Conclusie
1.Feiten
€ 7.800 per jaar.
€ 18.000.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
klachten 1 tot en met4 bestrijden het oordeel dat bij [erflater] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst op 18 december 2017 sprake was van een relevante aantasting van en stoornis in zijn geestelijke vermogens.
Klacht 5bestrijdt het oordeel dat [eiseres] geen beroep toekomt op artikel 3:35 BW Pro.
In de regel kan aan het eerste punt worden voldaan door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt. [3] Ten aanzien van het tweede punt bevat artikel 3:34 lid 1 BW Pro onder meer een onweerlegbaar vermoeden dat de wil ontbrak indien de verklaring onder invloed van een geestelijke stoornis is gedaan. Indien de rechtshandeling voor de betrokkene nadelig was, wordt de verklaring vermoed onder invloed van een stoornis te zijn gedaan, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijs niet was te voorzien. Hiermee is gedoeld op naar objectieve maatstaven redelijkerwijs niet voorzienbaar nadeel. [4]
onderdeel 1.1is deze beslissing rechtens onjuist, omdat het hof de in het onderdeel genoemde stellingen van [eiseres] over de medewerking van de notaris, de betrokkenheid van de belastingadviseur/boekhouder bij het verkooptraject, op de duur daarvan en de consistentie in de wilsuitingen van [erflater] tot verkoop, niet onbesproken had mogen laten. Indien het hof in rov. 6.11 heeft overwogen dat het beroep van [eiseres] op bovengenoemde omstandigheden niet relevant is, is dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd volgens
onderdeel 1.2.
onderdeel 4.2, hierna in 3.24.2, 3.25.2 en 3.26).
onderdelen 1.1 en 1.2veronderstellen, heeft het hof de bedoelde stellingen van [eiseres] niet onbesproken gelaten of geoordeeld dat deze niet relevant zouden kunnen zijn. Overigens behoefde het hof niet alle in de klachten genoemde stellingen van [eiseres] afzonderlijk weer te geven en te bespreken. [5]
klacht 2getuigen rov. 6.13 en 6.14 van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn deze oordelen onvoldoende (begrijpelijk) geformuleerd, omdat het hof ten onrechte niet de onder
klacht 1genoemde omstandigheden heeft meegewogen. Met name het oordeel van het hof dat de verklaringen van de huisartsen die [eiseres] heeft aangehaald, niet opwegen tegen dat wat het hof in de medische documentatie over [erflater] heeft aangetroffen, verdient heroverweging in het licht van de in
klacht 1aangehaalde opvatting van de belastingadviseur/boekhouder en de notaris, aldus de klacht.
klacht 1, omdat zij eveneens berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
Voor zover de klacht betoogt dat het hof – gelet op de opvattingen van belastingadviseur/boekhouder en de notaris – meer gewicht had moeten toekennen aan de verklaringen van de huisartsen zoals weergegeven in de memorie van grieven onder 2.6 en 2.8, stuit het betoog af op rov. 6.10. Hierin heeft het hof, in cassatie onbestreden, overwogen dat [eiseres] niet heeft uitgelegd wat de huisartsen nog meer of anders kunnen verklaren dan (zo begrijp ik) wat al volgt uit het door hen over [erflater] gevormde medisch dossier.
Verder heeft het hof de medische informatie beoordeeld en daaraan meer gewicht toegekend dan aan de gestelde betrokkenheid van de belastingadviseur/boekhouder en de notaris. Het oordeel van het hof (in rov. 6.15 en 6.16) over het gewicht dat in dit geval aan die betrokkenheid moet worden toegekend, betreft een weging van de omstandigheden van het geval is en daarom als feitelijk van aard aan het hof overgelaten. De juistheid van deze feitelijke beoordeling kan in cassatie niet aan de orde worden gesteld. Waarom deze afweging onvoldoende (begrijpelijk) zou zijn gemotiveerd, maakt de klacht niet duidelijk. Het oordeel getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
onderdelen 3.1 en 3.5betreffen de beoordeling door een niet-medicus van de vraag of sprake is van een geestelijke stoornis.
onderdeel 3.5is het arrest innerlijk tegenstrijdig, kort gezegd, omdat het hof enerzijds meent zonder (ingeroepen) medische expertise te kunnen oordelen en anderzijds het beroep van [eiseres] op de betrokkenheid van de belastingadviseur/boekhouder en de notaris van de hand wijst met het argument dat zij geen medici zijn.
