv het volgende overwogen: [31]
een verweer ten principale voertzonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. […].”
verweer ten principalekan dus sprake zijn van een verval van recht in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro en daarmee van het prijs geven van de mogelijkheid van vernietiging op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv. Een verweer ten principale is een materieelrechtelijk verweer tegen de vordering van de eiser. [33] Het is, anders gezegd, een verweer betreffende de door eiser gestelde rechtsverhouding. Een beroep op onbevoegdheid vormt niet een verweer ten principale maar een
exceptie [34] , oftewel een verweer ten aanzien van de toepassing van procesrechtelijke regels. [35] Een dergelijk processueel verweer ziet niet op de rechtsbetrekking tussen partijen en beoogt een debat - althans een beslissing - daarover in beginsel juist te voorkomen. [36]
(enig) verweervoert. De klacht kan daarom niet slagen.
notice of initiation (...) of the international arbitration proceedingsterugzendt (inclusief de toegezonden 54 bladzijden), met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met een korte toelichting, bestaande uit vier volzinnen, waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een beknopt verweerschrift. Dat het scheidsgerecht
het in de brief genoemde bevoegdheidsverweerwel heeft behandeld, maakt dat niet anders. […].”
voor zoverhet hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de vaststelling dat de Russische Federatie te kennen heeft gegeven dat haar brief van 19 januari 2017 niet als een deelname aan de arbitrale procedure moest worden opgevat, dat oordeel niet in stand kan blijven.
bevoegdheidsverweeris gevoerd, impliceert dat zij ook is verschenen in het arbitraal geding en dat het hof deze interpretatie van het scheidsgerecht had moeten meenemen in zijn beoordeling of de Russische Federatie in dat geding is verschenen.
subonderdeel 1.5stellen Naftogaz c.s. dat hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht er tijdens de arbitrage blijk van heeft gegeven de Russische Federatie als niet verschenen te beschouwen. Het hof wijst op een hoofdstuk van het arbitraal tussenvonnis, waaruit volgt dat de Russische Federatie niet heeft geparticipeerd in de arbitrage. Deze overweging is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van het feit dat het scheidsgerecht in de brief van de Russische Federatie een bevoegdheidsverweer heeft gelezen. Daaruit volgt immers logischerwijs dat het scheidsgerecht de Russische Federatie wel degelijk als verschenen moet hebben beschouwd, omdat een niet verschenen partij geen bevoegdheidsverweren kan aanvoeren.
rov. 5.7.5.5 - 5.7.5.7onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de stellingen van Naftogaz c.s., althans getuigt van een onjuiste toepassing van art. 31 WVV Pro. Deze en omliggende overwegingen luiden als volgt:
Die reden is dat er strikt genomen vóór 1 januari 1992 (althans vóór de iets eerder liggende datum van de ontbinding van de Sovjet-Unie) geen sprake kon zijn van investeringen door investeerders uit Rusland in Oekraïne of omgekeerd, omdat beide landen toen nog onderdeel vormden van de Sovjet-Unie(Russische Federatie cvr nr. 417 e.v., Naftogaz c.s. cvd nr. 177). Daaruit kan worden afgeleid dat men investeringen vóór die datum niet onder de bescherming van de BIT 1998 wilde laten vallen.
De reden voor het opnemen van een backstop in artikel 12, uitsluiting van investeringen in de USSR, is dus een andere dan het voorwerp en doel van artikel 1 lid 1 BIT Pro 1998, dat is gericht op stimulering en bescherming van investeringen.
territory” van de andere staat), maakt het opnemen van de backstop in artikel 12 zinloos Pro (geen
effet utile), want op deze wijze kunnen uiteindelijk alle “oude” investeringen onder het beschermingsbereik komen te vallen.