Het hof heeft in rov. 6.15, anders dan
onderdeel 3.1veronderstelt, niet geoordeeld dat alleen verklaringen van medici rechtens relevante meningen kunnen geven over de vraag of bij het aangaan van de koopovereenkomst op 18 december 2017 sprake was van een geestesstoornis. Het hof heeft geoordeeld dat de medewerking van de belastingadviseur/boekhouder en de betrokkenheid van de notaris, gelet op het overgelegde medische dossier, onvoldoende gewicht in de schaal leggen. Om deze redenen is ook geen sprake van innerlijke tegenstrijdigheid zoals
onderdeel 3.5betoogt.
onderdelen 3.3 en (deels) 3.4betreffen de rol van de belastingadviseur/boekhouder.
onderdeel 3.3getuigt rov. 6.15 van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) geformuleerd, omdat het hof er onvoldoende oog voor heeft gehad dat het een feit van algemene kennis is dat jarenlange professionele omgang van een belastingadviseur/boekhouder met een cliënt een dienstverlener in staat kan stellen zich een rechtens relevant oordeel te vormen over de vraag of iemand ten tijde van zijn verklaring zich goed rekenschap kon geven van wat hij verklaarde in de zin dat hij de consequenties daarvan voldoende kon overzien. Gezien de normstelling die het hof tot uitgangspunt genomen heeft, is het oordeel van de belastingadviseur/boekhouder relevant, zodat het hof dit oordeel niet met recht terzijde heeft kunnen schuiven.
onderdeel 3.4getuigt rov. 6.15 van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) geformuleerd, omdat de medewerking van de belastingadviseur/boekhouder relevant is, omdat deze zich gelet op diens jarenlange, professionele verhouding tot [erflater] , een rechtens relevant oordeel heeft gevormd over de geestelijke vermogens van [erflater] . Het hof was hierom gehouden in meer detail op deze stellingen van [eiseres] in te gaan, maar dit heeft het hof nagelaten, aldus de klacht.
onderdeel 3.3aanvoert, is geen sprake van een feit van algemene bekendheid. Dat punt is verder voor de beoordeling in cassatie ook niet relevant, omdat [eiseres] zich heeft beroepen op de door haar overgelegde verklaring van de belastingadviseur/boekhouder van 28 juni 2022. Het hof heeft die verklaring in zijn beoordeling betrokken. Het feitelijke oordeel welk gewicht toekomt aan deze verklaring, is aan het hof overgelaten.
Onderdeel 3.4maakt niet duidelijk in welk opzicht het hof meer had moeten ingaan op deze verklaring.
onderdelen 3.2 en (deels) 3.4betreffen de rol van de notaris.
onderdelen 3.2 en (deels) 3.4dat rov. 6.15 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is geformuleerd, omdat [eiseres] heeft gesteld dat de notaris aan de hand van een stappenplan op 18 december 2017 en op 29 december 2017 het begrip van [erflater] van de koopovereenkomst heeft beoordeeld evenals de eventuele beïnvloeding door [eiseres] , en dat de notaris ter zake geen belemmeringen heeft gezien om de akte te passeren.
klacht 4is gericht.
a] Ondanks dat [eiseres] in die periode [erflater] op alle aspecten van diens dagelijks leven ondersteunde en zijn contactpersoon was, is van haar zijde ieder concrete feitelijkheid en omstandigheid over het contact van [erflater] met de notaris uitgebleven. [
b] Er is één mailbericht van de boekhouder aan de notaris van 3 november 2017 overgelegd. Daarin lijkt de boekhouder (en niet [erflater] ) de opdracht aan de notaris te bevestigen om te komen tot i) een overdracht van het dubbel woonhuis aan [eiseres] , ii) de oprichting van een vennootschap onder firma waarin de groepsaccomodatie van [erflater] zou moeten worden ingebracht, iii) een testament waarin [eiseres] zou worden begunstigd en iv) een volmacht voor [eiseres] . [
c] Verdere correspondentie ontbreekt alsook gewisselde concepten en de reactie van [erflater] daarop. [
d] Zo is duister gebleven wanneer op welke wijze de notaris wat met [erflater] heeft besproken, in het bijzonder over wat de aanleiding, de bedoeling en de consequenties van een en ander zou(den) zijn en wat daarover is vastgelegd, terwijl het gehele vermogen van [erflater] werd geraakt en wat daarover was voorgenomen zeer ingrijpend was. [
e] Evenmin is gesteld of gebleken dat de notaris de wilsbekwaamheid van [erflater] (zelf) heeft beoordeeld en of daarbij al dan niet het door zijn beroepsorganisatie opgestelde “Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening" is gevolgd, en met welke eventuele uitkomst. [
f] Een en ander klemt omdat [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft bevestigd dat zij aanwezig is geweest bij [erflater] bezoek aan de notaris op 18 december 2017, zoals ook al is verwoord in de toelichting op grief 3, en daarmee ook aanwezig is bij het op dat moment verlijden van het testament waarin zij werd begunstigd. [
g] Gelet op een en ander is de aan de medewerking van de notaris aan de totstandkoming van de overeenkomst van 18 december 2017 toe te kennen betekenis voor de al dan niet aanwezige geestesstoornis bij [erflater] onvoldoende onderbouwd. [
h] Bij gebrek aan concrete feitelijke onderbouwing en relevantie is er evenmin voldoende reden om de notaris te horen over ‘de gang van zaken' en over dat ‘ [erflater] beschikte over geestesvermogen’, zoals [eiseres] heeft aangeboden. Ook aan dit bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij.”