travaux préparatoires, zoals weergegeven door de Russische Federatie en als zodanig niet weersproken door Naftogaz c.s., en wordt bevestigd door de
non-disputing party submissionvan Oekraïne. In de door de Russische Federatie genoemde brief van 11 juli 2008 over de BIT met Azerbeidzjan staat onder meer:
Russia presumes it is more reasonable to apply the treaty only to those investments of investors of both countries which had been carried out on the territory of Russia and Azerbeidzjan since these countries gained their sovereignty after the dissolution of the USSR, i.e. since their emergence on the international stage as new subjects of international law. To this end, we have suggested a specific date – 1 January 1992 (…).”
non-disputing party submissionin de arbitrageprocedure die het voorwerp vormt van deze vernietigings- en herroepingsprocedure. Oekraïne verklaart daar (RF 10 (N), par. 36):
Like most bilateral investment treaties of its era, the Treaty was written to protect pre-existing investments (covering the period from 1992, shortly after the dissolution of the USSR, to 1998, when the Treaty was concluded. (...) Under the Treaty, so long as the investment was made after 1 January 1992, it is irrelevant whether the Treaty applied at the time.”
gedaanonder de werking van de BIT 1998 vallen. De door Naftogaz c.s. voorgestane uitleg, waardoor investeringen ongeacht wanneer zij zijn gedaan worden beschermd zodra zij aan alle vereisten voldoen, maakt de bepaling overbodig, en dat kan niet de bedoeling zijn geweest.
subonderdeel 3.1betogen Naftogaz c.s. dat het onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat de uitleg van Naftogaz c.s. van art. 12 BIT Pro 1998 die bepaling zinledig zou maken. Deze uitleg komt erop neer dat een investering geldt als ‘gedaan’ op het moment dat wordt voldaan aan alle vereisten van art. 1 lid 1 BIT Pro 1998. Op grond van deze uitleg zouden alle investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992 buiten de temporele reikwijdte van de BIT vallen. In het geval van investeringen op de Krim kan dan pas zijn voldaan aan de voorwaarden van art. 1 lid 1 BIT Pro 1998 op het moment dat de Krim tot de
territoryvan de Russische Federatie is gaan horen (18 maart 2014).
subonderdeel 3.3wordt geen kenbare klacht voorgesteld, maar daarin verwijzen Naftogaz c.s. naar hun stelling dat in art. 12 BIT Pro 1998 gebruik wordt gemaakt van de in art. 1 lid 1 BIT Pro 1998 gedefinieerde term ‘investeringen’ en dat daarom samenhang met die bepaling bestaat. Dit vormt relevante context in de zin van art. 31 WVV Pro en impliceert dat een investering pas kan zijn ‘gedaan’ (art. 12) op het moment dat überhaupt sprake is van een ‘investering’ (art. 1 lid Pro 1). Wat er is gebeurd met een bepaald vermogensbestanddeel voorafgaand aan het moment dat het een kwalificerende ‘investering’ werd, doet voor de temporele reikwijdte van de BIT 1998 niet ter zake.
subonderdeel 3.4stellen Naftogaz c.s. dat voor de toepassing van art. 12 BIT Pro 1998 niet relevant is of vóór 1 januari 1992 al handelingen zijn verricht (rov. 5.7.5.5) met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen die later een kwalificerende investering zijn geworden. Het is uitsluitend relevant op welk moment aan de vereisten van art. 1 lid 1 BIT Pro 1998 is voldaan. Voor de vermogensbestanddelen van Naftogaz c.s. is dat op 18 maart 2014. Het hof heeft verzuimd op dit centrale argument te responderen.
territoryvan de ene verdragsstaat of op de
territoryvan de andere verdragsstaat is komen te liggen, zoals Naftogaz c.s. stellen dat per 18 maart 2014 is gebeurd.
niettoegekomen aan de vereisten van art. 1 lid 1 BIT Pro 1998. Het opnemen van de datum van 1 januari 1992 (wat op zichzelf een temporele beperking vormt) moet dát bewerkstelligen, omdat pas vanaf die datum investeringen in de Russische Federatie en in Oekraïne konden worden gedaan. Het oordeel in rov. 5.7.5.5 - 5.7.5.7 is in het licht hiervan niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd te noemen. Sterker, zoals opgemerkt in 3.33 acht ik dit oordeel van het hof zeer overtuigend gemotiveerd.