klachten 1 tot en met 3en faalt in het voetspoor daarvan.
onder ad a, ad d en ad edat rov. 6.16 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is geformuleerd en dat een aantal daarin opgenomen overwegingen feitelijk onjuist zijn. Ik vat dit op als een motiveringsklacht, omdat het onderdeel niet duidelijk maakt in welk opzicht rov. 6.16 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en omdat in cassatie feitelijke vaststellingen niet op juistheid, maar alleen op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.
En zij heeft gesteld dat [erflater] herhaaldelijk, in de periode mei 2017 tot en met december 2017, kenbaar heeft gemaakt dat hij de onroerende zaken aan [eiseres] wilde geven, dat [erflater] geen overhaaste beslissing heeft genomen, en dat vele gesprekken hebben plaatsgevonden over de bedrijfsvoering en de koopovereenkomst met de belastingadviseur/boekhouder en de notaris (memorie van grieven nr. 3.8).
In de toelichting op de grieven 2 en 3 (nrs. 2.16-2.17) heeft [eiseres] gesteld dat notarissen volgens hun gedragsregels en het KNB Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid moeten beoordelen of de cliënt in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en moeten besluiten of de cliënt wilsbekwaam is, en heeft daarop laten volgen:
[e]venmin is gesteld of gebleken dat de notaris de wilsbekwaamheid van [erflater] (zelf) heeft beoordeeld en of daarbij al dan niet het door zijn beroepsorganisatie opgestelde “Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening" is gevolgd, en met welke eventuele uitkomst.”
onder ad aook een beroep op de stelling in de memorie van grieven nr. 3.8. Deze stelling is aangevoerd ter toelichting op grief 6, die was gericht tegen de verwerping van het beroep van [eiseres] op artikel 3:35 BW Pro. Het hof behoefde daar dus niet op te reageren in het kader van de in rov. 6.16 behandelde vraag of sprake was van een geestelijke stoornis.
onder ad b en ad ceen beroep op een passage in het in rov. 6.15 bedoelde mailbericht van de belastingadviseur/boekhouder aan de notaris. Deze klacht faalt reeds op de grond dat daarin niet wordt vermeld (onder verwijzing naar een vindplaats in de processtukken) dat dit feitelijke punt reeds in de procedure bij de rechtbank of het hof is aangevoerd. Het punt kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd.
onder ad hover de verwerping van het bewijsaanbod. In de memorie van grieven nr. 2.15 heeft [eiseres] haar bewijsaanbod als volgt verwoord:
Dit wordt niet anders in het licht van HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:311, waarin een andere situatie aan de orde was. In die zaak had het hof veronderstellenderwijs aangenomen dat de geestvermogens van erflater blijvend waren gestoord en het aanbod tot bewijslevering afgewezen op de grond dat, mede gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, onvoldoende was onderbouwd dat causaal verband bestaat tussen de stoornis en het opstellen van de uiterste wilsbeschikking.
klacht 5getuigt rov. 6.29 van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit onderdeel onvoldoende (begrijpelijk) geformuleerd, omdat (
onder ad a en b) het volgen door de notaris van het stappenplan voor [eiseres] wel voldoende reden kon zijn voor een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW Pro en omdat (
onder ad c) [eiseres] zich niet heeft beperkt tot een verwijzing naar het stappenplan, maar heeft aangevoerd dat het stappenplan in het geval van [erflater] is gevolgd en dat de uitkomst daarvan was dat de notaris meende zijn diensten te kunnen verlenen
De klacht (
onder ad c) voert verder nog aan dat [eiseres] ten aanzien van de belastingadviseur/boekhouder naar voren heeft gebracht dat de medewerking van de belastingadviseur/boekhouder relevant is, omdat deze gelet op diens jarenlange, professionele verhouding tot [erflater] , een rechtens relevant oordeel heeft gevormd over de geestelijke vermogens van [erflater] . Deze klacht faalt op de hiervoor (in 3.8, 3.11 en 3.13) aangegeven gronden.